de heiligen uit

, een boek van
Jan H. Eekhout
- Sint Jan
-
- in het Engels: John the Merciful

-
naamgever aan Sint-Jansgasthuis (of Sint Jansgasthuis) (bladzijde 21, 119, 170, 178)
-
of hospitaal van Sint-Jan (bladzijde 154)
- de heilige Katherina
-
- in het Engels: Saint Catherine of Alexandria

-
met heur
martelrad (bladzijde 22)
-
ook wel de heilige Catherina van het rad geheten (bladzijde 35)
-
of den Heilige Katherina-van-het-rad; zij schijnt de kracht van de snuif te verdubbelen (bladzijde 257)
- Sint Franciscus
-
- in het Engels: Francis of Assisi

-
hij zou het u kunnen getuigen, dat elke lach en elk lied den Heer-God geldt een felle beê (bladzijde 39)
-
Pastoor Poncke
bezit een boek van hem, namelijk de Bloemekens (bladzijde 41)
-
een vastende heilige (bladzijde 152, 169)
-
hij heeft ergens verklaard dat Ons-Heer die van te lande het meest bemint (bladzijde 206)
-
hij at droog brood met assche
bestrooid, want dat geeft klaarte
in de ziel (bladzijde 230)
-
hij verheerlijkt de armoe als heel heilig (bladzijde 253)
- den heiligen Augustinus
-
- in het Engels: Augustine of Hippo

-
hij zegde dat evenzeer als men nauwkeurig acht geeft op de spijzen
, welke men gebruiken wil, men overwegen moet wat men uiten
zal (bladzijde 65)
-
ook wel Augustijn genoemd; hij zegt: voor de hellepoort staat de Barmhartigheid teneinde
te verhinderen, dat een mild man in het helsch gevang belandt (bladzijde 162)
- Sint Joris
-
- den Heiligen Eusebius
-
- in het Engels: Eusebius of Caesarea

-
hij zegt: Goud en zilver verlokken en verleiden de Waarheid, moorden de reinheid en de gerechtigheid, verraden de trouw (bladzijde 84)
- Sint Christoffel
-
- den heiligen Chrysostomus
-
- in het Engels: John Chrysostom

-
benoemer van Sáthaël de leugenbelijder, de lasterije-pleger (bladzijde 133)
- Sint Maarten
-
- Sint Jacob
-
- Sint Petrus
-
- Sint Stefaan
-
- Sint Sebastiaan
-
- Sint Cyriacus
-
- Sint Laurentius
-
- den Heiligen Gregorius
-
- in het Engels: Gregory of Nyssa

-
hij heeft verwittigd
dat door gulzigheid velen zijn gestorven en nog dagelijks sterven er, niet enkel naar het lijf, doch ook naar de ziel (bladzijde 220)
- den Heilige Poncke
-
-
allerminst een heilige (bladzijde 35)
-
kan slechts aan verziekte fantazije ontspruiten (bladzijde 108)
-
Heilig? Ik? Hoe kwaamt gij op zulk een onnoozelheid. Schouwt
gij den lichtkrans der heiligen rondom mijnen schedel? Geen spierken van een schijnsel ontdekt ge? Zoude ik het anderszins niet zelve gewaargeworden
zijn, 's uchtends in den spiegel? Zoude mijne maarte
er blind voor gebleven zijn? Zoude ik dan 's avonds op mijne boekerij
nog mijne kaarsen vannoode hebben, teneinde
al meerdere wijsheid te delven
uit de schrifturen van mystiekers, latijnsche poëten en diepzinnige geleerden? (bladzijde 131)
-
Nimmer was ik een heilige. Ik bezit er de talenten niet voor. (bladzijde 210)
-
welk een mallepraat (bladzijde 230)
- Sint Nicolaas
-
- Sint Paulus
-