Florijnen uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke droomde, dat de magere en vanwege zijn gierigheid befaamde Apotheker SpiessensSpiessens hem mildelijk toeloechwoord door zijn blikkerendewoord brilleglazen en hem zijn vlaklingsche hand toonde, waarop het ronde zilver van vier florijnen praalde. De ApothekerSpiessens deed de munten dansen, zoodat zij lustig tegeneen tinkelden en zijn draaddunne stem bood ze Pastoor PonckePoncke aan: — Mijn-Heer Pastoor, ook ik heb eens op uwe armen gepeisdwoord en ziehier de vrucht ervan.

Het gebaar van den ApothekerSpiessens ontroerde Pastoor PonckePoncke waarlijk en gesmoord antwoordde hij:

— Dat is wèlwoord van u, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, uitermate wel van u… maar… ik tel vier florijnen daar op uwen palm… hm… vier is een prontwoord getal, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, doch het getal vijf is schóónerwoord, nietwaar? Ik wilde zeggen, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, voeg er, ter eere Gods en voor uw eigen pleizier, ééne florijn bij, schenk mijne schamelen er vijf!

— Neen, weerde de ApothekerSpiessens, — vier is mijn gedacht, vier is…

De droom brak af.

Pastoor PonckePoncke ontwaakte en knipperde met de oogleden. Héé!, meende hij oprecht verwonderd, en rapwoord lookwoord hij de oogen van her en zegde, de hand gestrekt boven de sargiewoord

— Het is in orde, Mijn-Heer SpiessensSpiessens, geef mij de vier dan maar, ik ben contentwoord.

Héé!, vond Pastoor PonckePoncke wederom alswoord zijn hand ijdelwoord bleef. Hij opende spijtig de oogen (…).

(bladzijde 12-13)

Dit verhaal is overgenomen uit de grote schat aan Hodjawiki-verhalen:
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl