Zoo betraden zij den tweede hof. Pas
taakten
Pastoor Poncke's
voeten op het erf, of, God-weet-waar-vandaan,
schoot, onheilspellend, blikkertandend
een enorme
hond op hem af. Met tegenwoordigheid van geest bukte Pastoor Poncke
naar een nabijen steen, teneinde
zich ermede tegen een,
volgens hem gewissen, aanval te verweren, en klemde zijne
vingeren om het wapen, dat echter niet van den bodem vrij te
willen scheen. Het zweet brak Pastoor Poncke
plotseling uit.
— Héé, siste hij nijdig bij zichzelve, — welk een onmogelijk hof,
waar men de steenen op den bodem vastlijmt en de honden los
laat loopen!