Lever uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Ik bekomwoord een halve zwijnsleverwoord en de goede vrouw, die mij haar aanbiedt, wil weten, hoe ik haar te eten pleegwoord. Ik verhaalwoord het haar: — Ha-neen, Mijn-Heer Pastoor, zegt zij, — alzoo is hij niet het smakelijkst. Ik ken een recept, nog van mijn overgrootmoêr… wacht, ik zal het u opschrijven voor KatrijneKatrijne! De goede vrouw schrijft het mij op, ik vouw het bladje in vieren, schik het zorgvuldig in mijn brevierwoord en rijd huiswaarts. De ingewikkelde lever houd ik in de hand. Ik kom omtrent de pastorijwoord en daar schiet een groote hond op mijn argeloosheid af, joèpt, ontkaapt mij de lekkernij en vlucht er vandoor. Ik roep: — Ho, ho, hier mijn lever weêrom! Ik roep om-niet. Dan kriebelt mij een lach. Ik lach — wie zoude niet lachen, want, héé, wat kan de hond met de zwijnsleverwoord aanvangenwoord, daar het recept veilig in mijn brevierwoord opgeborgen zit!…

(bladzijde 82)

Dit verhaal is overgenomen uit de grote schat aan Hodjawiki-verhalen:
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl