de Hodja Nasr-Eddin bij PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

De Hodja Nasr-Eddin

Een virtuoos van het schijnbare

De schertsen van Nasr-Eddin zooals die in de meest gangbare verzameling de Turken verheugen, geven mij aanleiding hen die in dergelijke volksverhalen belang stellen, te doen opmerken, hoezeer hun tezamenstelling soms een eenheid is, en hun tezamensteller een persoonlijkheid.

Zij die de volksoverleveringen beoefenen maken er veelal hun werk van nategaan hoe een bepaald gebruik, een bepaalde legende, een bepaald vertelsel al of niet gewijzigd bij verschillende volken voorkomen, en hun genoegen bestaat dáárin — behalve in het welslagen van hun nasporing — dat zij het gevoel versterken van een innerlijke of uiterlijke gemeenschap tussen de verspreid levende aardebewoners. Maar het behoeft geen betoog dat zij daartoe hun aandacht meest op gedeelten vestigen, omdat wel een enkel feit maar zelden een reeks van feiten zich op eenigszins gelijksoortige wijze herhaalt.

Niet een verzameling van verhalen maar een enkel verhaal uit een verzameling wordt hier en elders teruggevonden, en hoe aangenaam het bijvoorbeeld voor mijzelf geweest is te bespeuren dat ook de Kabylen hun grooten en kleinen Claus hebben, toch kan ik mij niet onvoorwaardelijk voelen ingenomen door een studeergewoonte die — om maar iets te noemen — al eens tot het verbreken van de klaarblijkelijke eenheid van den Ilias heeft geleid.

Veertig jaar geleden, kort na het verschijnen van een duitsche vertolking, heeft een germaansch geleerde op onze verzameling den ontledenden blik gericht. In Eiffel en Taunus, aan Neckar en Main, in Sleeswijk en Littauen, bij Spanjaarden en Italianen, ja onder Indiërs en Tamuliërs, heeft hij de verwanten van hier voorkomende vertellingen aangewezen. Wat daarna gebeurd is, is onuitsprekelijk. Duizelingwekkend was de scherpzienigheid waarmee, voor eerst acht jaar, een algerijnsch professor de verst-afgezworven verwanten uit de Baskische rotsspleten en uit het keltische Bretanje kon ophalen en vereenigen met een breede schaar nieuwgevonden woestijnbewoners. Een hongaarsch onuitputtelijke heeft onlangs — maar ik geloof dat ik zonder schade voor mijn doel bekennen kan dat ik geen hongaarsch versta.

Zooveel is zeker: over de deelen van Nasr-Eddin's schertsen-boek is véél geschreven, maar over het geheel zoo goed als niets.

Toch is het juist als geheel zulk een merkwaardig verschijnsel. Toch is het juist als geheel, en in de hier besproken lezing, het lievelingsboek van de Turken. Toch is het juist in zijn eenheid de uitbeelding van een persoonlijkheid, den Hodja, d.i. een half-geestelijk, half-landelijk leeraar, onderwijzend, predikend en rechtsprekend, een waarschijnlijk gefingeerd personaadje van vermoedelijk arabische afkomst, maar die, zooals hij verschijnt in dit boekje, een turksche volksheld werd.

En niet door zijn saamstellende deelen, die zeer zeker sints lang voor ieders gebruik verspreid lagen, maar alleen door de hen vereenigende eigenheid van zijn tezaamsteller, is dit boek de openbaring van een schrijver die ongetwijfeld de eigenschappen van zijn held bezeten heeft en die door dien held leeft in ons aandenken nu ook zijn naam zelfs met hem gestorven is.

Evenals in het Westen Tijl Uilenspiegel, leeft in het Oosten de Hodja. Voor het gemak hebben dan ook sommigen hem als turkschen Tijl Uilenspiegel gedoodverfd; naar de germaansche geleerde onmiddelijk opmerkt: ten onrechte. Zelf weet hij hem evenwel niet nader te karakteriseeren dan als: een echte nar, een mengsel van grenzelooze onnoozelheid en domheid, en van geest en scherts. De vervaardiger van de fransche vertaling, die door mij gevolgd is, maakt het zich nog makkelijker; hij zegt: de schertsen van Nasr-Eddin vormen een genre op zichzelf, en wel het genre plaisant. Iets verder schrijft hij dan van den Hodja: Hij vertegenwoordigt, voor zich alleen „MM. de Crac et de la Palisse, Cadet-Roussel, Michel Morin, M. Bonasse, Calino et toutes les autres individualités imaginaires qui se partagent en France le domaine de joyeusetés naïves et reilleuses.”

Eén ding is hieruit duidelijk: of men hem als een duitschen nar of als een franschen clown ziet, hij staat met zijn doorgaans onschuldige scherts tegenover den hatelijken spot van Tijl Uilenspiegel. En juist om hem in deze tegenstelling te teekenen wil ik verder gaan en beweren: Tegenover den uit het hartstochtelijk broeiende germaansche innerlijk — dat innerlijk waaruit ook de gothische kathedralen voortkwamen — ontstanen Tijl Uilenspiegel, staat de Hodja, voortgekomen uit den veel meer verstandelijk verfijnden geest van de Muzelmannen, den geest die het Alhambra heeft voortgebracht. Tijl Uilenspiegel en de Hodja zijn uitersten. Het brandende germaansche gemoed heeft den een, de sierlijke mohamedaansche geest heeft den anderen voortgebracht. De schertsen van den Hodja, hoe ook, als elke scherts, naar één zijde spot, satire, wraak moralisatie, zijn in hun wezen niets anders dan een spel van hooge verstandelijkheid.

Om goed te begrijpen wat dit onderscheid beteekent legge men Tijl Uilenspiegels toespraak tot de kleermakers naast Nasr-Eddins optreden voor de geloovigen. Een belangrijk deel van de eerste is de plechtige omhaal waarmee de kleermakers beroepen worden. Uit alle streken, uit Holstein, Pommeren, Stettin en Mecklenburg, uit Lubeck en Hamburg, van de Sont en Wilmar werden zij door beschrijvingsbrieven genoodigd naar Rostock ter vergadering. Daar, als ze allen vergaderd waren, zou Tijl Uilenspiegel hun een kunst leeren die hun en hun kinderen zoolang de wereld stond goed zou doen. Nadat veel brieven en boden tusschen de kleermakers gewisseld waren, besloten zij op te gaan. Het gevolg was, zooals men weet, dat toen zij allen op de markt te Rostock bijeen stonden, Tijl Uilenspiegel zijn hoofd uit een venster stak en aan de „eerbare mannen van het snijdersgild” den raad gaf nooit een in de naald stekende draad te gebruiken, vóór zij aan het andere end een knoop hadden gelegd. Men ziet waarin hier de scherts bestaat: in de wanverhouding tusschen toebereidselen en uitwerking; — het genoegen: leedvermaak met de slachtoffers die nog boos en bespot werken; — de bedoeling: satyre op de gewichtigheid waarmee de eerbare burgers van die dagen zich zeker dikwijls lieten tezaamroepen tot een éven belangrijke meedeeling; — de beweegreden: lust tot wraak misschien, de wensch de verstandige en welvarende burgers van Noord-Duitschland door hem, den landzot en nar, gehoond te zien. Alles drijfveren die hun kracht op het gemoed hebben, en niet dan daarmee samengaand, en maar grovelijk, op den geest. — Legt hiernaast nu de inleidende schertsen uit de verzameling van den Hodja.

„Nasr-Eddin beklom den kansel en zei: Muzelmannen, kent gij het onderwerp waarover ik spreken wil? Wij kennen het niet, Hodja. Hoe zal ik, zei daarop Nasr-Eddin, u een onderwerp ontwikkelen dat ge niet kent. — Een andermaal beklom hij den kansel en zei: Weet gij, geloovigen, wat ik u te zeggen heb? Wij weten het, riepen er. Wat zal ik u, zei de Hodja en verliet den preekstoel, uitleggen wat ge al weet. — De vergaderden zaten verbaasd. En een deed het voorstel dat als hij weerkwam de eenen zouden antwoorden dat zij het wisten, de anderen dat zij het niet wisten. Dat werd goed gevonden. De Hodja verscheen weer en riep als te voren: Weet gij, mijn broeders, wat ik u zeggen wil? Onder ons, zei men hem, zijn er sommigen die het weten, anderen die het niet weten. Welnu, antwoordde de Hodja, laat hen die het weten het dan meedeelen aan hen die het niet weten.”

Hier, bemerkt men, is ook een wanverhouding, maar ze is niet gezocht: als vanzelf sprekend, treedt in de moskee de geestelijke op voor zijn hoorders, en in de wanverhouding tusschen dit samenzijn en dat spreken, daar ligt zeker de eigenlijke scherts niet in; — er is misschien ook een satyre: de gedachte kan worden opgewekt of de geloovigen niet meermalen op die plaats eerbiedig luisterden naar niet belangrijker wijsheid; — er is mogelijk ook leedvermaak, maar onmerkbaar en in geen geval opgedrongen; — en de gedachte aan wraak schijnt wel uitgesloten. Is er gemoedsbeweging, dan niet de westersche die zich pleegt uittelaten en luidruchtig wordt, maar de oostersche die zich onder een dekorum verbergt. Maar wat is er in dat dekorum dat de hoorders verbaasd doet zijn en overleg plegen? Wel, het karakter van de scherts van den Hodja, dat wat hier duidelijk de hoofdzaak is: het verstandelijke geestes-spel: het eenvoudig sofisme.

Wij zijn hier bij een spreker en onder een bevolking die niets wil weten van de luidruchtige gemoedsbeweging, maar die alles weet van de verstandelijke scherts.

Wat is van iedere scherts het ontroerende? De verrassing van het schijnbare optredend als werkelijkheid. Als Tijl Uilenspiegel den kleermakers aanraadt geen draad te gebruiken zonder knoop erin en hun dit als een uitnemende kunst aanprijst, dan liegt hij niet. Integendeel: zijn bewering treft juist zoo omdat ieder moet erkennen dat ze de waarheid schijnt. Schijnt toch ook maar: want een waarheid die ieder weet heeft ter meedeeling geen beteekenis. De naar den duidelijken schijn ware waarheid maar die niemand zich meer verwerkelijkt, brengt Tijl Uilenspiegel nog eens in de werkelijkheid.

Maar voor Tijl Uilenspiegel is dat niet genoeg. Zijn gemoed wordt er niet bevredigd door. Hij vormt zich de omstandigheden zóó dat hij voldoening vindt voor zijn spot, voor zijn leedvermaak. Het zeggen van zijn schijn-waarheid ná de gewichtige beraadslagingen en reiswederwaardigheden wordt zijn scherts, de scherts naar zijn behoeften verlichamelijkt, vergroofd.

„O Muzelmannen, riep op een keer de Hodja, dankt God zonder ophouden omdat hij den kameel geen vleugels gegeven heeft.”

Dit is Nasr-Eddins tweede scherts en die in soort nog dichter nabij komt aan die van Tijl Uilenspiegel: een vanzelf sprekende waarheid die nog eens schijn van leven krijgt; maar de Hodja behoudt haar in haar simpelen geestesstaat. Hij en zijn hoorders genieten enkel met den geest dit schijnbare. En juist daarom lijkt de eerste scherts niet zonder opzet geplaatst aan het hoofd van de verzameling omdat daar zelfs niet zooals in de tweede eenig lichamelijk voorwerp is ingevoerd maar de Hodja er in zijn zuiverste wezen voor het eerst komt optreden, als namelijk een kunstenaar van het sofisme, een virtuoos van het schijnbare.

* *
*

Wanneer de Hodja vraagt: Kent ge het onderwerp waarover ik u spreken wil? — dan begrijpt hij wel dat dit door ieder verstaan zal worden alsof hij vraagt: Weet gij wat ik u vertellen wil? — Hij houdt zich aan de letter van zijn vraag, dat is aan de schijn-waarheid: de waarheid van de bedoeling wordt door hem ontkend. Juist zóó als hij zijn hoorders aanraadt God te danken voor de vleugelloosheid van hun kameel. Als men iets bizonder heilrijk vindt dankt men God ervoor. Ergo … De Hodja is weer de man van de letterwaarheid; in het schijnbare vindt hij zijn gelijk.

Het is al duidelijk dat hij die zoo doet een zekere houding heeft. Van het eerste oogenblik af heeft dat wat hij zegt den schijn vóór zich. Wie hem tegenspreekt heeft de ondankbare taak van verschillen te ontrafelen en uitteleggen. Bovendien: wie een houding heeft en dan zijn hoorder dwingt tot nadenken, dwingt hem ook tot het vermoeden van bedoelingen. Al zijn ze nauwelijks erin gelegd — wat ligt meer voor de hand dan naar aanleiding van dien kameel te denken: hij wil mij berispen over de onnoozele voorwerpen van mijn dank. De schertser wordt dus de onderwijzer, de prediker. Merkwaardig dat hij dit in de figuur van den Hodja ook werkelijk is: een nieuw bewijs dat het wezen van den schertser volkomen zuiver door den turkschen geest begrepen is.

Niets is dan ook voor het enkel vormelijk verstand verkwikkender dan dezen Hodja de sfeer van het schijnbare te zien openen en er hem in te zien bewegen.

De afwijking van de bedoelde waarheid naar een zekere letterwaardigheid is maar een opening. De hoorder had dan maar nauwkeuriger moeten luisteren, denkt men. Het nadruk leggen op iets dat wel in het algemeen maar minder in uw bizondere geval waar is (dankbaarheid voor iets heilrijks: in casu de vleugelloosheid van een kameel) heeft de waarheid in het algemeene nog niet losgelaten. En in veel gevallen kan zulk een handelwijs gelden voor een zekere gevatheid, vlugheid in het zien van wat men een andere zij van de waarheid, en een minder voor de hand liggende, zou kunnen noemen.

Maar met iedere volgende beweging naar het schijnbare zien wij het verband met de waarheid losser worden.

„Eens verborg zich een dief in het huis van den Hodja. Zijn vrouw kwam hem waarschuwen. Stil, zei hij, God geve dat hij iets vinden mag, dan kan ik het hem afnemen.”

Hier is al niet meer sprake van naar de letter waar, of in het algemeen waar. Tegenover groote onwaarschijnlijkheid staat alleen de mogelijkheid dat het waar kan zijn. Wat treft is het besef dat wij aan die mogelijkheid niet gedacht hebben. Alleen aan die mogelijkheid ontleent de bewering haar waren schijn.

Nog één stap verder dan ook en het onmiddelijk verband met een waarheid wordt losgelaten.

„De Hodja zette een ladder tegen een tuinmuur, klom naarboven en haalde hem, toen hij op den muur was, op. Toen daalde hij af in den tuin. De tuinman bemerkte hem en riep: Wat wilt ge hier? — Een ladder te koop bieden, zei de Hodja.”

De verrassing is onweêrsprekelijk. Toch voelt men wel dat dit een logen is. Maar wat ons nochtans terug houdt dit uit te spreken is de gedachte dat het de eenige bewering is die schijn van waarheid hebben zóu indien ze waarheid was.

Men merkt wel hoezeer de geestesrichting van den Hodja hem een eigenaardige houding geeft. Hij is de virtuoos van het schijnbare. Hij weet altijd, in iederen toestand, de ééne schijnbaarheid te ontdekken die aanwezig is. En aldoor profiteert die beslistheid van de mogelijkheid op eigen ongelijk die de waarheidlievende mensch openhoudt.

Een verder stadium dan in de vorige ligt in de volgende voorstelling.

„De Hodja verschafte zich toegang tot een tuin. Hij verborg in zijn zak en in zijn hemd wortelen, knollen, en al wat hem voor de hand kwam. De tuinman betrapte hem. Wat maakt ge hier? — zei hij. De Hodja, geschrokken, wist niets beters te antwoorden dan dat een hevige wind hem daar had neergezet. Maar dan al wat daar is losgerukt? — Als de wind, zei de Hodja, sterk genoeg was om mij op te lichten, kon hij uw groenten ook wel losrukken. — En wie dan wel, meent ge, heeft mijn groenten in uw zak gestopt? — Daar stond ik ook juist over te denken, antwoordde de Hodja.”

Ik vestig alleen de aandacht op het eindantwoord. Zonder in het plompe te vallen kon de Hodja geen reden meer bedenken van éénige schijnbaarheid. Maar zijn ingeboren zekerheid dat er altijd en in iedere omstandigheid een wijs moet zijn waarop men gelijk heeft, doet hem nu ook ontdekken hoe hij zich gedragen moet. De tuinman heeft zich in een onderzoek met hem ingelaten. De tuinman vraagt en zoekt samen met hem het antwoord op iets waarvan hij onkundig is. Er steekt geen schande in te bekennen dat men de onkunde van den tuinman deelt.

Dit antwoord is dus niet eens een waarvan men denken kan dat het waar zou schijnen indien het waar wás, maar het is er een waarvan men voelt: het is de eenige ónwaarheid die met vertoon van waarheid te uiten viel.

Het onmiddelijk verband met de waarheid is dus geheel losgelaten. Verder dan tot dezen schamelen waarheidsschijn kon in onmiddelijk verband met de waarheid niet gegaan worden. Maar wel, meent ge, in een ander dan onmiddelijk? Zeker, en in het verhaal dat ik zooeven aanhaalde, is er al een voorbeeld van. De wind, zegt de Hodja, heeft mij in den tuin gezet. De tuinman weerspreekt het niet. Hij vraagt: Maar die groenten dan? Het antwoord volgt zonder aarzelen. Als de wind, zei de Hodja, sterk genoeg was om mij optelichten, kon hij uw groenten ook wel losrukken. Hiermee treedt een van de sterkste wapenen van den schijnkunstenaar in werking: de logica. Het verband van zijn beweringen met een waarheid is niet langer onmiddelijk, maar afgeleid.

„Eens noodigde de Bey den Hodja op het djérid-spel (werpspel te paard). De Hodja bezat juist een prachtigen os; hij zadelt, beklimt hem, en geraakt zoo op de bestemde plaats. Algemeen gelach toen men hem zag aankomen. Hodja, zei de Bey, het berijden van een os is iets nieuws, maar ik vrees dat hij niet loopen kan. Ik heb hem zien loopen, antwoordde de Hodja, harder dan een paard, en toen was hij nog maar een kalf.”

Stel twee waarheden: Dat kalf liep hard, — dat kalf werd os, — redekunstig samen en ge wint in elk geval de schijnwaarheid van den logischen vorm. Het blijft daarom niet minder waar dat een os niet zoo hard loopt als een kalf.

Soortgelijke tezaamstellingen sluiten zich hierbij aan.

„Toen de Hodja cadi geworden was kwamen twee personen hem recht vragen. Die man, zei de een, heeft mij in het oor gebeten. 't Is niet waar, zei de andere, hij heeft het zelf gedaan. De Hodja verzocht hun een oogenblik heen te gaan. Zoodra hij alleen was sloot hij de deur en beproefde zich in zijn oor te bijten. Het gevolg was een tuimeling waarbij hij zich een gat in het hoofd viel. Hij deed er een wikkel om en opende deur. Toen de klagers terug waren deed de Hodja zijn uitspraak. Het is zeker, zei hij, niet enkel dat een man zichzelf in zijn oor kan bijten, maar dat hij, wat meer is, zichzelf een gat kan in zijn hoofd vallen.”

Het verband tusschen deze twee kwetsuren is nog geringer dan dat tusschen os en kalf. En nog losser van elkaar zijn de elementen die in het volgende redekunstig verbonden zijn.

„Op een nacht, terwijl hij in bed lag, hoorde de Hodja vlak voor zijn deur een twist. Sta op, vrouw, zei hij, en reik me de kaars. Blijf toch liggen, zei ze. Maar hij wikkelde zich in zijn deken en ging. De deur was nauw open of een van de twistenden greep zijn deken en liep ermeê heen. De Hodja, bibberend, ging weer in 't huis. Waar was het twisten om? vroeg zijn vrouw. Het was om mijn deken, zei de Hodja, zoodra ze die hadden was het gedaan.”

Het logische is voor den schertser een spel en een wapen. Maak een gevolgtrekking van uiterlijke, dus schijnbare juistheid, en ge zult uw hoorder verrassen of vermaken, in elk geval een oogenblik verstomd doen staan, in negen van de tien gevallen uw meerderheid over hem handhaven, en, misschien hem door vergelijking doen voelen dat er in zijn doen iets is dat zich tot zulke gevolgtrekkingen leent.

„De Hodja ving een ooievaar, nam hem mee naar huis, greep een mes, sneed hem zijn bek en pooten af, en zetten hem zoo ergens bovenop. Ziedaar, zei hij, nu lijkt ge op de andere vogels.”

Dit is een uitmuntend voorbeeld van die uiterlijke redeneerkunde. Het eigenaardige van de vogels — zoowel als van de gedachten — ligt in hun voorkomen. Verander hun schijn en gij verandert henzelf.

„Een keer, vóór het gebed, had de Hodja geen water genoeg voor zijn wasschingen. Hij ging dus bidden, met één been opgetrokken, als een gans. Wat doet ge? vroeg men hem. Dit been, zei hij, is nog niet afgewasschen.”

Het been was niet zuiver en mocht dus niet meebidden. Men ziet hoe niet alleen het wezen van vogels maar ook het innerlijk van den mensch verloochend wordt. En in deze orde van geestesbewegingen volkomen zooals het hoort.

Maar dit is een spel van den Hodja met zichzelf. Tegenover anderen is zijn logica een wapen dat hij met allerlei verfijnde kronkelingen hanteert.

„Een dief drong in het huis van den Hodja, greep wat hij grijpen kon, laadde het op zijn rug, en ging ermeê heen. De Hodja, die hem gezien had, greep dadelijk wat er nog overschoot en volgde er den dief meê tot aan diens deur. Wat wilt ge? vroeg hem de dief. De Hodja: We verhuizen toch immers hier naartoe, is het niet?”

De mogelijkheids-schijn verbindt zich hier met een vlugge redeneering. De dief verhuist me: ik ga vlug met hem meê.

„Toen de Hodja eens ziek was kwamen vrouwen hem opzoeken. Een zei: We zijn in Gods hand: als ge sterft, hoe moeten we dan rouwen over u? Rouw over me, zei de Hodja, als over een wien men altijd meer vroeg dan hij wist te beantwoorden.”

De gevolgtrekking van uiterlijke, immers oogenblikkelijke, juistheid, kan de hoorders doen terugdenken op dat wat in hun eigen doen zich tot zulk een gevolgtrekking leent. Dit is het moraliseervermogen van dezen kunstenaar en in een aantal verhalen van verschillende schakeering kan met het werkzaam zien.

„Eens, terwijl de Hodja aan den oever van een stroom zet, kwam hij overeen met tien blinden dat hij hen zou overvoeren tegen een para elk. Terwijl hij ze overbracht viel een in het water en werd door den stroom meegesleurd. De andere negen aan het roepen en weeklagen. Waarom huil jelui, zei de Hodja, je betaalt me één para minder, dan is het goed.”

Eenerzijds is dit diezelfde uiterlijkheid die den ooievaar zijn pooten afknipt, maar andererzijds is het de trek van den Hodja zijn hoorder een schijn voor te houden waarin hij zichzelf herkent.

„Iemand kwam den Hodja vragen hoe het met zijn zieke was. Vanmorgen goed, zei hij, nu dood.”

Hier herkent men hetzelfde in: hij antwoordt de vragers naar zij zijn. Duidelijker, in hun onmiddelijk verweer, zijn de volgende.

„Een boer bracht den Hodja een haas. Toen hij er mee van gegeten had ging hij heen, maar de volgende week kwam hij weer eten. De daarop volgende week kwamen zijn buren eten. Daarna kwam weer een gezelschap dat, gevraagd wie ze waren, antwoordde: Wij zijn de buren van de buren van den man met de haas. De Hodja zette hun elk een bord met schoon water voor. Wat is dat, vroegen ze? Dat — zei de Hodja — is de saus van de saus van de haas.”

Overeenkomstig hiermee is het verhaal van den bedelaar die hem eerst naar beneé deed komen en toen om een aalmoes vroeg. De Hodja nam hem mee naar boven en zei hem daar dat hij hem er geen gaf.

Hierbij aansluitend is de scherts van het vergaan van de wereld.

„De Hodja had een lam dat hij met zorg gemest had. Een van zijn vrienden kwam op een keer bij hem en zei: Morgen vergaat de wereld: laat ons vandaag nog uw lam eten. De Hodja weigerde het te gelooven, maar toen een tweede kwam die hetzelfde zei legde hij zijn overkleed af, maakte een groot vuur aan en stak het lam aan het spit. Toen het gegeten was legden ook de vrienden hun overkleederen af en zetten zich aan het spel. De Hodja pakte de kleedingstukken op en wierp ze in het vuur. Wat doet ge daar, schreeuwden de spelenden. Morgen vergaat immers de wereld, zei de Hodja, wat woudt ge dan met een overkleed doen?”

Een belangzuchtiger list is die van den grooten en den kleinen ketel.

„De Hodja leende eens van zijn buurman een grooten ketel. Na gebruik bracht hij hem weerom met erbij een klein keteltje. Wat beduidt dat kleine keteltje? vroeg hem de buurman. De ketel, antwoordde de Hodja, heeft gejongd. — Kort daarna vroeg hij den ketel weer te leen. Toen de eigenaar hem na vijf dagen nog niet terug had, klopte hij aan de deur van den Hodja, die deed open. Wat is er? zei hij. — Of ik mijn ketel mag. — Uw ketel, helaas, uw ketel is dood. — Kom, een ketel dood! — Zeker, of dacht ge dat een ketel alleen jongen kon en niet dood kon gaan?”

Niets is den Hodja onaangenamer dan een waarheid die onmiddelijk zichtbaar is. Hij kan niet aannemen dat iemand er vermaak in scheppen zal een bewering te uiten die niet bedoelt te misleiden door haar schijn. Daarnaar is ook zijn antwoord als iemand hem een te duidelijk raadsel geeft.

„Een man die een ei in zijn hand verborgen hield wendde zich eens tot den Hodja en zei: Indien ge raadt wat ik hier in mijn hand heb zal ik het u geven en moogt ge er een omelet van maken. Zeg me eerst hoe het er uitziet, zei de Hodja, dan zal ik u antwoorden. — Van buiten is 't wit en van binnen geel. — O, ik weet het al, riep de Hodja, een witte knol met gele worteltjes.”

Voor hem die altijd juist dat veronderstelt wat niet voor de hand ligt en daaruit zijn gevolgtrekkingen maakt, is zulk duidelijk vooropstellen van de tastbare waarheid onbegrijpelijk. Zoo ook, als iemand huilt omdat hij zijn kalf verloren heeft, is het niet de Hodja die op de eenvoudige gedachte zal komen dat de man schreit om het verloren zijn van het kalf voor hemzelf. Hij schreit omdat het verloren is, en is dat nu niet ten onrechte, daar het kalf onverloren opengespalkt hangt in de spijskamer van des Hodja's huis?

„Terwijl hij eens in een wei liep zag de Hodja een kalf. Hij nam het mee en slachtte het en verborg de huid. De eigenaar van het kalf ging zuchtend en schreiend onder zijn venster voorbij. O vrouw, zei de Hodja, die man zou wel zeer beschaamd zijn als ik hem nu de huid van zijn kalf liet zien.”

Eveneens als iemand uit het gebalk van zijn ezel wil afleiden dat de ezel aanwezig is. Dat gebalk is dus — een bewijs, meent ge? Maar de Hodja verstaat „getuigenis”, en vraagt u welk getuigenis meer is, het zijne of dat van zijn dier?

„Er kwam eens iemand den Hodja zijn ezel te leen vragen. Die is niet thuis, zei hij. Maar met dat hij het zei, begon de ezel in het huis te balken. O heer, riep de teleenvrager, de ezel is niet thuis, zegt ge, en nu balkt hij daar. Hoe, antwoordde hem de Hodja, ge luistert naar den ezel en luistert niet naar mij die een oud man ben met een grijzen baard. Wat een vreemd mensch zijt ge.”

* *
*

Wij zagen in de schertsen van den Hodja hoe het verband tusschen hun schijn-waarheid en een werkelijkheid aldoor losser werd. Eerst nog onmiddelijk, bestond het straks nog maar afgeleid: meer ten slotte dan door zijn verhouding tot een waarheid werd die schijn nog opgehouden door het bedriegelijke van een logischen vorm.

Waar alleen door dien vorm een schijn van waarheid moet geschapen worden, spreekt het vanzelf dat men het onverschillig gaat vinden wélke, aan de werkelijkheid ontleende, elementen in dien vorm worden tezaamgesteld. Om een voorbeeld te noemen: waar het gebalk van een ezel, en het woord van zijn meester, niet meer in hun werkelijke verhouding ter beslissing van de vraag waar die ezel zich ophoudt worden toegelaten, maar de vernuftige schertser ze zoo weet voortestellen dat hij door een sluitreden u onder den indruk brengt dat die verhouding geheel anders is, — daar volgt onmiddelijk dat gij niet aan werkelijke verhoudingen maar aan sluitredenen de kracht toeschrijft de waarheid te vertegenwoordigen. Zooals de Hodja zelf zei toen hij in een proces waarin hij valsch getuigen moest ook wat reeds vaststond loochende: Wat doet het ertoe, als ge toch wilt dat ik valsch getuigen zal, of ik beweer dat deze zaak koren betreft, dan wel gerst. Werkelijke verhoudingen worden tegenover de eenmaal aangenomen waarheids-waarde van den logischen vorm onbelangrijk, de verschillende werkelijkheden verliezen hun onderscheiden beteekenis.

Maar wat is het gevolg daarvan? De waarde toegeschreven aan den logischen vorm brengt u ertoe dien vorm onafhankelijk te achten van de werkelijkheden waaraan hij verbonden is. Maar dat is hij geenszins. De verhouding tusschen ezel en eigenaar bestaat, en al kan men door een logisch kunststuk die verhouding schijnbaar omkeeren, dat men dat kan doen dankt men aan die verhouding zelf. Wat nu als de minachting tegenover die werkelijkheid u haar verhoudingen doet loochenen? Dit: dat ge met het opheffen van die verhoudingen, dus met het invoeren van onwerkelijke verhoudingen als steunpunt van uw redeneering den laatsten logischen inhoud aan die redeneering ontneemt. Het kunststuk waardoor ge een schijn van waarheid geeft aan iets onwezenlijks zal niet langer een logisch kunststuk zijn, maar onder den logischen vorm een tegen-logischheid herbergen. Wat is het éénig-overblijvende, waardoor ge met een schijn van logischheid, met dezen allerlaatsten waarheids-schijn, zelfs met ongelijksoortige tezamen brengt? Niets anders dan de stoutmoedigheid waarmee gij dien vorm handhaaft, de tooneelspeelkunst waarmee ge uw geloof eraan akteert.

Hier zijn wij aangeland, uitgaande van de letterwaardigheid en door alle al schameler gestalten van het schijnbare heen, bij den volkomen leugen, die alleen steunt op een innerlijk geloof aan zijn beteekenis. die alleen uit kracht van dat geloof zich als waarheids-schijn weet te handhaven.

„Toen de Hodja eens meê op de vischvangst was wierp hij zich, nadat het net was uitgeworpen, er oogenblikkelijk in. Wat doet ge, Hodja? — Ik dacht dat ik de visch was, zei hij.”

Men ziet hoe hier de verbinding van het ongelijksoortige geenszins haar als logisch aandoende kracht verliest. Er moet iets in den Hodja geweest zijn dat hem dreef, en met noodzakelijk geweld, zich met de visch te vereenzelvigen. Zijn overtuiging, zijn besef van de onvermijdelijkheid van zijn daad, zet zich voort op de toeschouwers, en de leugen heeft een schijn van waarheid die hun misschien iets openbaart.

Wij raken hier, met loslating van het logische, aan dat wat als het onbewust is, verbeelding heet. De verbeelding van het tegen-logische — maar die geakteerd als scherts — dat is de sfeer waarin wij nu door den Hodja zijn opgenomen en die hij van het eene tot het andere eind doordwaalt.

De karaktertrek van al deze bewegingen — de algemeene daad waarin de tegenwoordigheid van het tegen-logische zich vertoont — is het opheffen van het verschil in bewustheid. En dit is ook wel de basis van deze kunst die met bewustheid onbewust wil zijn. Het verschil in bewustheid, tusschen planten, dieren en menschen, tusschen kinderen en volwassenen, tusschen waken en slapen, tusschen leven en dood, tusschen den mensch in het eene oogenblik en denzelfden mensch in het andere, dat heele veelsoortige verschil wordt opgeheven en de wereld opent zich waarin bij afwezigheid van dat groote onderscheid de verbeelde gelijkheid van het ongelijksoortige zicht akteert.

„Iemand kwam den Hodja zijn ezel te leen vragen. Wacht, zei hij, ik vraag het hemzelf. Toen hij weer buiten kwam zei hij: De ezel weigert en zegt als ik hem leen zal men hem om zijn ooren slaan en mij uitlachen.”

„De Hodja droeg op een houten bord drie pruimen. Terwijl hij liep liepen de pruimen elkander na. Schei uit met dat spelen, riep de Hodja, of ik eet jullie op.”

„De Hodja legde zijn mantel op de mat van zijn ezel en ging even wateren. Een dief kwam langs, greep den mantel, en ging ermee op de vlucht. Toen de Hodja terugkwam en zijn mantel miste, legde hij de mat op zijn eigen rug, gaf den ezel een zweepslag, en zei: Geef mij mijn mantel, dan krijg jij je mat.”

„Op een dag vond de Hodja, terwijl hij op het land arbeidde, een schildpad. Hij deed haar een touwtje om den hals en hing haar aan zijn gordelriem. De schildpad bleef daar niet rustig bij. Wees toch stil, zei de Hodja, nu kun je leeren op het land arbeiden.”

Hier ziet men den Hodja met dingen en dieren in gemeenschap. In het volgende laat hij ook het verschil tusschen menschen wegvallen.

„De Hodja draaide zijn tulband, maar hij kon de enden niet aan elkaar knoopen. Na het telkens opnieuw geprobeerd te hebben, legde hij hem te koop. Er kwam een kooplustige. De Hodja ging bij hem staan. Niet koopen, fluisterde hij, men kan er de enden niet van aan elkaar knoopen.”

Verschillende toestanden van het bewustzijn beginnen door elkaar te gaan.

„De Hodja dacht erover een onderaardschen stal te bouwen, zooals men dat vroeger deed. Terwijl hij daarover peinsde zag hij in den kelder van zijn buurman een groot aantal koeien staan. Vrouw, zei hij, ik heb een onderaardsche stal gevonden, vol koeien, en verlaten sints den tijd van de heidenen.”

En ook tusschen droom en waken verdwijnt het onderscheid.

„De Hodja zag eens in den droom iemand die hem negen aspers gaf. Hij weigerde en vroeg er tien. De tien aangeboden, vroeg hij negentien, werd wakker, gedurende de onderhandeling en had nu, merkte hij, niets. Hij sloot dus de oogen en zie: Het is goed, geef me de negen maar.”

Van hier tot het verschil tusschen dood en leven is de afstand gering.

„De Hodja vroeg eens aan zijn vrouw: Waar kan men aan weten dat iemand dood is. Daaraan, zei ze, dat hij koude handen en voeten heeft. Een paar dagen later was de Hodja in het bosch en al loopende voelde hij dat zijn handen en voeten koud werden. Ik ben dood, riep hij, en ging aan den voet van een boom liggen. De wolven kwamen nu en begonnen zijn ezel op te eten. Wat treft ge dat, riep de Hodja, dat de meester van den ezel zoo pas gestorven is.”

Uitvoeriger wordt deze verbeelding uitgewerkt in het volgende:

„De Hodja ging eens op een kerkhof langs den weg in een oud graf liggen. Zouden de goede en de kwade engel nu komen, dacht hij, om mij te ondervragen? — Terwijl hij daarop wachtte hoorde hij klokjes-getinkel en meende het kon het laatste oordeel zijn en de dag van de opstanding. Hij ging dus uit zijn graf om eens te zien en zag dat het een karavaan van muilen was. De muilen verschrikten door zijn verschijning en verwarden zich. De muildrijvers liepen op hem af met hun stokken en riepen: Wie ben je? — Ik ben een doode? — Wat doe je dan hier? — Ik maak een wandeling. — Wacht, we zullen je helpen wandelen; en meteen vielen ze over hem heen met hun stokken, dat hij bont en blauw liggen bleef. Toen zijn vrouw hem zoo toegetakeld zag thuis komen, vroeg ze: Waar kom je vandaan, Hodja? — Van bij de dooden: ik kom uit het graf. — En hoe leeft men daar? — Vrouw, voor één ding moet men zich daar in acht nemen: verschrik er de ezelsdrijvers niet.” —

Hierbij aansluitend is de scherts van het testament.

„De Hodja maakte in zijn testament een bepaling dat men hem als hij dood was in een oud graf zou leggen. Waar dat voor? vroegen de getuigen. Omdat, zei de Hodja, als de engelen komen om mij te ondervragen, ik dan zeggen kan dat ze er al zijn geweest.” —

Hun climax vinden deze verhalen in het geheele opheffen van het zelf-besef. Het zijn er twee.

„De Hodja kwam iemand tegen. Zij keken elkander aan en gingen weerkeerig een weinig voor elkaar op zij. Mag ik zoo vrij zijn, zeide de Hodja, u te vragen wie ge zijt? — Als ge me niet kent, vroeg de ander, waarom zijt ge dan zoo verrast mij te zien? — Ik zag, antwoordde de Hodja, dat uw tulband en de mijne eender zijn en dat uw mantel gelijk aan den mijnen is: ik hield u voor mijzelf.”

Hier is een uiterlijke gelijkheid voldoende om hem te doen besluiten tot innerlijke, óndanks zijn zelfgevoel. In het tweede dringt het niet tot hem door dat men niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn.

„Op een avond wiesch de vrouw van den Hodja zijn kaftan en hing hem in den tuin te drogen. De Hodja meende in 't donker iemand in zijn tuin te zien, haalde zijn boog, schoot, en ging in huis om te slapen. Den volgenden morgen zag hij dat hij geschoten had op zijn eigen kaftan. — Geloofd zij God, zei hij, dat ik zelf niet in dien kaftan stak.”

* *
*

Van het eene tot het andere einde: van de schijnwaarheid die zich van waarheid alleen onderscheidt door een zekere spitsvondigheid, tot den innerlijksten leugen, die ligt in het missen van het zelf-besef, heb ik u het wezen dat de Hodja is, voorgesteld. Die schertser is éen harmonisch gegroeide persoonlijkheid, éen geestesgroei, éen schepper van zijn spiegelbeeld. Ik verzoek u de eenheid van dezen kunstenaar en de eenheid van zijn kunstwerk niet te loochenen. Zij bestaat in het geheel begrepen schijnbare.

Als dit een arbeid was van scherpe fijnheid en weinig boeiende door lichamelijkheid: veel werkelijke trekjes hebt ge gaandeweg kunnen vereenigen, en niet alleen de konsekwentie van het geestelijk, maar ook de beminnelijkheid van het lichamelijk beeld kan u zijn opgegaan. Want in tegenstelling tot Tijl Uilenspiegel, den harden, den hatenden, is deze Oosterling in zijn zachtzinnig voortglijden door zijn land en zijn omstandigheden bij uitstek beminnelijk. Bij zooveel konsekwentie van geest als ik hem toe mocht schrijven is niemand inkonsekwent in zijn daden als hij. Zijn tooneelspel is werkelijk in bijna al de gevallen spel, speelsch en kinderlijk.

„De Hodja wou eens te paard stijgen, maar hij kon het geen baas worden. Vervloekt beest, riep hij. Toen keek hij om zich, zag dat hij alleen was, en zei: Laat ons erkennen dat er slechter lui bestaan.”

„De Hodja trok eens op een wagen een lever achter zich. Een roofvogel schoot op de lever neer en nam ze mee. Toen de Hodja zich omdraaide was er niets. Hij klom toen langs den weg op een hoogte, zag een man met een lever in de hand, griste ze af en klom ermee boven op de rots. Waarom gris je me die lever af, Hodja? riep de man. — Ik probeerde, riep de Hodja terug, hoe ik doen zou als ik een roofvogel was.”

„De Hodja zag een groot aantal eenden bij een bron spelen. Hij liep erheen om er een te grijpen, maar ze vluchtten weg; hij ging toen zitten, doopte zijn brood in de bron en at. Tegelijkertijd kwam er een voorbijganger die vroeg: Wat eet je daar? — Ik eet — antwoordde de Hodja — eendesoep.”

Deze gelijkmoedigheid, dit kinderlijk nabootsen, dit dichterlijk zich troosten met de verbeelding van wat men niet krijgen kan — het zijn alles eigenschappen waaraan men den Hodja, als men hem eenmaal begrepen heeft, herkent. Er is in dit leven een lichtheid die als een geur door al zijn schertsen is.

Zoo ook in de verhalen van den os met de schoongeplante horens, en van de maan die hij uit de put haalde.

„De Hodja bezat een os met zoo schoon geplante horens dat men er tusschen zitten kon. Telkens als de Hodja hem zag in de kudde dacht hij hoe gaarne hij eens tusschen die horens zitten zou. Tot, op een keer, de os vlak voor hem liggen ging. Dat was een gelegenheid die niet voorbij mocht gaan. De Hodja sprong tusschen de horens en zette zich. De os stond op en wierp hem oogenblikkelijk er tusschen uit. Hij herkreeg zijn bewustzijn juist toen zijn vrouw schreiend voor hem stond — Schrei niet, vrouw, zei hij, al heb ik me leelijk bezeerd, ik heb gedaan waar ik lust in had.”

„Ik heb me zeer gedaan, maar de maan staat weer op haar plaats” zegt hij eveneens als hij, bij zijn poging om de maan uit de put te halen op zijn rug gevallen, haar weer in de lucht ziet staan.

Eens had de Hodja een troep studenten in de theologie mee naar huis genomen. Maar toen hij thuis kwam verzocht hij zijn vrouw ze hem van 't lijf te houden. Zij ging dus naar voren en zei: De Hodja is nog niet thuis. Dat gaf een getwist, waarbij ieder beweerde dat hij hem zelf had thuisgebracht. Eindelijk stak de Hodja zijn hoofd uit het bovenraam en riep: Kan het huis dan geen twee deuren hebben? Kan hij de andere deur niet zijn uitgegaan? En nog niet weer zijn teruggekomen?

In dit genoegelijk beeld, met zijn hoofd uit dat bovenvenster, wensch ik dat de Hodja u moge bijblijven. Hij is er in zijn rol van den virtuoos van het schijnbare. Hij vergeet er de waarheid bij, maar ook zichzelf, en dat is een deugd en een beminnelijkheid. Als hij zijn hoofd uit het venster steekt om u het bewijs te leveren dat hij niet aanwezig is, dan levert hij u de duidelijkste aanwijzing dat hij niet om de winst van eenig stoffelijk voordeel wil gelijkhebben, maar alleen, als elk kunstenaar, om de schoonheid van het spel.

1900

(Andere verhalen die overgenomen zijn uit de grote schat aan Hodja-verhalen: Kat, Verkoop)

(dit opstel staat op bladzijde 34 - 74 van „Luide Toernooien” van Albert Verwey uit 1903 en er wordt aan gerefereerd in een artikel uit Het Vaderland)