De volledige tekst

LEVEN EN DADEN VAN
PASTOOR PONCKE
VAN DAMME IN VLAANDEREN

Dit boek werd verlucht met teekeningen van de hand van Nico Bulder.

Bandontwerp en stofomslag werden verzorgd door B. Mohr.

LEVEN EN DADEN VAN
PASTOOR PONCKE
VAN DAMME IN VLAANDEREN
DOOR
Pastoor Poncke brevierend op zijn ezel Socrates
G.F. CALLENBACH N.V. — UITGEVER — NIJKERK

Voor ANTOON COOLEN

Humor is een zacht moedig zijn.
Albert Plasschaert.

Der Mensch ist nur dort ganz mensch, wo er spielt.
Friedrich von Schiller.

BINNENLEIDING

Voorzeker is Pastoor Poncke zaliger de meest zonderlinge zielehoeder geweest, die ooit in het goede land van Vlaanderen zijn bedrijf bedreef. Nochtans is bij de huidige parochianen van Damme de heugenis aan hem volledig uitgewischt. Zij hebben Pastoor Poncke vergeten, die van Damme en minder zijn het de breed anderhalve eeuw vormende jaren, liggend tusschen thans en toen, welke hem in de vergetelheid hebben doen geraken, dan wel de heftige tijden van het heden.

Men heeft geen tijd meer in Damme voor het verleden, spijts de tragische gebrokenheid der stede, nadrukkelijk vermeldend nog in kerktoren, raadhuis en halle, in huizingen en de bronzen statue van Jacob van Maerlant, den roem van guldene tijdperken. Pastoor Poncke is dood en Damme is dood.

Pastoor Poncke is dood en men heeft hem begraven op het kerkhof achter den ontzaggelijken Lieve-Vrouwe. Wáár echter Pastoor Poncke werd neerge-bed in de aarde, niemand kan het u verklaren. Geen zerk, dragend zijn naam en het jaarcijfer van zijn afreis, valt er te bespeuren. Toch heeft eenmaal de hem toebehoorende zerk bestaan, een naakte arduin zonder naam, jaargetal of eenig teeken — gelijk het de uiterste wil van Pastoor Poncke vergde: — De dood is bedrog, zegde hij, — en geef mij daarom een leegen steen, want daaronder zal niet ìk liggen, maar alleenlijk mijne stoffelijke kleedije, het vergankelijk lijf, dat aarde is van de aarde —, ikzelve, Poncke van Damme, zal verblijven bij Ons-Heer in den hemel. Deze uitspraak is een kopie van die van Jacob van Maerlant.

Katrijne, zijn dienstmaagd, moet daar bijster koppig over hebben geweend, doch Pastoor Poncke bleek niet te vermurwen. En bovendien, hij zoude Katrijne eene overwinning niet gaarne hebben gejond.

Pastoor Poncke wierd door die van Damme gevreesd en bemind, juist gelijk het met God gesteld is. Het hart der Dammenaren lag hem open en bloot en geeneen vermocht het, hem entwat kwalijks verdoken te houden. Met recht liep Pastoor Poncke hier fier op. Wanneer hij vanaf den kansel in den eenigen bruikbaren beuk van het voor drie kwart verpuind schip sprak van „Beminde Parochianen!”, alsdan meende hij zulks voluit, evenals hij het voluit meende, wanneer hij zijn sermoen inzette met: „Dwazelingen, gij…!”

Men kan bezwaarlijk gelooven, dat één der schapen, tenzij de Baljuw, Pastoor Poncke ooit waarlijk doorgrond heeft in zijne vreemde doeningen — ’tgeen feitelijk niemendal hinderde, genoeg als het was, dat het volk hem zonder het geringst voorbehoud als herder aanvaardde.

Pastoor Poncke gold een uiterst bekwaam herder. Hìj was de ziel van Damme. Wie „Pastoor Poncke” zegde, zegde „Damme” en wie „Damme” zegde, zegde „Pastoor Poncke”. De ziel van Damme is dood sedert Pastoor Poncke verscheidde.

Pastoor Poncke was een devoot man, een voortreffelijk priester, een vlijm realist zoo ’t van noode scheen, en een merkwaardig en grillig filosoof. Als filosoof behoort men hem mogelijk te voegen bij de sofisten. Neen, beter is het, te zeggen, dat hij was een droomer, een dichter en als dichter een speler. Pastoor Poncke was de dichter (de filosoof) van het schijnlijke. Uit deze houding sproten zijne eigenaardige daden voort. Hij be-leefde het schijnlijke, het groeide bij hem tot eene onomstootelijke logische wezenlijkheid, waarvan de konsekwentie hem menigwerf schade bezorgde. Maar hij leed elk ongerief effen blijmoedig. Hij erkende nu eenmaal de wetten van het spel, hetwelk hij, als het ware passief, speelde met een geweldigen ernst — en zulks dus geheel anders dan de spotzuchtige Uilenspiegel, van wiens bloed ontegenzeggelijk iets brandde in het zijne.

Pastoor Poncke is vergeten. En toch was hij die man, die eens, den kansel hebbende beklommen, zijn parochianen vroeg: — Ik ben uw leeraar, gij kènt de zaak, waarover ik u spreken ga? :— Neen, mijn-Heer Pastoor. — Hoe zou ik u dan, gaf Poncke ten antwoord, — eene zaak ontwikkelen, waarvan gij geen begrip hebt? — en hij daalde den kansel af en begaf zich ter sakristij. Even nadien verscheen hij weêrom, besteeg het gestoelte en vroeg: — Weet gij, beminde parochianen, ’tgeen ik u te zeggen heb?: — Wij weten het!, riep een listigaard. Doch Pastoor Poncke bescheidde: — Wat zal ik dan moeite doen u iets te ont-dekken wat u reeds bekend is! — en hij verliet andermaal den kansel, om na luttel tijds er terug te keeren en thans te vragen: — Weet ge, parochianen van Damme, waarover ik u te spreken heb? Weder klonk de stem van den sluwaard van zooseffens: — Mijn-Heer Pastoor, sommigen weten het, anderen niet. : — Welaan, sprak pastoor Poncke, — dat zij, die het weten, het dan berichten aan hen, die het niet weten! — en hij beëindigde de zondagsmis zonder preek.

Uit vergeelde papierbladen, bedekt met een verbleekt schrift van een onwennige hand, de hand van een ouden boer uit de zestiger jaren van de 19e eeuw, is de gestalte van Pastoor Poncke tot mij gekomen, en deze van Katrijne, de maarte, en deze van den ezel Socrates en de gedaanten van de Dammenaren ademend onder Poncke’s regiem. En ik heb mij tot schrijven gezet. Ik heb veel geglimlacht onder den arbeid. Ik heb dien arbeid voltooid. Ik bied u het boek van Pastoor Poncke van Damme in Vlaanderen.

De Schrijver…
EERSTE BOEK
GOD SCHEPT DEN DAG…

Nog grauwde de nacht over Damme en Vlaanderen. Nievers roerde er entwat noch leefde er eenig gerucht te velde en binnen de veste. Damme sliep lijk of het nimmermeer ontwaken zoude, sliep, schier versmolten met de duisternis en erin verloren. Alleen den toren van de kerk had de nacht niet te veroveren vermocht; nachtelijker dan de nacht stond hij, hoog en druistig en geknot ten top, naar den maanloozen hemel, alwaar het wemelde van witte werelden, die de sterren zijn. De klok van het raadhuis klepte, de klanken zinderden kort uit en het was nadien als ware de stilte niet verstoord geworden. Een ster versprong, stortte loodrecht in de westelijke zwarte ruimte. Toen was het, dat van den zeekant de wind aanreed over de vlakten, een zacht ruischen, ’twelk de laag over de meerschen en akkers zwevende voorjaarsnevelen licht uiteenwoei — en oostwaarts scheen het een luttel als ving het donker te zwichten aan.

Maar boven Damme trilden de sterren gelijk tevoor.

Een weêr klepte mager de uurslag van het raadhuis, zweeg. De wind voerde, pal hierop, een bijkans eendere belklank aan, uit een dorp entwaar, zwak klinkend. In een popelboom aan de roerlooze Brugsche vaart hief een merel den kop uit de borstveeren, dook hem terug in de eigen warmte en een ding, een rat, roetste ergens vandaan langs den oever nabij dien boom, plonsde in het water. Aan de oosterkim steeg, welhaast onverhoeds, breed een bleekte, doofde de sterren aldaar, groeide hooger, hooger, deed meerdere sterren sterven. De kontoeren van den toren verscherpten zich, de vormen van Dammés daken lijnen zich uit. De aarde ging traag wenden naar den dag, die allengs wazig geelde ten horizon. En almeteens schoot een goudige klaarte opwaarts.

Op dit oogenblik bewoog zich de haan van de pastorij op zijn zate — simpel een stok, wittig van uitwerpselen —, verstrakte, nuchter waak, het lichaam en luisterde, daar in de danige donkerte van het hok, als het ware met gansch zijn wezen naar het licht, ginds ten onzichtbren einder. Een luttele spanne leed dit. Dan joepte hij ten bodem en trad in de ren. In het midden hield hij halt, knikte beamend bij zichzelve, schudde efkes uit de veeren ’tgeen er nog hangen mocht aan loomte, rekte, pal staande nu, den hals, opende den snavel en klaroende gelijk een legertrompetter. Het geweld van zijn stem doorschetterde den kuischen schemer, joeg tot in de verborgenste hoeken der stede, relde verder en verder, de velden over…

Het was een lange kreet waar geen einde aan te komen scheen. Den duur van dien haanschreeuw dróómde Pastoor Poncke en puur de schrei was oorzaak van dien droom. Pastoor Poncke droomde, dat de magere en vanwege zijn gierigheid befaamde Apotheker Spiessens hem mildelijk toeloech door zijn blikkerende brilleglazen en hem zijn vlaklingsche hand toonde, waarop het ronde zilver van vier florijnen praalde. De Apotheker deed de munten dansen, zoodat zij lustig tegeneen tinkelden en zijn draaddunne stem bood ze Pastoor Poncke aan:

— Mijn-Heer Pastoor, ook ik heb eens op uwe armen gepeisd en ziehier de vrucht ervan.

Het gebaar van den Apotheker ontroerde Pastoor Poncke waarlijk en gesmoord antwoordde hij:

— Dat is wèl van u, Mijn-Heer Spiessens, uitermate wel van u… maar… ik tel vier florijnen daar op uwen palm… hm… vier is een pront getal, Mijn-Heer Spiessens, doch het getal vijf is schóóner, nietwaar? Ik wilde zeggen, Mijn-Heer Spiessens, voeg er, ter eere Gods en voor uw eigen pleizier, ééne florijn bij, schenk mijne schamelen er vijf!

— Neen, weerde de Apotheker, — vier is mijn gedacht, vier is…

De droom brak af.

Pastoor Poncke ontwaakte en knipperde met de oogleden. Héé!, meende hij oprecht verwonderd, en rap look hij de oogen van her en zegde, de hand gestrekt boven de sargie:

— Het is in orde, Mijn-Heer Spiessens, geef mij de vier dan maar, ik ben content.

Héé!, vond Pastoor Poncke wederom als zijn hand ijdel bleef. Hij opende spijtig de oogen, schoof den rug hooger tegen de peluw op en hoorde naar buiten, naar den hof, alwaar de haan, na een korte pauze, ten tweeden male den bek opende en er een verschen roep door dreef, den morgen in. Ha, zulk een haan te bezitten, zoo fraai glanzend en bont van couleuren, zoo kloek van bouw — een haan met zulk een onnavolgbaar geluid!

Pastoor Poncke monkelde inwendig en staarde naar het reeds blanke raam. Ha, zijn Pieter de Coninck: immer de eerste onder de hanen van Damme en deze uit het omliggende om den dag te melden! En, hoort: nu Pieter verstomd was, kwamen de ànderen los, de dorpshanen en de hanen van de hoeven.

Pastoor Poncke zag in zijn verbeelding zijnen Pieter gespitst en bevredigd dat helmen van alzijds opvangen in de oorgaten — en nu drumden eveneens de hennen kakelend het boogpoortje door, de ren binnen.

Pastoor Poncke wierp de dekens terzij, bekruiste de borst en gleed de sponde uit. In zijn tot de wreven reikend blank slaaphemd, en blootsvoets, liep hij naar het hoekvenster. Enkele tellen pierde hij in het vlammend rad van de zon, dat nipte op de kimstreep balanceerde. Daarna omvaamde zijn blauwgrijze blik de meerschen en de gronden, waarover verspreid vlokken smoor dreven. Dat was Vlaanderen, het heerlijke, bijkans heilige Vlaanderen! In de akkers wrocht neerstig het wortelend en vruchtend zaad, het koren, het brood. Vlaanderen! Pastoor Poncke sprak den landsnaam stil en in ootmoedige vereering uit en het was als zegde hij: God. Zijne oogen reisden van den bodem naar den wolkenloozen hemel en zacht zegde hij: God — en het leek als zegde hij: Vlaanderen.

Weer bekruiste hij zich, keerde af van het raam en goot uit de beblomde kan op het kramakkel waschtafeltje een forsche klaterende geul water in de teil. Hij wiesch zich, zijne gebaren belettend in het ovaal van de verschilferden, goud-omranden spiegel, staakte de handeling en bracht het aangezicht dicht bij het glas. Nauwkeurig monsterde hij, in louter eene opwelling, zijn weêrbeeld: den langwerpigen gelaatsvorm, zijn marbelronde oogen, den langen, rechten, puntigen neus, de logge lippen, de lijnplooi weerzijds de kaken, kervig — bijkans gelijk mes-wondmalen — omneerloopend vanonder de jukbeenderen naar de smalle, gegleufde kin, de tanige huid, bespikkeld met eene menigte bleeke pokkeputten…

— Leelijk kleed, mottige stoffe, bevond hij mompelend, en tegelijkertijd de zegging betónend door met den wijsvingertop verscheidene pokkebeten te betitsen, en hij voegde eraan toe:

— Dat ben ík niet, het is Poncke algelijk níet…!

Peinzend hervatte hij de wassching, haperde van her en trad een stap achteruit, de oogen steeds op den spiegel:

— Ei, het is tóch iemand, het moet toch ík zijn, Poncke… En bedachtzaam orakelde hij, zuiver zich op het verschijnsel bepalend: — Het ís er, het is er níet, het is er nochtans… Dat is aardig! Ziet, mijn rechterarm is er de slinker geworden (Pastoor Poncke tastte met de linkerhand over den rechterarm), permintelijk, het sluít alzoo. De wereld dáár is eene ándere dan de wereld híer, eene andere werkelijkheid, zoo te zeggen.

Pastoor Poncke knikte eens en zijn gelaat verhelderde. …Ziet ge wel!, ontdekte hij welgezind, en in zijn pupillen sprong een twinkeling van herkenning, …ziet ge wel, er is, en ik heb het immers altijd geweten, een ding, een werkelijkheid, een logiek juist íetwat bóven de aldaagsch aanvaarde normen ten dezen en juist ietwat ònder het bóvenmenschelijke. Merkt ge de verwantschap? Ah-ja, ik wist het bestendig!

Pastoor Poncke voltooide de reiniging, haalde het slaaphemd over zijn tonsuur en trok kniebroek aan en verdere kleedije. Hij hield hecht aan zijne devooren en daarom knielde hij op zijn bidstoel onder den kruis-Lieven-Heer aan den gekalkten muur en droeg God zijne toekomende verrichtingen van dezen dag op. Toen hij de zoldergang dweerschte en de trap afdaalde, hoorde hij Katrijne niet zonder drift stommelen in haar slaapvertrek. Hij glimlachte. Katrijne zou gram zijn op heurzelve, hem niet te hebben overtroffen in het opstaan. Ditkeer gold Katrijne verliezeresse; zij had Pieter volmaakt overslapen.

Pastoor Poncke betrad Katrijne’s keuken, greep er den bereid gezetten teljoor met verbrokkelde broodresten en mais van het schab en begaf zich naar de woonst van zijn hoenders. Met handsvollen smeet hij het voeder door de afrastering. De hoenders tumultueerden dat het een aard had, kapten naar de ate, kapten venijnig naar malkanderen… Pront ’lijk in de wereld van de menschen, meende Pastoor Poncke,pront gelijk in mijn parochie. Zuiver de haan behield zijn bedaardheid, hing den Baljuw uit… of Poncke!, meesmuilde de pastoor. Hij verliet zijn pluimvee teneinde een emmer water te akeren uit den welput. Met den gevulden emmer tord hij ter stal, alwaar Socrates hem verwellekomde met een gorgelend gebalk.

— Bú-ú-úh!, beantwoordde pastoor Poncke Socrates’ uchtendgroet — want hij beleed den grondregel, dat men de dieren zoo vlot mogelijk bescheid te doen heeft in hunne spraak, en hij vervolgde daarop:

— Hier, lesch uwen eeuwigen dorst, Socrates!

De ezel slurpte gierig, stiet per slot den emmer om.

— Daar hebt ge ’t nu, vermaande Pastoor Poncke, — haast schaadt immer, Socrates! Al zijt ge, blijkens het zwart haarkruis over uwen rug, vermaagschapt aan het ezelke, dat Ons-Heer feestelijk binnen Jeruzalem droeg —, Ons-Heer zoude, Socrates, mocht Hij te dezer stond op aarde weêrom verschijnen, niet ú uitverkiezen voor rij-beest, uit oorzaak van uwe drifttuimen, mijn Vriend. Voor Poncke echter zijt ge wél genoeg, Poncke is Ons-Heer niet, ’laas. Hij is een zondaar gelijk gij. Zijn zonde heet hij een zusterke van uwe grootste zonde: zijn eeuwige dorst, Socrates. Dórst, níet naar water, doch naar wijn. Maar hij morst met zijn vocht niet zoo deerlijk als gij met het uwe. Ware het uwe echter geen water, doch wijn, gij zoudt, me dunkt, geen droppelken laten teloorgaan. Waarlijk, een dorst gelijk de onze is een zonde, want een onfraaie begeerte naar immer meer. Bijaldien zal een onzacht vagevierke ons deel zijn, Socrates. Vergeten wij evenwel niet de goddelijke genade.

Pastoor Poncke voedert de hoenders

Op dit moment draaide Socrates den kop naar zijnen meester, trok de lippen in een grijns en beaamde in forsche vibratie:

— Grûh-ûh-ûh…!

— Zóó is het en niet anders, mijn Vriend, knikte Pastoor Poncke, — en ik geloof bijkans, dat gij het vagevier nog ontkomen zult, vermits gij een simpele van geest zijt. Gij kent slechts twee letterklanken van het alphabet: de I van Iesus en de A van Amen. Haak niet naar grootere geleerdheid, Socrates. Grootere geleerdheid is hachelijk. Bezie de menschen die het gansch alphabet kennen. Hun hart is een put van verdriet. Zij klappen meer dan zij te verantwoorden vermogen tegenover zichzelve en Ons-Heer. De wereld is een Babel, Socrates —, de verwarring heeft er de overhand. De god der babbelaars heet Satan en hij heeft ook mij een beetje bij de slip. De Boom der Kennis was de Boom van den Dood, geloof mij. De Boom der Kennis baarde geenerlei wijsheid. Alla, mijn Vriend, tot straks!

Pastoor Poncke sloot de staldeur achter zich. Hij keurde zijn ommuurd reepke moesgrond. Het lag sedert dagen gespit door den gebochelden grafmaker Corneel Caboor en te beiden op het zaad van de salade en de witkool. Corneel Caboor was niet van de naarstigste, hij, Poncke, zou den grafmaker weer eens aanporren en hij hoorde Corneel’s weerwoord alreeds: — Zekerlijk, Mijn-Heer Pastoor, maak u geen nesten, Mijn-Heer Pastoor, uw veld zal tijdig besteld worden, zoo’n lapke van niemendal lijk het uwe is in den amerij bewrocht… Altijd smaalde de grafmaker op de geringheid van zijn veld-bezit. Hij, Poncke, achtte het allerminst gering: Corneel duidde puur op de breedte en de lengtemaat ervan, maar vergat de hoogte! En dit feit overleggend, reisde Pastoor Poncke’s blik vergenoegd van de aarde tot naar den hemel: zoo verkreeg zijn veld onmetelijkheid.

Hij begaf zich in huis. In de keuken stiet hij op Katrijne, een rond menschke met de verbaasde oogen van een boreling en een bruin kaproenke glad over den schedel.

Tenden geslapen, dochter Katrijne?

— Geslapen, geslapen…, stoof de maarte op. — Welheere, geen oog had ik dicht deez’ nacht van de danige kopkrankte.

Kopkrankte, beleerde Pastoor Poncke ernstig, — kopkrankte, Katrijne-dochter, bevat geenerlei reden niet te slapen. Contrarie, ge moet dan juist wèl slapen, de krankte berokkent u alsdan geene hindernis.

Katrijne scheen de uiteenzetting niet te doorgronden. En per slot had zij gelogen. Zij kon het niet verkroppen de laatste van sponde te zijn gerezen. En zij wist thans niet of zij erin geslaagd was haar meester in te wikkelen, of nìet geslaagd. Zij verkeerde bijster in ongemak, tastte naar woorden, vond niemendal.

— Tja, tja…, herhaalde Pastoor Poncke peinzend, — geen reden hoegenaamd geen reden…

Pruyck roept, wierp de maarte er ineenen uit.

Inderdaad, ’t luidde van de Onze Lieve Vrouwe voor de vroegmis.

Pruyck hangt aan ’t zeel, bevestigde Pastoor Poncke haar.

— Ik ga, Katrijne-dochter.

— Uw toog —, zie uwen toog eens. Schande voor God en Damme. Vol vlekken. Geen zeep genoeg in de wereld ze eruit te borstelen. Ge moet hem zoo rap mogelijk in de wasch geven en uwen anderen toog aantrekken — ’r zitten daar minder vlekken in.

Katrijne, wat is er aan een toog gelegen? Wie zegt er u, dat hij niet waarachtig krank is — evenals gij krank waart gepasseerden nacht. Zwijnen lijden menigwerf wat men heet de krankte der vlekken. Waarom zou een soutane niet aan een diergelijke onheelbare krankte kunnen lijden? En, dochter Katrijne, knoop het voortaan hecht in uwe ooren, dat toog noch tonsuur den priester uit-maken, maar het hart en de geest. Vale.1 1 Blijf gezond; vaarwel.

En Pastoor Poncke verwijderde zich door en hof naar de achterpoort, welke toegang bood tot den doodenhof der Dammenaren en de kerk. Als hij het kerkhof dweerschte ontwaarde hij op het hoofdpad van de straat naar de kerk de rijke, gekapmantelde gezusters Melanie en Roozeke Ruttaert. Zij waren steeds de eerste erbij om de vroegmis aan te hooren. Pastoor Poncke was deze ijveraarsters des geloofs karig genegen. Hij kende de gezusters als de grootste kwezels zijner parochie. Voorals Melanie, de oudste, was hij ongezind. Voor Roozeke voelde hij milder. Dat Roozeke kwezelde, achtte hij niet zoozeer haar schuld, dan wel de schuld van Melanie. Roozeke had gehuwd en moeder van kinderen kunnen zijn, wanneer niet Melanie heur ermede bemoeid hadde. Jaren weêrom had Rooze oprecht minne gekoesterd jegens Mijn-Heer Koeckaert, de stadsschrijver. Maar Melanie was waakzaam en elk billet doux van Mijn-Heer Koeckaert had zij heur listig vermeesterd. Klaar uit jalouzije. Pastoor Poncke wist het uit Roozeke’s biecht. En als Melanie eens heur duistere ziel aan hem openlegde, met verzwijging van hare handelingen jegens Roozeke, had hij gepoogd op haar gemoed te werken, aanvankelijk met zachtheid, naderhand met kantiger remedie, waarbij hij haar verzekerde, hoe er, ’laas, soms vrouwelingen bestonden, die men betichten kon, vijandinnen van Gods lieve leven te zijn, onheilige maagdelijke maagden, die de maagd nevens heur, vriendin of verwante, juist gelijk gij het wilt, tot verdorring doemden, eene verdorring zoo droef gelijk het aan den vijgeboom in de prilste der Testamenten bedoeld is: Evangeliën geschiedde — in het lest geval met recht, in het eerste met helsch onrecht. Alle woorden van hem, Poncke, bleven nochtans zonder baat. Melanie kikte geen klank, volhardde in onaandoenlijkheid. En binnen een paar weken had Roozeke’s minne voorgoed gebroken en Roozeke wierd bloeiloos gelijk haar zuster en diende Ons-Heer in onbewust bedrog. Ons-Heer weze hunne zielkes genadig. Amen. Nog enkele misgangers zag Pastoor Poncke aanschrijden, drie ou-wijvekes en twee ou-mannekes en vier nonnekes van het Sint-Jansgasthuis. Meer zouden er niet op-dagen. En Pastoor Poncke kapittelde hier geen schepsel over. Damme was nu eenmaal Damme en de Zondaagsche hoogmis vergoedde grif alle tekorten van de werkdagen. Dan vulde zich de kerk met geloovigen, dan had hij gansch Damme devoot onder zijne oogen en sermoende met bliksem en donderslag.

Pastoor Poncke bereikte de sacristij-deur, duwde haar open. Hij hunkerde ernaar de mis te lezen. Mislezen gold hem een hartstocht. Heel het Goddelijk Drama wist hij zich dan weder voltrekken en de wereld viel er voor hem volledig bij weg en aan het einde zegde hij het: „Ite missa est”1 1 Gaat, de mis is volbracht. bijkans uit als het laatste der Kruiswoorden — op zulk een gebroken en berustende toon, en hij voelde zich erbij doorschoten staan van een geweldig gelijk. Pastoor Poncke luisterde in de sacristij naar het luiden. Het verflauwde. Terwijl hij beidde op de komst van den koster, tevens zijn misdienaar, die helpen zou met het kleeden, bekruiste hij zich driemaal en bad murmelend.

De mis verleên, keerde Pastoor Poncke traag en met gebogen hoofd over het kerkhof ter pastorij weêrom. Immer nog vertoefde zijn geest bij de heilige offerhandeling. Hij voelde zich gaan lijk gehuld in een mystieke violette wolk. Pas als hij den duim legde op de kille tuinpoortklink, loste de wolk vàn hem, vervloog in het Nergens en bevond hij zich weder Poncke te wezen. Hij trok de hand van de klink en diepte uit den zijzak zijner soutane zijn zilveren snuifdoos te voorschijn, waarop de Katherina met heur martelrad fijn-zinnig stond uitgeblutst, beklopte het deksel met den wijsvingerknokkel, opende de doos en vergastte zich op prise. Pastoor Poncke was een versnoekt snuiver alhoewel hij menigwerf tegen de snuif preekte, of liever tegen de overmatige snuiverij. : — Snuif, o mijne beminde parochianen, soberlijk… gelijk ik-zelve het zoo gaarne zoude willen doen, verklaarde hij alsdan. — Overmatigheid stamt van den duivel en het is maar goed, dat mijn kleed mij schut. Gij echter, beminde parochianen, draagt dit schuttend kleed niet. Weest dus op uw hoede en acht mij in dezen geen exempel. Sobrii estote et vigilate. Houdt uwen geest helder en waakzaam. Amen.

Na de dubbelprise met behagen opgesnoven te hebben zonder dat er eene niezing op volgde (puur een aangename kitteling omhoog naar de hersenen), monsterde Pastoor Poncke de lucht en de groote blanke zomerwolk, die over hem vaarde… God zou heden een schoonen dag smeden. Labora sicut bonus miles Christi.1 1 Arbeid als een goed soldaat van Christus. Ik heb goeste in mijn eike. En daarna tijg ik te brevieren, overlegde Pastoor Poncke bij zichzelve, terwijl hij de snuifdoos opbergde. En hij betrad zijn moeshof.

Pastoor Poncke verorberde zijn ontbijt gemeenlijk in de keuken en met Katrijne als dischgenoote.

Katrijne vischte juist zijn eike uit den koperen moor toen hij voet zette op den keukendrempel. Pastoor Poncke liet zich neer op zijne zate.

Katrijne-dochter, de dag proeft aan het verhemelte lijk wijn van Champagne. Gij hebt deze wijnsoort nog nooit gesmaakt? Neen? Ik ook niet, Katrijne. ’t Zeggen is echter, dat zij alle andere wijnen diep in de schaduw stelt. Geloof er niet te veel van, Katrijne. De dingen waarover veel geklapt wordt door de menschen, mogen gerust uwen argwaan opwekken. De menschen roepen entwant lijk eenen kostelijken droom voor u op met hunne woorden — de werkelijkheid, dochter Katrijne, moet dan wel ontgoocheling baren. Droom en werkelijkheid zijn gansch verschillende zaken — ik beoog dìt, Katrijne: de werkelijkheid behelst nimmer eenigen droom, vermits g’ er uwe schenen aan kwetsen kunt. De droom, Katrijne… Ha, laat ik zwijgen. Silentium. Want, Katrijne, geheugt gij het u, dat ik gepasseerd jaar droomde met mijn bloote hiel in een glasscherf getrapt te hebben? En geheugt gij u, Katrijne, dat ik, den daarna komenden nacht, met mijne schoenen aan ter polk gegaan ben uit vreeze van nog ergere verwonding? Gij kunt u bijaldien eveneens in droom deerlijk en bloedig kwetsen, geloof mij. Danke, Katrijne. Ik weet, gij zorgt steeds voor een excellent gekookt eike. Laten wij bidden, dochter. Zij baden. Nadien brijzelde Pastoor Poncke, licht tikkend met den rug van zijn eetmes, den top van zijn eike, Katrijne beleerend:

— Niet minder broos als déze, Katrijne, is de schaal, welke het leven scheidt van den dood. Wees zulks gedachtig.

Katrijne knikte beamend.

— Juist, hernam Pastoor Poncke al lepelend en etend, — ik weet, gij zijt bevattelijk van hoofd. Gij zoudt een geleerde vrouw kunnen zijn, mocht ge bogen op een hechter geheugen. Hebt ge Socrates bereids gezadeld? Danke, Katrijne. Waar hebt ge ’t zoutpotteke? Ah hier. Danke. Wat ik vragen wilde, Katrijne-dochter: hoeveel eikes hebt ge deez’ morgen geoogst?

— Acht, eerwaarde, bescheidde Katrijne met vollen mond.

Pastoor Poncke legde het eierlepelke op het broodbord. Bedachtzaam herhaalde hij de opgaaf der maarte:

— Acht, Katrijne —, acht… Curieus, uw acht. Hebben wij niet negen hennen in ’t kot. Acht is geen negen. Nimmer verneem ik van uwe lippen, dat gij negen eikes geoogst hebt. Katrìjne! vorderde hij haar aandacht op.

Katrijne keek hem ietwat onnoozel aan. Doch hij staarde langs haar heen als ontwaardde hij entwat, voor geen ander dan voor hem zichtbaar, en sprak:

— Acht is geen negen. Er zouden nochtans aleens negen moeten zijn. Er schort hier entwat. Eén dier hennen, Katrijne-dochter, mist de principaalste eigenschap der hennen. Bijaldien is zij géén hen, doch een ander gedierte. Gij moet er eens op letten, Katrijne, welk hoen zoo snoodelijk te verzaken pleegt. Ik kan geen vreemd gedierte dulden tusschen mijn pluimvee. Wie weet, wat voor perijkelen daarin schuilen. Het lijdt al geruimen tijd zoo. Het ontglipte mij evenwel. Ik zal er heden „Der Natueren Bloeme” van den wijste aller Dammenaren en alle Vlamingen, op na-pluizen, Katrijne. En zien, welke maatregelen wij tegen het euvel zullen treffen.

Peinzend voltooide Pastoor Poncke de ate en peinzend rees hij naderhand van zijn zate, beidde op Katrijne, die hem zijn hoofddeksel haalde en langde mitsgaders zijn brevier en ging alsdan naar den stal.

Socrates-vriend, bejegende hij den ezel, — er duisteren onder Gods zon ontallige problemen. Eén dier raadselen drong zich zooseffens eng aan mij op. Ik kan het vooralsnog niet tot in de kern ontblooten en ik wensch er ook u niet mede op het lijf te komen. Vergeten wij en tijgen wij aan ’t brevieren, mijn Vriend. Pastoor Poncke geleidde zijn rijbeest aan den teugel naar buiten en langs den achtergevel der pastorij naar de zijpoort.

Hij ontgrendelde haar en bood Socrates den voorrang:

— Alstublieft, kompaan.

Socrates stapte langs den meester onder de steenen boging door en halteerde pront nevens den vervaarlijken zwerfsteen (een vondst uit de voormalige bedding der Zwene nabij Damme), welke door Pastoor Poncke gebezigd werd teneinde den hoogbeenigen Socrates vlot te kunnen bestijgen. De poort viel achter Pastoor Poncke op de klink. De paap stapte op den steen — een meteoriet, doopte hij hem — trok zijnen toog een endeke opwaarts en steunend op het zadel zwaaide hij zijn rechterbeen onsierlijk over Socrates’ rug. En zat en scharrelde de voeten in de beugels.

Nog wachtte Socrates.

Pastoor Poncke opende zijn brevier.

— Allo, gezel.

En Socrates ging. Gemoedelijk en niettemin fier. De teugel haakte over den zadelknop. De breviertocht vergde geen uitzonderlijk bestier. Socrates kende de stelde route zoo wèl als Pastoor Poncke. Kuren en norsche nukkigheden had hij zelden. Pastoor Poncke reed, maar hij las geen syllabe uit het getijdenboek louter vanwege het geneucht zoo aangenaam te rijden langs de getrapgevelde huizekes in de richting van het Marktplein.

Eerbiedig begroetten hem de passanten, van borger tot buildrager. De spichtige Apotheker Spiessens, in bleekblauwen rok en blootpruiks, stond wijdbeens op den drempel van zijn bedrijf, alwaar de Salamander uithing, een lange Hollandsche pijp te smoeren, die hij, als Pastoor Poncke voorbijkwam, bijwijze van begroetenis efkes omhoog stak. Pastoor Poncke ergerde zich alle dagen aan deze onhoofsche geste van de pillendraaier en poederstamper. In zekeren zin waren zij vijanden. Want de Apotheker Spiessens las Voltaire1 1 Voltaire (François Marie Arouet), wijsgeerig bespotter van het Christendom. 1694-1778, die, volgens Pastoor Poncke de menschen een schoon voedzaam brood uit de handen nam en er een brok steen voor in de plaats gaf. Toch was de Apotheker geen ongodist, al praalde hij gaarne met aan Voltairiaansche boeken ontleende gallige volzinnen, hetgeen Pastoor Poncke eens deed verklaren, dat hij, Spiessens, niet alleen vergif stampte in den vijzel, doch mede met de tong. Ook vanaf den kansel zinspeelde hij soms op den apotheker en taalde alsdan van een zeker heerschap, dat spellekes deed met den satan, God uittartte en het spelleke per slot deerlijk verliezen zou — want dit heerschap, o mijn beminde parochianen, is waarlijk, weze het onwetend, krank naar de ziel en tegen zielskrankten baten, ’laas geen poederkens — zoo zij al ooit baat kunnen brengen. Prohibe linguam tuam à malo. Hoedt uwe tong voor het helsche. Amen. Er leefde binnen Damme te dien tijde nog een andere, waarlijker Godloochenaar: Mijn-Heer-de-Baljuw Hemerijck. Aan den Baljuw echter rekende Pastoor Poncke zich in kloeke vriendschap verbonden. Hij was een personagie uit één brok, uiterst zwijgzaam in betrek tot zijn verkettering van God en Christendom — een verkettering, wortelend in zijnen geest op gronden, die hij immer verholen hield.

Pastoor Poncke deed geen moeite deze gronden na te vorschen. … Ge hadt, meende hij, menschen, die heiden geboren zijn en als heiden op hun reeuwstroo zullen belanden. Er steekt hierin niemendal ongezonds. Het ongezonde heemt in het lauwe, bij lauwaards, gelijk dat apothekerke. Mijnheer-de-Baljuwnomen est omen De naam is een voorteken., wat beduidt één armtierig letterke? Heme(l)rijck — kon gewis zijn van een treffelijke hemelstee. God doorpeilt de nieren en hij zoekt er naar het heusche, het ding van de rechte lijn. God houdt niet van tierelantijnen. God mede is een Baljuw. God baljuweert over het Heel-Al. Zoude Hij den Baljuw Hemerijck dan niet herkennen? En vernaamt gij ervan, dat God den apothekersstiel bedreef? Daarbij: eenmaal jaarlijks verscheen de Baljuw onder Gods oogen, bezocht hij de nachtmis van kersttij, teneinde de geboorte van Christus te vieren, Dien hij voluit heette: den grootste van alle mannen, die, sedert duizenden van jaren, de verblinde vlam van hun wezen over de zwarte ster der aarde hadden doen schijnen.

Aldus peinsde Pastoor Poncke over de kwestie en een zweem dier sedert lang verworven conclusie doorvleugde hem het brein, terwijl hij den zuren Apotheker breedelijk wedergroette.

De ezel Socrates wandelde statig voort. Pastoor Poncke prees diens loopwijze bijster nobel. Op hem zittend ervoert gij het geenszins, dat gij ruiter waart; hij droeg u gelijk u een uitgelezen zetelstoel draagt; ge deindet amper en waart bijwijlen genegen het lijf lavei-zuchtig achterover te hellen en de oogen pleizierig te luiken en een tukske te snappen, gelijk hij het, een loomen zomerdag in vroom vertrouwen waagde — op poene van een tuimeling op de zandbaan.

Socrates had thans het Marktplein bereikt en schreed aan op het raadhuis. Aldaar, op het bordes, koutte de Baljuw Hemerijck, gekleed in scharlaken rok en zilverdraadvest met Leuvensche kruifjabot, met den eerste-schepene Fonteyne, een rondlijvig manneke in kanariegele slipfrak en lange geruite hooze en hoogen witten hoed naar Engelsche mode. Poncke bespeurend staakte de Baljuw het gesprek en wonk.

— Ho, Socrates!, gebood Pastoor Poncke.

Socrates hield stil onder de balustrade. De machtige gebuikte Baljuw lichtte met zwier den bruinfluweelijnen driekanthoed van de koolzwarte koddekespruik, een groet, door Pastoor Poncke gelijkelijk zwierig beantwoord.

— Eerwaarde, baste de Baljuw van boven af.

— Mijn Vriend, bescheidde Pastoor Poncke. — Mijn Vriend, wat is er van uw believen?

— Een banket te mijnent in het verschiet, Eerwaarde.

— De schoonste muzijk is mij de muzijk van lepels en teljoren en roomers, mijn Vriend.

— Ik weet het. Gij kent mijn keuken en kelder. Het wordt een uitzonderlijk festijn, ditmaal. Ik noodig u uit in naam mijner Baljuwin op komende week te Maandagavond. Zij viert haar naamdag.

— Gaarne, gaarne, mijn Vriend. Verontschuldig mij: ik brevier gelijk gij ziet. Vale.Blijf gezond; vaarwel.

— Nog een reizeke, bid ik u, Eerwaarde. De Baljuwin

— Ha-ja, groet de Baljuwin van mij, mijn Vriend.

— …zij hindert heur aan een stofke, zij stroomt over van properiteit. Zij gaf mij de boodschap voor u mede…

De Baljuw aarzelde. Zijn zwarte blik smeulde.

— Danke, danke, sprak Pastoor Poncke.

— …de boodschap, hernam de Baljuw, inzake uw soutane

— Een eere-dracht, Vriend, zegde Pastoor Poncke niet zonder argwaan.

— …met vlekskes, vulde de Baljuw aan. — Duidt het der Baljuwin niet in het booze en verschijn aan haren disch in een andere soutane, smeekt zij u als vrouw en vriendinne.

— Danke, mijn Vriend. De Baljuwin moge gerust zijn, murmelde Pastoor Poncke zich verafscheidend. — Allo Socrates.

Socrates flapte met één oor en trok verder. De weelderige huizing der gezusters Melanie en Roozeke Ruttaert genaderd zijnde, sloeg Pastoor Poncke de oogen op de latijnsche gebeden in zijn brevier. Maar hij verdiepte zich er niet in. Zijn leus luidde: dat men tegen een veinzerij lijk de Ruttaertgezusters haar pleegden zich met veinzerij wapenen moest: de vree bleef alsdan in uw hart. Trouwens: Qui nescit dissimulare, nescit regnare.1 1 Wie niet veinzen kan, kan niet heerschen. Hij schouwde het zonder te zien, hoe Melanie en Roozeke elk voor een venster troonden, verslonden al lezend uit een omlederden foliant de levens der gemarteliseerde en boetvaardige Heiligen —, hoe zij, bij zijn voorbijkomen op Socrates, het hoofd een weinig hieven en uitloerden met de vurige intentie eenige innige bejegening van hem te mogen ontvangen.

…Spijtig van Roozeke, dacht Pastoor Poncke en hij gehoorzaamde bijkans den aandrang haar alleen een kruiske te spillen. Hij was het huis voorbij en liet den brevier dalen. Een mormelige hond kefte Socrates aan. Onrust reed efkes door Socrates, ried Pastoor Poncke en hij sprak:

Socrates-vriend, men belaagt slechts den boom, die de vruchten draagt.

Een stok-oud krom wijveke kapikkelde aan: Mieke Musschenschrik bijgenaamd, de tooveres van Damme.

— Ho, Socrates! Goe-morgen, Mieke. Ik peins juist van een snuifke te vatten. Hebt ge goesting?

— Asteblieft, Mijn-Heer Pastoor, snerpte Mieke. — Snuif verjaagt en dood, maar niet den duivel. Hij tempteert mij weer zoo danig, Mijn-Heer Pastoor. De kinderen jagen hem mij telkens weêrom in ’t lijf. Zeg het ze toch, dat ze mij met rust laten, anders raak ik hem nooit kwijt. Oei-oei, oei-oei. Hij is bloot lijk een puid, Mijn-Heer Pastoor. Zijn oogen zijn groen van venijn. Hij kruipt door mijne darmen naar mijn hoofd. Oei-oei, daar is hij weer (de stem van het vrouwke lispelde geheimzinnig). Ik ben zijn bruid, zegt hij, Mijn-Heer Pastoor. Ik ben schoon, zegt hij. Hij flooit mij des nachts: Me-lieveke. Ik ben zoo beducht, oei-oei, zoo beducht. Verjaag hem mij.

— Ik zàl, verzekerde Pastoor Poncke het vervuilde Mieke. — De snuif in deze doos, Mieke, stamt uit het paradijs. Ten overvloede heb ik haar nog eens gewijd. Geen duivel is ertegen bestand. Hier. Grijp geducht toe, met duim en wijsvinger. Houdt uw hoofd ver achterover. Snuif diep, snuif gelijk de ossen, Mieke. Nies. Nies. Schoon. Wèl bekome het u, Mieke. Een beetje op mijnen toog, dat is niemendal. In naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Driemaal. Ho. Amen. Waar toeft thans uw duivel, Mieke? In de hel, Mieke. Voor zes weken in de hel. Zes weken kan hij u niet genaken. Gij kunt de kinderen belachen. En over zes weken vraag ge mij weder een snuifke uit het paradijs. Nil desperandum.1 1 Men wanhope nimmer. Tot wederomziens.

En Pastoor Poncke verliet het van den droes bevrijd vrouwke, verzuimend zelve een snuifke te genieten.

Voor de principaalste herberg der stede, „Het Hof van Batavia”, stond de postwagen op Brugge ree tot afreis. De postillon blies op zijn koperen hoorn schel de allerlaatste verwittiging, ’tgeen Socrates te nopen scheen den gang ietwat te verzeerderen en Pastoor Poncke op zijn veurt de vermaning ontlokte:

Festina lente2 2 Haast u langzaam., mijn Vriend. Geluiden moorden niet. Damme is geen lichtzinnig Jericho. Ei, Socrates, de Notaris Vercuyck stijgt nog nipte ter koetse. Hij zag ons niet. Al meer en meerder gelijkt hij een rif, mijn Vriend. Stap voor stap vergezelt hem de Dood. Hij is zoo bloedeloos lijk het perkament, waarop hij zijne testamenten vastlegt met den veder. Hij was al zijn leven schuw voor Octoberwater. Dit bekoopt hij heden. Wijn schept bloed. Dozijnen keeren prentte ik hem zulks in. Wanneer hij in zijne huidige gedaante Noë’s wijngaard betreden had, Noë hadde hem met zijne zonen er uit gezonden als een onwaardige. Overigens een braaf man, de Notaris Vercuyck, Socrates. De koetse vertrekt. Geheel een braaf man — uitgeweerd het punt van de versmading, welke een beleediging Gods behelst, dunkt het mij. God schiep ons den wijn als een zijner blijdste gaven, geloof mij, mijn Vriend. Hoogelijk geloofd zij de Heer-God vanwege den wijn. Zoo weze ’t, nu en in alle eeuwigheid.

Zij waren thans buiten Damme, op de baan naar Brugge gekomen en Pastoor Poncke hief den brevier tot dicht onder de oogen en las prevelend de gebeden tot heil der wereld en zijne parochianen. Brevieren was voor hem: spreken met God. Elk woord glansde mystisch en dit glanzen deelde zich mede aan zijn gemoed. De aardsche dingen rondom bestonden niet langer en van hem zelve restte niets meer dan zijn zwaartelooze ziel. : — Een waarachtig meditatief brevierend priester wordt Ruusbroec in het Soniënbosch, verklaarde hij meermaals, — een opgetrokkene in God, een glorieus verloren, een eeuwigheidsverwerver.

Een kwart uur lang stapte Socrates langs den boord der Brugsche vaart. Over het smalle water scheerden de eerste zwaluwen. Ginds in de bocht gleed een beurtschuit aan; het jagerke te ros djakte lustig met zijn zweep in de hellen uchtend. Pastoor Poncke verkeerde alsdan in overaardsche regionen. Op een moment stak Socrates de baan over. Pastoor Poncke brevierde.

— Goêndag, Mijn-Heer Pastoor! Zijt gij niet falikant op weg?

— Héé…, schrok Pastoor Poncke op en blikte den spreker, een spittenden daggelder, verdroomd in het verweerd wezen.

— Zijt gij niet falikant op weg, met permissie, Mijn-Heer Pastoor?

Pastoor Poncke keek rondom zich. Van een gaanpad geen spoor. Socrates voerde hem dwars een bloot veld over. Hij schudde ontkennend het hoofd.

— Neen, bescheidde hij, — ik ga daarheen waar Socrates wil. Vrede zij u, die de aarde bebouwt, aarde zijt en aarde eet. En hij verzonk terug in zijn vorige aandacht — tot hij na een wijle van her uit de onttogendheid naar het ondermaansche ontwaakte door een eigenaardige gewaarwording, het almeteenen tastend gissen, hoe er entwat uit den haak gerocht was met den breviertocht. En dan zàg hij zijn hachelijken toestand. Socrates namentlijk had de voorste pooten neergeplant ten uitersten rand eener versch en diep en steil afgegraven akkergracht en de leem bezweek traag, doch duidelijk zichtbaar onder zijne hoeven en kluitkens riezelden reeds omneer in het moerzwarte water. Socrates besefte voorzeker het gevaar en hield zich stijf en roerloos. Hierin lag zijn eenig verweer. Men kan zijn noodlot niet ontvlieden. Socrates begreep dit secuur. En Pastoor Poncke ging het eveneens begrijpen en diens verzet uitte zich in een schietgebed, dat het zwak doorschichtte: …Gij, die een gehangene op uwe handen omhoogstuwdet, zoodat de strop werkeloos wierd, Moeder-Gods sta ons bij en redt mijnen toog van een bezoedeling…!

De bodem onder Socrates zwichtte griffer. Grootere leemkluiten pletsten in het water. …Accidit in puncto, quod non speratur in anno,1 1 In één oogenblik gebeurt, wat in geen jaar verwacht werd. meende pastoor Poncke, die in onbeweeglijkheid Socrates evenaarde. Plop! Een vette puid joepte van de overzijde de gracht in. De onverhoedsche gebeurtenis veroorzaakte bij Socrates zulk een verschot, dat hij ruklings en half struikelend achterwaarts sprong. Een geduchte bonk leem scheurde af, plompte log in de diepte. Doch Socrates en Pastoor Poncke, die bijkans uit het zadel gestort was, waren behouden.

Pastoor Poncke met Socrates in hachelijken toestand tijdens een breviertocht

Si Deus pro nobi, quis contra nos?1 1 Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn? De Heere stuurde ons de puid en men moet dank weten te wijten aan een knecht Gods. De daad bij het woord voegend, vingerde Pastoor Poncke uit zijn zijzak twee halve sollekes voor den dag en wierp ze de onder water verzwonden vorsch toe, zeggende:

— Hier, mijn vriend, om koekskes voor te koopen.

Hij liet Socrates keeren en gispte onder het voortgaan:

— Gij zijt een ijdeltuit, Socrates! Teneinde de eigen schoonheid — gij zijt schoon, daar niet van, mijn Vriend —, teneinde u weerkaatst te weten in een waterspiegel en u in u te vermeien, biedt gij niet alleen u-zelf, maar ook mij, prijs aan een ongevraagd modderbad. Zekerlijk mijn Vriend, modder heeft de beheptheid ijzerdeelen in-te-houden, hetwelk bijvoorbeeld het flericijn zeer te stade komt. Maar ik lijd niet aan het flericijn, Socrates —, ik lijd puur en rijkelijk aan de kwellingen van eksteroogen onderhevig, waartegen barbier, chemist noch doctoor een radicaal middel kent. Gansch uwe doening sproot dus voort uit belachelijke eigenliefde, die u uwe taak veronachtzamen deed. Het eenige wat gij bereikt hebt, mijn Vriend, is mij schokken in het door mij op u gesteld vertrouwen. Stak de duivel zijnen doorn in uw hart, Socrates, en vergat hij het godsteeken op uwen rug? Ik wil niet achterdochtig zijn, ik wil gelooven, dat gij efkes afweekt van uwe devooren — hetgeen elkendeen geschieden kan, die een grein openstaat voor onzalige inblazingen. Waakt voortaan, Socrates! Vigilate!2 2 Waakt!

Pastoor Poncke zweeg, liet den teugel uit de linkerhand glippen: voor Socrates een gebaar van herwonnen vertrouwen. Den labeurenden, vraagreeën daggelder genakend, sprak hem Pastoor Poncke welwillend:

— Mijn vriend, ik overtuigde mij ervan, dat de partij velds door u bewrocht, nuttig is afgeperkt. Een diergelijke afgrenzing verhindert krakeel tusschen de boeren. Danke.

Het juiste pad hervonden, wijdde Pastoor Poncke zich weder aan den brevier. Zonder stoornis verliep de verdere tocht door den voorjaarschen buiten, tord Socrates de wegels van elken dag, leidend met een ruimen zuidwaartschen boog heen om de veste, tusschen beemden door en sprietelende koorngronden.

Een boogschot vóór de eerste huizing van Dammes’ oostzijde, besloot Pastoor Poncke, gelijk een bevel van Boven gehoorzamend, den geestelijken arbeid met een kruiske en priseerde wellustig.

— Snuiven, Socrates, biechtte hij, — is, voor mij, bij redelijk verbruik, de meest werkelijke aller daden. Het drijft duivelen uit — gij zaagt het deez’ uchtend — en, mijn Vriend, het drijft ook God een luttel uit. Mangelde het mij aan snuif, ik zoude vreezen uit overmaat van Godsvrucht zwevend te worden met ziel en hulsel te zamen, lijk het van sommige heiligen vermeld wordt. En zulks ging een barre missing zijn, want ik, Benedictus Poncke, priester van Damme, ben allerminst een heilige. Alzoo zoude ik, vermetele, God eene felle ergernis blijken. Ik, Poncke, behoor met beide zolen te kleven aan de Damsche aarde. God heeft mij over de Dammenaren verordineerd. Een simpel reiske in God is mij geoorloofd — dat is al. Weet ge, dat ik deze snuifdoos met de Catherina van het rad, in den aanvang van mijn ambt opgeraapt heb van de baan naar Brugge? Weet ge, dat Lode de belleman de doos in de Damsche straten heeft uitgeroepen en er geen verliezer opdoemde? Indien ge het weet, weet ge tevens, mijn Vriend, wat een wonder is. Een hemelsche boodschapper legde haar mij op mijn weg. Het stemt mij nog gelukkig, mijn Vriend.

Pastoor Poncke monkelde in zich zelve, blikte een óverwiekenden, blinkenden reiger na. Allerwegen tintelde de lente, omhoog en omlaag, mijmerde hij. De beemden zouden rap vol kersouwkes prijken, de granen hóóger-halmig wiegen en wuiven, de boogaards sneeuwig bloemen, de popels dieper zingen en de leeuwriks veelvuldiger fluitenieren verloren in het blauw. Seizoen na seizoen zou wentelen over de wereld, leven dóód baren, dood léven. Ziehier de ontzaggelijke zin van het bestaan. Eén zijn dood en leven. Dood is een drogbeeld en de menschen enkel, ’laas, duchten hem. Zij, die God bijkans vermogen te verstaan, zij doorpeilen minder van God dan het graspijlken. Schoon is het onvergankelijke leven. Het is God-zelve! Waaruit gij en ik weer leeren, Socrates, dat de snuif slechts den satan verdrijft en niet God, want, contrarie Hem mij scherper verzichtbaart in Zijne onnavolgbare werken. Ho, mijn vriend!

Socrates stond stil voor het wijd geopend venster van het eerste huizinkske. Daarbinnen, op zijn schraagdisch, was met gekruiste beenen Sanderken Teirlinck gezeten, het snijderken der armen van Damme. Sanderken flikte naarstig aan een blauwen boerenkiel. Sanderken was een grauw manneke, grauw waren zijne oogen, grauw zijn gelaatskleur, grauw zijne handen, grauw zijne sluike haren, grauw zijn kleedij. Vóór jaren bleef Sanderkens huisvrouw in heur eerste kraam mèt het kind. Hij had niet meer willen herhuwen. God jonde hem geen vrouwmensch, helder zaagt ge het aan den wreeden slag waarmede God hem sloeg, veronderstelde hij. Nog een anderen wreeden slag had God voor Sanderken weggelegd. Zijn tweelingbroer, Cyriel, snijdersgast binnen Gent, had zich, zes maanden verleên, verdaan met een koord aan den zolderbalk. Sanderken had veel van zijn broer gehouden. De mare van Cyriels dood ontwrichtte hem heftig. Dag en nacht zag hij Cyriel in de klauwen van den Verkeerde, die hem roosteren zou voor eeuwig in den schrikkelijken helleput, als straffe voor de ondaad. Sanderken rebelleerde daarover tegen God en pastoor Poncke. Cyriel had zich verhangen, gewis, en Sanderken wist niet waarom. Doch dit wist hij: dat Cyriel ondragelijk geleden moest hebben alvorens hij het koord rond den balk knoopte.

— Hoe gaat het, Sanderken?, vraagde Pastoor Poncke.

Sanderken keek mokkend op van zijne doening.

Dof en droefgeestig antwoordde hij:

— Hoe zou het ù vergaan, Mijn-Heer Pastoor, wanneer gij ’nen broer had gelijk ik?

Sanderken, gij sleept het te zwaar.

— Ziet gíj de helsche vuren in uwen droom en ziet gij uwen broer erin? Ik zie dat, Mijn-Heer Pastoor. En waaraan heeft Cyriel zulks verdiend? Hij was van de mildsten uit.

Sànderken

— Gij wilt het mij uit den kop klappen. Maar de Schrift vonnist Cyriel. En is de Schrift Gods Woord of niet?

Sanderken, oorzaken kunnen veel veranderen. Niet elke zelfmoord valt onder het vonnis. Er zijn lieden, die krank naar de ziel zijn, dubbers van nature. Zij lachen niet, schuwen de zon, zinnen op zwartheid. Op een moment wordt het hun te veel, er knakt entwat in hun hart, in hunnen geest — zij vermogen niet langer hun leven voort te zetten. En is God niet een God van genade, Sanderken? Op Zìjn genade moet gij bouwen en gij merelt binnenkort gelijk voordezen.

Sanderken hoofdschudde triest:

— Droomen liegen niet, Mijn-Heer Pastoor. Droomen zijn van de ziel. Cyriel brandt. De oogen van de ziel begoochelen niet. Indien gij het bij het rechte hebt, waarom komt God dan niet tot mij in den droom en zegt mij: — Sanderken Teirlinck, de helsche visioenen gaf niet Ik u in, doch Belzebub. Troost u: Mijne schaal heeft zonden en zoetheden van Cyriel gewogen en de zoetheden zegevieren. Uw broer Cyriel heemt bij Mij en hij is een Mijner treffelijkste hemelingen! Waarom taalt Ons-Heer niet alzoo, Mijn-Heer Pastoor?

— Wie vertelt er u, Sanderken Teirlinck, dat God niet alzoo, taalt? Is het niet eerder, dat gij u de ooren verstopt voor Zijne stem? Gij muizeneert van krieken tot krimpen. Gij bedrijft fantazij. Gij maalt u in den geest de helsche flakkeringen af. Droomen liegen niet, Sander. De bron uwer verbeeldingen vindt zijn oorsprong in u. Nochtans speelt gij gewaagd spel. Ge duikt u in duisternis onder, al dieper. Ik zal een kosteloos miske lezen voor uwen broer.

— Neen, Mijn-Heer Pastoor, ik wensch geen miske. Het zou geen vrucht afwerpen. In geen maanden al kom ik niet in uw kerk.

Niet gìj, Sanderken, Benedict Poncke leest het miske tot meerder zieleheil.

Peinst gij stellig, dat Cyriel wèl vaart na zulk een dood, Mijn-Heer Pastoor?

— Menschelijkerwijs gesproken: ja, Sander. Ons-Heer is geen beul, wat bevroedt gij wel? Zie, gij zit daar op uwen tafel met voor u de wijdte der ontluikende landen, het leven viert festijn voor uw raam en gij handelt lijk of gij van Yperen kwaamt. Is dit rechtvaardig jegens Ons-Heer? Het leven is schóón. Ik dacht daar nog op, zoo seffens. Blik naar buiten, luister naar het licht, dat ons Vlaanderen overstelpt met fonkelingen. Het roept: Poncke! Poncke! Het roept: Sander! Sander! Ha, gij glimlacht, Sanderken. Het is uw ouden lach, de lach van een eerlijk man, die de vreugden van de armoe verkiest boven de tormenten van den rijkdom. Deze lach weegt meer dan een miske van mij en brengt uwen broer staag nabijer aan God. Lach en zing, Sanderken. Elke lach en elk lied geldt den Heer-God een felle beê. Sint Franciscus zou het u kunnen getuigen. De nachtegaal was ijverzuchtig op hem, Sanderken. Beloof mij nu, dat ge…

Sanderkens monkeling verstierf bereids. Mat zegde hij:

— Gij hebt vlot spreken, Mijn-Heer Pastoor, maar hierbinnen (Sanderken wees op zijn borst) wroet het bitter. Ik peins somtemets

Hij brak af, ontweek Pastoor Ponckes blik.

— Tja, Sanderken —, tja… Nochtans, het leven blìjft onveranderlijk schoon. Ontdek van her de schoonheid van het leven en in uw hart zal goddelijke wijsheid bloeien.

— Ik, zegde Sanderken zacht, — ik zal ernaar trachten, Mijn-Heer Pastoor…

— Fiat, Sanderken. Allo, Socrates!

Pastoor Poncke reede de armenwijk door. Behalve eenige slonzige pagadders, die in de goot speelden en een paar dwalende honden, vertoonde zich geen ziel in de straat. Zoodra Pastoor Poncke opdaagde hadden de over hunne halfdeurkens hangende klappeien de wijk binnenshuis genomen. Pastoor Poncke was een gevreesd man, gevreesder dan de schoutrakkers. Lijk in een boetsermoen kon hij het door hem betrapt luilakkend vrouwvolk hard in het gemoed porren: — Ora et labora. Bidt en slameurt. Gij verricht het een noch het ander, terwijl uwe venten hun eigen voor u in het zweet beulen. Uw huishoud laat gij verkommeren. De noen-ate, op het allerleste gekookt, is zwijns-ate en gij biedt haar uwen huisman, sprekend: — Lebber met lust, kerel! Zoodoende plaatst gij hem op eendere lijn met de zwijnen. Zóó zijt gij: de schand van mijn parochie en een gruwel voor God. Wilt gij, dat ik uw schand veropenlijk, met uwe namen erbij, voor het aanschijn van geheel Damme? Schrob uwe vloeren, kuisch uwe kasten, kook gelijk voor den koning — uw pastoor vordert zulks van u af!

Pastoor Poncke hoorde in het langstijgen de wijven met potten en pannen rumoeren, zag, hier en daar, er eene nadrukkelijk een emmer water door heur gangske stroelen. Ha, op diergelijke triomfen zou de Baljuw in geen eeuw kunnen bogen — hìj, Pòncke, behoedde Damme voor verder verval, en bereidde het voor op herstel van den vroegeren tierigen staat. Heb het wijf onder uwen duim, ge hebt stad en wereld eronder en kunt kneden naar believen!

Poncke riep de kinderen bij zich en verschonk hun een kruiske. Zij begeleidden hem tot aan het einde der buurt, alwaar hij op Corneel Caboor, den grafmaker botste. — God en Poncke kunt gij niet ontloopen, Corneel Caboor. Gaat ge mijn hofke nog tijelijker verwaarloozen, vriend? Wilt gij het een barre woestijn zien worden, Vlaanderen tot Libije maken? Dooden en levenden beklagen zich over u, welig woekert het onkruid op de graven en even welig woekert niemendal op mijnen akker. Het is of er een vloek over mijn veld ligt — en hij lìgt er en heet Corneel Caboor.

— Van een misvormd mensch gelijk ik, Mijn-Heer Pastoor, moogt ge niet alles verwachten. Ik geef toe gebrekkelijk in mijn werk te zijn, zoo gebrekkelijk lijk het mij verleend lichaam is.

— Uw lichaam is niet gebrekkelijk.

— Zoo — en mijn bochel dan?

Pastoor Poncke betastte uitvoerig Cornelis bochel en verzuchtte: — Corneel, Corneel, gij verwijt uwen Schepper valschelijk. Uw bochel dunkt mij zoo volkomen als maar mogelijk is. Daarom moest gij God diep erkentelijk wezen.

De grafmaker blikte Pastoor Poncke met groote verbijsterde oogen aan. Tevergeefs zocht hij naar een weerwoord.

Pastoor Poncke hervatte:

— Doch terzake, Corneel. Wanneer bewerkt gij mijnen bodem? — ’t Is een zucht gereed, Mijn-Heer Pastoor. De aarde efkes effenen, het zaad erin… Een zucht, geloof mij.

— Ik vroeg u, wannéér gij zuchten zult!, zegde Pastoor Poncke gestreng.

— Te noen, na stonde van twee, Mijn-Heer Pastoor, zult ge mij te uwent zien met rijf en zaad. Ziet ge mij niet, dan is ’t dat ik dood ben, zwoer Corneel Caboor.

— Ik geloof u. Danke, Corneel.

Pastoor Poncke kwam aan de pastorij, klom van zijn dier met behulp van den meteoriet. Hij bracht Socrates in den stal, polste in de keuken Katrijne omtrent het noenmaal, begaf zich naar zijn boekerij en schikte zich behaaglijk in den rietenen zetelstoel bij het venster. Het aantal boeken van Pastoor Poncke hadt ge tenden becijferd met twintig. Zij reekten, allen in velijn gebonden, op een enkel wandschap. Ge zaagt er, om de bizonderste te noemen, de geschriften van Jan van Ruusbroec, de rijmwerken van Jacob van Maerlant, de Levens der Heiligen, de Bloemekens van Sint Franciscus, twee deelen over den Satan in sijn Guychelspel bedoeld zijn De satan, in sijn weesen, aert, bedryf, en guychel-spel en Wercksaeme duyvelen in de weereld, vervaardigd door den Hollander Simon de Vries, Der Zedige Werken van L. Anaeus Seneka, Quintus Kursius’ Alexander de Groote en Rossaeo’s Gelooven der gantsche werelt. De deur week open en Katrijne trad binnen met in de eene hand een stoffige bottel en in de andere een fijn geslepen slanken kristallijnen roomer. Zij zette den roomer behoedzaam op de vensterbank bij haren heer en vulde hem tot op een vingerbreedte van den rand met het vocht uit de flesch.

Pastoor Poncke vatte den kelk bij den brozen voet en stak hem omhoog naar het venster. Rijker ontbloeide de wijn aan den dag. Pastoor Poncke betoogde vervoerd:

— Ha, Katrijne, zie! Welk een kostelijk geschenk is de wijn! Ha, Katrijne: zon met wijn vermengd! Ik teug ervan. Hoe goed het proeft aan tong en huig. Zóó goed moet de hemel zijn, Katrijne! Spijtig, dat gij een vrouwmensch zijt. Ware gij een man, ik zoude u een nipke gaarne jonnen. Maar vrouwen, Katrijne, heur tong is niet voor den wijn geboren, heur tong dient meer voor tateren dan voor toetsen. Deze drank heet bourgogne, Katrijne, hij tintelt, hij bloeit gelijk robijngesteenten. Kent ge robijngesteenten, Katrijne…? Héé, gij zijt onbemerkt ter deure uit geslifferd, Katrijne-dochter? Ik versta, de huishoud gedoogt geen respijt. Ik roem u eene maarte van den eersten rang, Katrijne, permintelijk vermits gij u verwijderd hebt. Meen nochtans niet, dat gij hier niet langer aanwezig zijt. Staat niet gansch de pastorij van uwen geest doortrokken? Ken ge robijngesteenten? Neen, nietwaar? Waart gij Me-Vrouwe de Baljuwin, ge zoudt ze voorzeker kennen. De Baljuwin pleegt een robijnenketen te dragen rond den hals. De bourgogne, Katrijne, welke gij mij in-schonkt, fonkelt gelijk de baljuwinsche juweelen. Sta mij toe, dat ik wederom drink. Zóó moet men den wijn smaken, Katrijne: met geringe slokskes en zulk een slokske doen leven aan uwe smaakorganen. Alsdan kan men zeggen, dat het niet de lichamelijkheid is, die den wijn meet op haar innerlijke kracht, doch de ziel, dochter Katrijne. Danke.

Pastoor Poncke dronk van her, zette den roomer op de vensterbank, staarde in den hof. Na een spanne lichtte hij den roomer wederom aan de lippen en knikte, na den dronk, kinderlijk content schier. Hij koesterde de neiging aan zijn lof van den wijn voort te spinnen. Sierlijke volzinnen gleden hem door het brein, zonder onmiddellijken samenhang… Ik zou een wijnpreek ten beste kunnen geven, achtte hij per slot, — welke zelfs een pater Brugmans in naijver zou ontsteken. De wijn is altoos een mijner willigste punten geweest. ’Laas, is zulk een preek niet heel oirbaar. Mijn parochianen gingen haar scheef uitrafelen en voortaan den wijn instee van God aanbidden. Niettemin smelten wijn en ziel, voor mijn begrip, ineenen en het woord wijn wordt ontallige werven in den bijbelboek uitgesproken. Tja, ik kan mij het paradijs niet droomen zonder wijn — niet in overmaat, natuurlijk. Daarom begrijp ik de ongodisterij van den Baljuw niet recht. De Baljuw weet de ontzaggelijke waarde ervan zoo diep gelijk ik haar weet. Wijn doet mij alsaan peinzen op de eeuwigheid en het zou bij den Baljuw toch ook alzoo moeten wezen. Ik zal hem mijn gedacht vandaag of morgen onder de oogen stellen en het zijne vernemen. Of ben ik ketterij aan ’t uitkramen? Heere, vergeef het mij dan! Mea culpa.1 1 Ik beken schuld.

Uit angst voor mogelijke ketterij ledigde Pastoor Poncke het glas in een rek en vestte hij zijn denken op tal van andere dingen — tot Katrijne hem naar de woonkamer riep voor het maal: stamppot met saucijskens. Als Katrijne den disch afruimde vroeg zij hem of hij thuisbleef.

— Zekerlijk, Katrijne-dochter, en doe Socrates het kerkhofweike in, zoo ge wilt. Er zijn, bij mijn weten, geen kranken, doopelingen of iets van dien aard. Mijne pantoffels haal ik-zelve van de slaapkamer. Ik heb gegeten gelijk een bisschop, kondde hij rechtrijzend.

Terwijl hij boven van schoeisel wisselde, hoorde hij beneden druistig den buitendeurklopper kletteren. Hij luisterde gespitst op. Katrijne opende den bezoeker. Een indringende mannenstem lamenteerde langdurig en dusdanig, dat Katrijne niet aan ’t woord kon raken. …Er zal een ramp gebeurd zijn, giste Pastoor Poncke en met een gespschoen en een pantoffel aan vertoonde hij zich bovenaan de trap.

— O, Mijn-Heer Pastoor, o Mijn-Heer Pastoor, kom toch!, jammerde de man, een gore, struische, stoppelbaardige vijftiger, in de luidelijke gang.

Bedaard, mijn vriend, wees gerust, ik kom reeds, suste Pastoor Poncke warm en daalde en bij den man gekomen sprak hij:

— Waarmee kan ik u bijstaan, mijn vriend? Uw wijf krank? Uw kind krank?

— Ach, Mijn-Heer Pastoor, gij leeft in weelde, een aalmoeske asteblieft om de liefde Gods, mijn beer grolt sedert vijf dagen en mijn bloot vel blinkt door mijne kleeren! Een aalmoeske, asteblieft om de liefde Gods!…

Pastoor Poncke draaide zich om en bedachtzaam wenkte hij den bedelaar mede naar boven. Daar, ten overloop, legde hij den man de hand op de schouder en zeide:

— Mijn daadschuwe vriend, ge zijt vet en nergens zie ik uw bloot vel blinken. Neen, ik heb geen aalmoes voor u.

En hij ging de slaapkamer binnen en sloot de deur achter zich. De zwerver aanvaardde vermaledijding mompelend den terugweg. Pastoor Poncke hoorde de voordeur dichtvallen. Hij repte zich het raam aan den voorkant hoog op te schuiven en riep den vent aan:

— Hééla, mijn vriend!, het schiet mij te binnen, dat ik in uwen maag geen blik werpen kan en dat men het tot de mogelijkheden dient te rekenen, dat uw vel onder uwe kleeren warelijk blinkt. Gij moet weten, dat ik Pastoor Poncke ben — doch verbindt aan dien naam geene goudschatten. Ik raad u aan, den klopper te rammelen van de baljuwhuizing in de Reigerstraat. Zeg daar, dat ìk u zond en een belangrijke aalmoes is u gewis. Gode bevolen, mijn vriend.

Pastoor Poncke liet het raam zakken, voltooide de her-schoeiïng en begaf zich naar de boekerij, alwaar hij zijn stee innam van vóór den noen. Hij vlijde de onderarmen op de leuningen, strengelde de vingeren te zamen, deed het achterhoofd rusten tegen het peluwke en look de oogen. Prinselijk sluimerde hij in.

Als het Raadhuis den tweede nanoenslag beierde, gluurde Pastoor Poncke, deels ontwaakt, gelijk een kat door de oogkieren, den hof in, dommelde, gluurde van her, dommelde, gluurde — welhaast matelijk. Met deze doening vervloot een kwart stonde. Alsdan opende hij de oogen volledig, duwde zich omhoog uit den zeten, ontsloot de kamerdeur en riep niet zonder bewogenheid:

— Katrìjne!

Hij wandelde overentweder tot de maarte heur meldde. Zich vóór haar posteerend, zegde hij ernstig:

— De Dammenaren worden gemeenlijk oud, Katrijne. Dit „gemeenlijk” weert de uitzondering geenszins. De dood komt lijk een dief in den nacht. Katrijne, gij moet Pruyck verwittigen, onverwijld te luiden over Corneel Caboor. Corneel Caboor is dood, Katrijne.

— Ha-maar, zoo schielijk, verschoot Katrijne. — Ik zag hem deez uchtend met een kordewagen.

— Ik zag hem eveneens, Katrijne. Ik bevroed: hij moet door een geraaktheid overvallen zijn…

— Maar, eerwaarde, gij hebt ge-noendut. Hoe weet gij…

Pastoor Ponckes blik ontmoette recht Katrijnes en toch had Katrijne, gelijk zoo vaak, de gewaarwording alsof haar meester andere dingen schouwde dan haar persoon. Pastoor Poncke sprak:

Katrijne, ik heb het bericht van den doode zelve.

— Heere…!, huiverde Katrijne.

— Ja, zegde Pastoor Poncke. — En rep u thans naar Pruyck, Katrijne-dochter. Tja, en wij zullen een anderen grafmaker moeten zoeken. Voorloopig zou Prùyck Corneel’s kuil kunnen uitdelven. Treurig, zulk een verscheiden, want voor Ons-Heer is het te laat, Katrijne. Over een stonde ga ik in zijn huizeke zien. Hij had zijne feilen, de grafmaker, doch al met al was hij een geloovige ziel, hetgeen hij aan zijn loon, hierna, merken zal. Spoed u, Katrijne, wat mart gij nog?

Katrijne vertrok. Luttel tijds naderhand riep de doodsklok over de Damsche stede en snel verbreidde zich, bij eerste monde van Pastoor Poncke’s maarte, de vermoedelijke toedracht van ’s grafmakers overlijden.

Katrijne wrocht in de keuken als zij voor den tweede keer en zéér geweldig verschoot. Want door Pastoor Poncke’s hof beende daar Corneel Caboor aan. Katrijne gaf een gesmoorde kres. Met beide handen greep ze naar heur hart. Haar leden wierden haar lijk lood. Gestorvenen plegen niet te verrijzen dan als spook, en bij voorliefde te middernacht. De schim van Corneel Caboor echter stapte met drift op Katrijne heur keuken aan en ge hoordet zijne kloefen dompen op de aarde.

— Ah, Katrijne, of uw pastoor zòt is geworden met mijnen dood te verspreiden?, uitte de gebochelde fel.

— Wèg! Wèg!, gebaarde de maarte.

— Ik vraag, of uw pastoor zòt is geworden!, herhaalde Corneel wild. En dan snerpte hij: — Ha, ge peinst gij, Katrijne, dat ik ’ne geest ben, maar voel mijn vleeschke: het is zoo pakbaar lijk dat van u. Duizend graven graaf ik nog voor mijnen dood, wellicht ook het uwe. Dood! Ik, dóód? Waar zit uw pastoor, vraag ik u?

— In… de… boe…kerij…, beefde Katrijne. — Ge zijt niet dood, Corneel?

— Neen, beet de grafmaker en zonder zijne kloefen uit te doen bonkelde hij langs Katrijne ter boekerij, klopte met den knokkel op het deurhout, tord binnen.

Pruyck luidt de doodsklok over Damme vanwege de dood van Corneel Caboor

Pastoor Poncke stond met een hand aan de lange kin zinnend aan het venster. De hand ging neêr.

Corneel, gìj?, loste hij.

Corneel — ja-ik, bevestigde de grafmaker een paar schreden naderbijkomend. — Wat zijn dat voor een manieren voor een geestelijke, te konden, dat ik in lijke lig…!

— Gij waart nìet dood, Corneel? Gij hebt mij toch zelve gezegd, dat gij dood waart, wanneer gij u niet op mijn veld liet schouwen? Corneel, gij hebt mij bijaldien belogen? Dat is niet schoon van u…

— Het was slechts bij wijze van spreken, Mijn-Heer Pastoor, antwoordde de grafmaker beduisd.

— Ik gelóófde u, verweet Pastoor Poncke, ik gelóófde u. Ik bespeurde u na tweeslag niet op mijn terrein en wist: Corneel is dood. Zulks is simpel. Ik liet over u luiden. Zulks is méde simpel. En nu verklaart gij mij, dat gij niet reeuwt. Ik zocht al een vervanger voor u, Corneel.

— De Lieve-Vrouwe luidt… Ach, doe haar stoppen…

— Uw schuld, Corneel. Hoe durft gij zoo lichtvaardig talen? De Lieve-Vrouwe tampt uw schuld, uw zonde.

— Doe haar ophouden, alstublieft…

Ik zàl, zegde Pastoor Poncke en hij toog Katrijnewaarts en beval haar Pruyck te verdietschen, dat met de luiding alles op een misverstand berustte en dat Corneel Caboor leefde lijk voorheen. Teruggekeerd bij den grafmaker, die thans zijne kloefen in de handen hield, sprak hij:

— De laatste klepeling zal rap verstreken zijn, Corneel. Héé, ik ben er nog vol van. Uw dood speet mij oprecht.

— Heel Damme zal mij belachen

— Beter, Corneel Caboor, dat men lacht op een levende dan op een doode. …Luister, het luiden mindert, zindert voorgoed uit… Wat ik zeggen wilde, Corneel, mijn perceel grond…

— Ik ga het slaglings bedrichten, Mijn-Heer Pastoor.

Schoon van u, Corneel. Danke.

De grafmaker droop af.

Pulvis es et in pulverem reverteris1 1 Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren., prevelde Pastoor Poncke, plaatsnemend aan zijn werktafel teneinde zijn sermoen te bouwen voor den naastbijen zondag. Pastoor Poncke schreef zijne sermoenen steeds neer — heelder bundels lagen er in de spinde nevens den schouwmantel. Maar wanneer het uur der Zondaagsche mis klepelde trok hij zonder geschreven sermoen ter Onze-Lieve-Vrouwe, beklom den kansel en daverde voor de vuist weg over het eerste het beste onderwerp, dat hem naar de geest welde.

Pastoor Poncke besneed zorgvuldig de ganzen veder, doopte haar in den inkt en ving met fijne hand te schrijven aan. Hij bewonderde en beminde het eigen schrift bovenmate. Niet ten onrechte wellicht, want de letterteekens lééfden op het lang papierblad permintelijk bezield, zóó smedig van lijn en boging, zóó klaar van bediedenis. Hij betijtelde het sermoen: DE LOF DER LUIHEID. Dan schreef hij: BEMINDE PAROCHIANEN!, en : Waarom zouden wij de Luiheid niet roemen? Zij koestert ons geliefd lichaam en zij fleemt onzen geest — om van de ziel voorshands te zwijgen. Zij is een der schoonste uitvindingen en op háár beurt schiep zij de donzen sponde, die ons wanen doet, niet langer op de aarde, doch in den hemel te verkeeren. Immers, de Luiheid vormt heur den hemel tot een oord van zalig niemendal-uit-richten, het luilekkerland, alwaar u het gebraden gevogelte in den muil vliegt en aangenaam door den strot wordt gespoeld door middel van een uitmuntend gemikten straal uit de wijnfontein —, alwaar u de zwijnen hunne hesp malsch gerookt en wel komen aanbieden —, alwaar het volrijp fruit u pront in en palm zijgt — kortom: alwaar het àl vanzelf vloeit met de voorziening uwer nooddruft. En onderwijl, beminde parochianen, zijt gij heilig en ruggelings gelegen in het weeke koel belommerd gras en uw tijd is vervluchtigd in eeuwigheid. De droom der droomen is u geworden. Gij schat u onaanrandbaar rijk. Nievers een meester, die u ten arbeid port — de meester ligt op een armlengte, in eendere houding als gij, van u vandaan. Gij zoudt kunnen kouten met hem en hìj met u, maar gebeiden hebt gij er geen goeste voor. Kouten maakt moe en waartoe zoudt gij u moe-maken. En wie kout moet denken. Denken maakt moe en waartoe zoudt gij u moe-denken. Gij glaart wat in de lucht, gij bijt traag in een pruim en het sap leekt u langs de mondhoeken, gij slaapt een beetje, ontwaakt wanneer gij het wilt, slaapt wederom in volgens believen.

Ja, beminde Parochianen, de sponde is voorzeker de kostbaarste vondst van Vrouwe Luiheid. Zij is een Vròuwe. En is zij schoon? Ha, zij is zéér schoon — indien gij haar soortement van schoonheid aanhangt. Wit is zij en weelderig van vet, dat lilt en kwabbert. De blik harer oogen lijkt mij niet bijster helder — de oogen zijn van een waterachtig blauw. Haar schedel is bloot, ten tijde dat zij hem niet bedekt met een licht paruikske van blond. Ha, hoe weet zij den mensch te bekoren! Haar stem klinkt zoet gelijk honing, en ietwat kwijnend. : — Hoort niet, lokt zij, o parochianen van den paap Dictus Poncke, naar het gebazel van dien slungeligen zwartrok! Hoort, Dammenaren, naar mìj! Bij mìj vindt gij den vrede en de vreugde des waren levens. Bij mìj botst gij op een strijd, dòrst gij niet, hòngert gij niet en mijn genegenheid, mijne lìefde, geldt u een bed van duizend paradijselijke geneugten. Ik ben…

Pastoor Poncke’s veder stokte. Hij staarde den moeshof in, alwaar de grafmaker pootte en zaaide. Hij legde de pen ter zijde, snoof een snuifke en handelde daarna alsof de kitteling van het poeder hem in vervaarlijke niezing noopte. Niets van dien aard echter geschiedde. Hij vatte de veder en vervolgde: …het verloren aardsche paradijs!

Alzoo, beminde Parochianen, flikt Vrouwe Luiheid — alzoo flooide zij onlangs binnen onze stede een zeker vrouwmensch. Dit vrouwmensch was op het angelus van den Zondag ontwaakt. Zij had gepland in den nuchteren van den uchtend de polk te ontrijzen en mijn vroegmis bij te wonen. Toen presenteerde heur Vrouwe Luiheid en zemelde haar in de ooren: — Het is buiten killig, het is in de sponde buitengemeen zoet toeven. Zekerlijk, gij moogt aan de mis niet verzaken — maar waarom alles met zulk een rapte? Gij zijt slechts een menschenkind en ontvankelijk voor vallingen. Waarom krankten gekweekt? Gij kunt u een krankte vermijden. Rust nog wat uit — angelusluiding is geen misluiding. Rust nog wat uit in de goede warmte van de dekens. De warmte omringt u gansch, streelt door uw bloed, aait elke vezel van uw wezen. En jon u nog een wijlken sluimer. Het komt u toe, meer dan iemand-el. Ja, ge doet er gunstig aan, de oogschelen te sluiten. Gij sluimert alree. Liefelijke droombeelden schuiven u door de ziel. Gij monkelt erbij. Tja, nu roept de eigenlijke misklok en geen wonder dat gij ontwaakt. Maar uwe leden wegen u zoo zalig zwaar, gij zijt zoo innig loom. Hoort, buiten stuift een katijvig windeke! Stapt gij lijk straal van bedde uw deur uit, de pleuris besluipt u geniepig en over een paar dagen raaskaalt gij in kleffe koortse. Bedenk, dat de Heer-God niet vergt, dat gij uwe gezondheid beschadigt. Sluimer toch verder en beid de mis van tienen, de principaalste van den dag. Ligt gij niet ge-bed lijk op een zomerwolk, ervaart gij niet, hoe gij als het ware ievers heemt tusschen zon en aarde — wist gij u ooit zoo licht te leven? Waar zijn slameur en beslommering? Zij bestaan niet langer, en bestonden zij wel ooit? Ik zeg u: de sponde des menschen is zijn geheiligste stee. Ei, ge sluimert alweder! Gij droomt u op de door mij gezegde zomerwolk, nietwaar? Gij drijft lijze voort door de lucht. Onder u vlakken de landen, de beemden, fleuren de dorpen, de steden. Maar wat maalt gij om de aarde? Geen grein. Gij sluimert en gij droomt dat gij sluimert. Gij sluimert tweevoudig. Tegen deze heerlijke gewaarwording wijkt alles vèr weg. Gij sluimert, sluimert en het noentij naakt. Gij wierd van her wakker. Ge zoudt kunnen opstaan nu en voor middag-ate zorgen. Och, ge hebt geen honger. Verzaligden hongeren niet. Maar het Lof moogt ge niet verzuimen. Er rest u daarvoor ruimschoots tijd. Ge zijt één met uwe sponde geworden. Het zou bijkans doodzonde zijn u ervan los te rukken. En gij wenscht zulks ook niet, uwe geweten verbiedt u dien wensch. Sluimer toch, sluimer toch! Gij sluimert, ik zie u sluimeren. Schoone couleuren vertoont de droom, gretig verlustigt gij u eraan en zonder dat het u vermoeienis berokkent. Ja, dit is het luiden van het Lof. Neen, ontwaak niet. De couleuren, welke gij aanschouwt, wegen rijkelijk op tegen een pooveren Lofdienst — en God schept de droomen. Gij sluimert, sluimert, sluimert. Ik sui een liedekijn voor u: „Suja, suja, sluimer zacht…” Aan het venster groezelt de deemstering.

Weer stokte de veder en Pastoor Poncke onderbrak het sermoen teneinde een tweetal kaarsen te ontsteken, wier kandelaren ijdele wijnflesschen verbeeldden. Want werkelijk grijsde de schemering aan de ruiten. En als de pen over het papierblad vaarde, schreef Pastoor Poncke: …Láát het groezelen. Veilig zijt gij in de sponde voor de geringste boosheden. Laat het groezelen, laat het duisteren buiten en binnen. Gij sluimert, gij slaapt. De avond ruischt, sterren blinken, het is nacht. Gezegend zij uw sponde. Ei, hoe raakt gij opeenen in ongemak?! Gij ziet mìj in uwen droom. Ben ik niet schóón? Ik zal enger bij u komen. Uwe oogen spalken open, schrillen in de mijne. Ja, ik lig òp u. Ha, gij zijt star van angst! Ik pres mij op uw maagstreek, uw borst. Ik verstik u! Gij wilt schreeuwen slaken en kunt niet. Mijn duim drukt op uwen strot. Na zoet het zuur. Ik ben de Nachtmare!…

Beminde Parochianen

Pastoor Poncke rechtte den romp op het kloppen en binnenkomen van Katrijne.

— Jà, Katrijne. Braaf van u de avond-ate hier te bezorgen.

— Ik peinsde, Eerwaarde slaaft aan zijn sermoen

Pront geraden, Katrijne-dochter! Elk sermoen van mij is een pijler, waarop Damme al hechter gegrond staat… Brood, kaas, melk… Danke, Katrijne. En in het vooruit, goèdennacht.

— Van ’tzelfde, Eerwaarde.

Pastoor Poncke at, dubde, al kauwend, op de voortzetting van het sermoen, zètte het, verslonden, voort na de ate, bedekkend blad na blad met zijn fijn schrift. Soms knetterden de kaarsen en snoot hij de pitten. De veder schaverdijnde door de uren. Buiten entwaar, als de raadhuisbeiaard zweeg, draaide de ratelwacht den klepper en zong zijn oude stem schor de laat-avondstonde: Mannen, vrouwen, kinders, maà-àgen, El-le-ve heeft de klok geslà-àgen…

Pastoor Poncke beëindigde het sermoen, schreef er weids zijne naamteekening onder: Benedictus Poncke, Pastoor van Damme, Anno Domini Het jaar onzes Heeren. 1784.

De nachtwacht genaakte rellend de pastorij, herhaalde zijn konde, verwijderde zich… Pastoor Poncke blies een kaars uit, ging met de andere naar boven, bad een pooze onder den kruis-Lieve-Heer, ontkleedde zich en strekte zich te slapen in het besef den voorbijen dag niet te hebben vermoozeld.

Pastoor Poncke lag en beidde het mysterieus moment van den slaap, hetwelk hem nimmer gelukt was met het bewustzijn te omvamen. Dikwijls meende hij het op te vangen en doorvoer het hem, docht het hem, gelijk een schok en een vàl in het grondelooze. Maar in dit ondeelbaar oogenblik was hij tevens weêral nuchter waak en hij moest het beleg van voren af aan beginnen. Tevergeefs evenwel. De slaap wist hem steeds onverhoeds te verschalken. Ook heden verliep het alzoo.

Hij dommelde diep weg uit het dagbestaan, toen door zijn dommeling henen een rammelend gedruisch reed. Hij ontwaakte deels, luisterde en dacht doezig aan den ratelwacht. Het gerucht verstomde, ging van her aan. …Ho, dat was de nachtwacht niet, trouwens er kon nog geen volle stonde voorbij zijn. Ho, dat was de klopper van de pastorij, die dusdanig lawijtte omtrent het hart van den nacht!

Pastoor Poncke stuwde zich, hoorend, opwaarts. …Hola, de klopper danste en duvelde. Mogelijk werd hij, Poncke, gehaald ter bediening van een stervende — ofschoon hij niet doorpeilde, wie deze wezen kon. Ja, mijn vriend of mijn dochter, patiëntie, patiëntiePoncke kent zijn priesterlijke plichten. Tja, het moet er nìjpen, zelfs een zevenslaper zou gewekt worden. Tja, de kaars moet eerst aan, hier heb ik de tondeldoos. Zóó.

Pastoor Poncke, de sponde ontgleden, liep blootvoeteling naar het venster. Hij trok het hoog op het blok, duwde het bovenlichaam door de opening. Hij ontdekte in de duisternis entwat, op een mansgedaante gelijkend. Hij schreeuwde naar omlaag:

— Hééla, mijn vriend!!…

De man beukte op het ijzer op het ijzer, alsaan volhardender.

— Hééla, mijn vriend!! Zie bóven u, ìk hang uit het venster, ìk, pastoor Pòncke! Hééla, het is toch te mijnent dat gij alarmeeren moet? Hééla, wie uwer familieleden ligt op het uiterste? Uw váder? Uw moèder? Uw zùster? Uw broèder? Hééla, houd stil. Hier bèn ik al, Pòncke! Zijt gij dóóf? Zijt gij stòm? Quid petis? Quid faciendum?1 1 Wat verlangt gij? Wat moet er gedaan worden? Hééla…! Ik zal u openmaken…

Pastoor Poncke liet het venster zakken, glipte in zijn pantoffels, sloeg zich de oppersargie rond de schoêren, teneinde zich voor de nachtkilte in het huis te schutten, nam de flesch met de kaars van het bedtafelke, begaf zich trapwaarts en ontwaarde Katrijne, die heuren hals bang buiten de deur van haar slaapvertrek rekte:

— Open niet, Eerwaarde. De tijden zijn onbetrouwbaar. Het kan een uitzinnige zijn of een moorder. Wie is het?

— Ik ben een knecht Gods, een priester, Katrijne. Al wàre het een moorder met pistool en ponjaard — ik zoude gáán. Maar het is een arme vent, dochter Katrijne, en hij is doof en stom. Hij heeft een noodmare, vandaar, dat hij den klopper zonder verademing hanteert. De mare kan ook hem-zelve gelden. Ik zal het rap weten. Wij papen kennen geen vrees.

Pastoor Poncke ging naar beneden. Grillig zwaaide en zwonk achter hem zijn schaduw. Hij deed de voordeur van de grendelen, lichtte de keten. De klopper dreunde door. Pas als hij de deur opende, kwam er een einde aan.

— Mijn vrìnd…!, zegde Pastoor Poncke meewarig. — Ei, wat is dàt nu? Het is mìjn sargie, niet de ùwe… Ei, mijn vriend…!

Pastoor Poncke stond zonder sargie en met een gedoofd licht op den drempel. De man, die hem de sargie ontgrist had, was reeds spoorloos verzwonden. Vaag meende Pastoor Poncke in den vent den doolaard van ’s noens te hebben herkend. Maar het was alles met zoo’n rapte gebeurd. Blies de màn de kaars uit of de wìnd?

Hij sloot de deur, grendelde op den tast, schuifelde naar de trap, beklom de treden. Hij arriveerde op den overloop. Hij vernam Katrijne.

— Eerwaarde, wat was het?

— Héé, niets, Katrijne-dochter. Mijn kaars is uitgewaaid. Er was iemand om mijn sargie. Hij moet schrikkelijk kou hebben geleden. Zoo ras hij de sargie had is hij vertrokken, de arme.

— O, zuchtte de maarte opgelucht. — Eh…, zijt gij uw sargie kwijt?

— Kwìjt, Katrijne? Gij bezigt het juiste woord niet. Hetgeen men aan de armen kwijtwordt beduidt immer groote winst voor de ziel. Ik heb, Katrijne, onderrichte Pastoor Poncke, — ik heb als mensch mijne naasten lief gelijk mij-zelve. Alzoo verlangt het God en niet anders. Een goede daad duldt geen uitstel. Ha, hier heb ik mijn deurknop. Katrijne, goedennacht.

HET BANKET

Dochter-Katrijne, zegde Pastoor Poncke den avond van het naamdagfestijn ten huize van den Baljuw —, lang mij mijn tweede toog uit de spinde.

En als zij het verzoek bewilligde en hem de soutane wilde overhandigen, sprak hij werend:

— Neen, Katrijne-dochter, het is niet voor het wit door u vermeend. De toog, welke ik draag, tooit nog weken zonder kuisch. ’t Geen ge te verrichten hebt is dit: ge gaat naar de Baljuw-huizing en reikt er het kleed over. Héé, wat bevreemdt u daaraan, Katrijne? De toog is simpellijk door Baljuw en Baljuwin op het banket genood, teneinde den naamdag te vieren der Baljuwin. Buiten twijfel zal zij heur er bij uitstek vermaken — uit ervaring weet ik, dat een banket in de Reigerstraat eene flonkerende festiviteit beduidt. Gij weifelt, Katrijne? Ik ben anderszinds geene weifelingen van u gewoon. De toog ìs ten disch gevraagd, geloof mij. Het zou on-schoon zijn een personaliteit gelijk Mijn-Heere de Baljuw schennis te berokkenen inzake nobele zede. Fluks, Katrijne, het is nijpend tijd, dunkt me.

Pastoor Poncke’s ernst verwon de maarte.

Zij ging.

En keerde — mèt toog en een epistelke.

— Héé, Katrijne, wat is dat nu? De Baljuw verweigert mijne toog den toegang? Onmanierlijk, acht ik zulks. Danke, Katrijne, ge hoeft op niets te wachten. Het briefke zal ik seffens lezen. Danke, Katrijne.

Katrijne verwijderde heur. Pastoor Poncke ripte het epistel open. Het bleek hem door een vrouwehand geschreven. Hij las:

Eerwaardige Heer en Vriend,

Ach, er woekert een misbegrip tusschen u en mij. Ik sta eraan schuldig. Pardonneer mij, bidde ik U. Niet Uwe soutane wenschte ik ten onzent, doch U, Uw persoon, want meer dan Uwe soutane vereeren wij Pastoor Poncke-zelve. Kom gelijk gij wilt, hoedanig ook uitgedost. En kom dadelijk. Gij gaaft mij eene fijne lesse. Vergeef mij mijne vrouwelijke hoovaardije. Ik heb begrepen. Wij en de disch beiden U met ongeduld.

Me-Vrouwe Isabella ten Hoogdaele

Pastoor Poncke stapte naar de keuken.

Katrijne, dat briefke was van de Baljuwin. Ik moet naar het banket. Dat met de toog berust op een misbegrip. Gij hebt hem terug in de spinde opgeborgen? Danke. Het spijt mij voor hem, want de Baljuw weet het woord festijn in daad om te zetten. Het schijnt echter, dat ìk, Benedict Poncke, de genoodigde ben. Het zal láát worden, Katrijne. Dub niet op mij. Ik steek den sloter bij bij. Goênavond, en goênnacht, Katrijne.

Pastoor Poncke drukte den tik over de tonsuur, verzekerde zich van zijn gaanstok met elpenen bol, en verliet de pastorij. Amper had hij in de Baljuwhuizing de bel doen galmen of een der Baljuwsche huisdienaren opende hem. Hij trad binnen, duwde den goudgetresden dienaar zijn tik en stok in de handen:

— Ik vertrouw mijnen tik aan uw hoede toe. Veronachtzaam hem niet. Bedenk, dat ik er slechts één bezit. Het eendere geldt mijnen gaanstok, een erfstuk. Ge kunt mij aandienen.

Pastoor Poncke doorschreed met den lakei de gothiek gewelfde hal. Aan de deur der feestzaal, waarachter het roezelde van stemmen, hield hij den man terug:

— Veroorloof mij een profijtelijk snuifke, mijn vriend? Mag ik er u eentje aanbieden? Werkzame rappé. Gij snuift niet? Men kan eraan verslaafd raken. Evenwel niet ìk, mijn brave. Meld mij thans.

De dienaar riep effen Pastoor Poncke’s naam in de feestzaal. Pastoor Poncke overtrad den drempel. De vleugeldeuren gingen gedruischloos dicht. Het licht der kaarsluchters verblindde hem. Gelijk couleurige vlekken schouwde hij de geparuikte hoofden en de aangezichten der aan den blinkend witten disch geschaarde gasten. Een hitte sloog over hem. Hij wreef met zijn neusdoek over zijn hooggewelfd voorhoofd. En hij niesde plots.

— Héé, hééje…!, verwonderde hij zich. — Wanneer het licht van vier kaarsluchters u niezing veroorzaakt na een snuifke, hoe zal dan bij Ons-Heer in den hemel geniesd worden! Ah, mijn Vriend. Proficiat met Me-Vrouwe. Ah, Me-Vrouwe, proficiat met mijn Vriend.

Welgemeend preste hij beurtelings de hand van den Baljuw en der Baljuwin.

— Vrienden, wuifde hij naar de overige gasten, — zit waar gij gezeten zijt en proficiat met Me-Vrouwe en mijn Vriend. Danke, Me-Vrouwe. Gij bewaardet voor mij een hoofdzate? Neen, zwijg. Een misbegrip kan elkendeen overkomen. Welk een schittering van licht, mijn Vriend. Het overstelpte mij. Indien men van de duisternis van de straat ineenen hier staat, nietwaar?

— De Magistratuur, eerwaarde Poncke, zal eerstdaags besluiten de straten der stede van lantaarnen te voorzien…

Héé, waarom, mijn Vriend? Zulks zou volgens mijne inzichten zeer dwaas wezen. Want nietwaar: ordentelijke menschen toeven des avonds binnenshuis en waartoe de stede-straten te verlichten louter voor dieven en nachtbrakers? Ha, de hoofdzate alléén voor mij? Honni soit qui mal y pense. Immer uw dienaar, Me-Vrouwe, mijn Vriend!

De Baljuw geleidde de ruiselende Baljuwin ter hunne zeteling.

De Baljuwin had heur getooid met een kleed van rose brocaat. Heure ongepoederde goudblonde haren waren gevat in een hoog frisuur op zijn Fransch, en zij mocht bogen op een natuurlijken wangenblos en met recht mijde zijn voor blanketsel. Haar groote lazuren oogen tintelden en men roemde haar de schoonste vrouw van Damme en contrei. De Baljuw was zijn aldaagsche scharlaken dracht trouw gebleven. Op zijn teeken wierden door de rosbruin gelivreide tafelknechten de festijngerechten aangedragen — eersten een mild hanesoepke plus een bottelke witte wijn.

— Laat, mijn vriend, zegde Pastoor Poncke den hem bestellenden dischknecht, — den wijn pleeg ik volledig eigenhands te beheeren.

— Vrienden!, richtte hij zich tot de feestgenooten, — veroorloof mij, dat ik vóórbidde. Elk festijn behoeft de benedictie van boven. En hij bàd voor, zwijgend — wijl God de stilte der gedachten gunstiger gezind is dan het luid woord.

— Vrienden altemaal, rijk bekome het u. Ik beken u grif, bereids ter pastorij gegeten te hebben, maar ik ben slechts een arm man, en wat rest er anders op de wereld voor een arm man lijk ik dan zich zoo goed mogelijk den buik te verzadigen?

Met deze uiting schonk Pastoor Poncke zich de bokaal vol, nipte, en keurde, en knikte tevreden.

— Een bisschopwijnken!, mompelde hij, zich nu bevlijtigend met de teljoor.

Al spijzend, reisde zijn blik, vlijm monsterend, van gast naar gast. Links van hem, ter dischlengte, praalde de Apotheker Spiessens gelijk een wuft saletjonker in weekblauwen rok en zilverbloemig vest. Zijn jabot stond stijf uit en hij had last met de overlange mouwlubben voor ìndooping te vrijwaren. Zijn paruik was melkwit en Pastoor Poncke vermeende bijkans, dat hij de stuifselkes eruit regenen zag bij elke diepere nijging van het hoofd. Zijne kaken had de Apotheker rood opgelegd en hij geurde zoowaarlijk een ijdeltuitig aroom uit. Nevens den Apotheker lurpte ruchtig de Eerste Schepene Alexander Fonteyne. Diens maanrond aangezicht blonk van roodheid en breed loech hij over den disch de Baljuwin toe. Rok en hooze en borstdas waren hem rouwzwart. Het dik blauwzwarte koddeke van zijn paruik glom van de pommade.

Ter rechter tafellengte maaltijdden de Notaris Vercuyck, in bruinfluweelen rok en Mijn-Heer Koeckaert, de Stadsschrijver, in kervelgroen. De Notaris at zuinig, spijts zijne spilligheid en zijn onderlip hing lijk in eeuwig misprijzen omneer. Hij dronk water instee van wijn. Mijn-Heer Koeckaert, eenigszins zwaarlijvig, gichelde tusschen twee lepelingen in alsof hij zich entwat drolligs geheugde, doch kruiste zijn blik dezen van den Baljuw, dat stak hij, schichtig, den lepel in den mond, verslikte zich, rocht in gekuch en bezigde nerveus zijn servet. Alle genoodigden waren jonkgezellen en herberg-kompanen van den Baljuw in de jaren voor diens laat huwlijk.

Terwijl de tweede gang aanrukte — gestoofde blokskens ossetong in wijnsaus met amandelen —, gebaarde Mijn-Heer Spiessens, rijzend, om aandacht en stilte, redevoerde op Baljuwin en Baljuw, en loosde ontallige aan Voltaire ontkaapte zinsneden over de tijdelijkheid van het aardsche met als slot het zwarte einde: de dood —, loofde, naar aanleiding van deze argumenten, het leven en gewaagde ervan, hoe de Baljuw, getuige het onderhavige festijn, het sublijme bedied van het carpe diem1 1 Pluk den dag. te doorpeilen wist. Hij onderlijnde zijne beweringen met spitse gestes en zijn stem snerpte.

Hij oogstte bijval, frutselde bescheiden aan zijne mouwlubben en loerde scheeflings een luttel uittartend naar Pastoor Poncke, wien de blokskes ossetong mondden en groote lust bekroop den zoojuist bij hem neergezetten rooden frontignac te smaken. Hij kon aan het laatste geen weerstand bieden en dronk. Hij achtte den wijn aangenaam te musqueeren en mijmde de bevinding naar den overzijdschen Baljuw. Hij prikte de teerlingskes tong aan zijn zilveren vorket en nam geen deel aan de losgesprongen dischgesprekken. De wijsheid, peinsde hij, het gekebbel der stemmen beluisterend, waar boven uit de stem der Baljuwin wèlluidde, heeft nimmer haast. Zij beidt haar door God gestelden tijd. Zij is de laatste, die heur roert, vermits de laatsten de eersten zijn.

Gang na gang werd op het damast bezorgd: reepkens reebout, gefarceerde haas, pastei van duif, visch, eendvogel — alles verzeld van weer andersoortige wijnen, doch nooit medocwijn, die de kenners terecht als fluts versmaden.

En de Eerste Schepene Fonteyne sprak, kort en aemechtig. En de Notaris Vercuyck, droog en deftig. En Mijn-Heer Koeckaert, haperend en benard zweetend en eindeloos en onsamenhangend. En als Pastoor Poncke naderhand nog geen woord uitte, dankte de Baljuw de sprekers, en loenschend naar Pastoor Poncke lispelde Mijn-Heer Spiessens den Schepene Fonteyne entwat van lompe onmanierlijkheid in het oor, waarop de Schepene minzaam loech en hem bescheidde met een: — Gij zijt zot van zoo te denken, Mijn-Heer Spiessens

Fruiten verschenen: guldelingen, reinetten, mei-zoeten, maagden, napolitanen, krieken, druiven, mandarijnkens.

Mijn-Heer Vercuyck, de doorzichtige hand begeerig uitstrekkend naar den fermsten sappigen peer en hem áánvattend, ontslipte de vrucht, zoodat zij ter vloere gerold ware, hadde niet een toeschietende dienaar haar in den val opgevangen. Hij was zinnens Mijn-Heer Vercuyck den peer te herreiken als Pastoor Poncke schielijk onderschepte en hem in den palm bekwam, en zeggend:

— Héé, hoe zelfs de onbezielde dingen den dood duchten en hem te ontvlieden pogen.

De disch lachte, behoudens Mijn-Heer Vercuyck, die, na de schrale brauwen lichtkens te hebben gefronst, effen speurde naar een anderen buit.

Klaterend lachte de Baljuwin, schier melodieerend. En zong van den weerslag harer stem ievers het kristal?

Pastoor Poncke spoelde de stukskes peer door den gorgel met pittigen chartreuse, en pelde zuinig een mandarijnken.

Mijn-Heer Spiessens schimpte op de Jesuïeten met hunne onderduimsche praktijken en besloot:

— …Meent gij niet met mij, Eerwaarde, dat zij de schandvlekken zijn der Kerk?

— Ik koester geenerlei meening hieromtrent, Mijn-Heer Spiessens. Het is te zeggen: gij hebt goede en kwade onder het Gezelschap. Doch ieder Jesuïet, geloof mij, is een geleerde van belang. Ik geef toe, dat zij misschien tè geletterd zijn. Veel weten verduistert Gods gestalte aan het inwendig oog — dewijl veel weten in waarheid is, Mijn-Heer Spiessens,niemendal weten. Wie gelóóft durft te biechten nìets te weten. Zeggen véél of àlles te weten, gelijk de Jesuïeten, is bekennen ganschelijk onwetend te zijn. Derhalve zijn zij blinkende geloovers en blinkende weters en is er op hen geen aanmerking te maken. Men is nooit te geletterd en nooit te geloovig, Mijn-Heer…

— Ik versta u kwalijk

— Ik mìj eveneens, Mijn-Heer Spiessens. Toch sprak ik waarheid. De waarheid staat immers omneveld.

— Gij hebt, lijk de Jesuïeten, acht ik, alle boeken in het brein, hekelde de Apotheker. — Boeken verwarren het. De waarheid is hel lijk dauw. Ik lees alleen Voltaire en diens discipelen.

— Tja, waarom zoudt gij Voltaire niet lezen, edoch… Neen, ik heb niet alle boeken in het brein. Waar’ zulks het geval, gij zoudt op deze zate Poncke niet schouwen, maar een foliant. Overigens: Nullus amicus magis liberat, quam liber.1 1 Geen vriend schenkt mij grooter vermaak dan de boeken het mij doen. Ei, welk een schoone taart!

Een roomtaart gelijk een toren wierd op tafel geplaatst en aangesneden.

— Ha, mijn vriend!, wendde Pastoor Poncke zich tot den dienaar, die hem op een wenk van den Baljuw den voorrank schonk der afname, — ha, ik prefereer dìt stuk en ik ben u erkentelijk. Pastoor Poncke had het grootste stuk uitverkoren en dreelde het met de oogen en teugde een slokske fellen Rijnschen.

Mijn-Heer Spiessens, wraakzuchtig, fluisterde vinnig:

— Maar Eerwaarde, gij bezoedelt de gunst van den voorrang door u het machtigst part toe te eigenen!

— Gij zegt? O!… Hoè had ik ànders moeten handelen, MijnHeer Spiessens?

— Het kleinste part prefereeren, zegt mij mijn geweten… Lucullus stierf aan gulzigheid…

— Mocht mijn lot dit van uw Lucullus worden, och ja, zorg gij dan, bid ik u, voor Katrijne… Maar… wat hebt gìj op uw schaalke, Mijn-Heer?

— Het geringste.

— Héé, wat laakt gij mìj dan? Gij hebt toch uw goesting geoogst, Mijn-Heer Spiessens?

De Apotheker neep de lippen tegaar.

Pastoor Poncke ging overeind staan.

Silentium, mijne Vrienden!, vergde hij.

De disch verstilde.

— Mijn Vriend en Vriendin! Mijne Vrienden! Den heiligen Augustinus gedachtig, die zegde, dat evenzeer als men nauwkeurig acht geeft op de spijzen, welke men gebruiken wil, men overwegen moet wat men uiten zal, alvòrens men spreekt, taal ik eerst thans.

Me-Vrouwe Baljuwin, niet genoegzaam valt in u de schranderheid te roemen, dat gij uwen naamdag viert op den huidigen dag… na den grootsen Vasten. Bloeiend, Me-Vrouwe, zijt gij nevens uw aanmerkelijk ouderen gemaal, aangezeten. Ik zeg „ouderen” — en ik vergis mij. Want de minne des huwelijks cijfert niet met jaren, doch met Eeuwigheden, nietwaar?

— Eeuwigheden, smaalde Mijn-Heer Spiessens,Voltaire zegt…

Mijn-Heer Spiessens, gij stremt mijn betoog — ik duid u dit niet te kwade. Totterboord zijt gij vol van Voltaire — en kent hem nochtans pooverlijk… Ik weet wel: neque enim disputari sine reprehensione potest.1 1 Zonder tegenspraak is alle discussie onmogelijk.

De Apotheker veerde strak, wilde opstuiven.

— Niet gìj, ìk voer het woord, Mijn-Heer Spiessens, bidde ik u. Uw Voltaire — weet gij, dat ik hem eerbiedig? Is hìj niet een man van moed, vermits hij veelal ratelt met de eigen tong, wat van menige encyclopedist niet kan verklaard worden? En leefde er ooit ter wereld een zoo onvervaard verdediger van Gods Bestaan?

— Daarom verkondigt hij God als een maaksel van de kleine menschen… God is hem een couleurige zeepbel — een ruklings zuchtje en zij spat uit elkander. Wat gìj, Baljuw?, zocht de Apotheker steun.

— Mijn-Heer Pastoor is de spreker, Mijn-Heer Spiessens!

De Apotheker dook het hoofd in de schouders, zweeg opstandig. — …Nergens ter wereld zulk een onvervaard strijder voor God als Voltaire, herhaal ik, sprak Pastoor Poncke. — Hij besteedde er zijn heele leven aan. Hij worstelde lijk Michaël ervoor. Ah, welk een vechter, deze Voltaire, welk een soldaat Gods!

Poncke raaskalt, denkt ge, nietwaar, mijne Vrienden? Maar ik vraag u in gemoede: kan men entwat bevechten, dat er niet ìs? : God is voor de mallooten!, schreeuwt Voltaire. Ik zeg: Gewis, Monsieur.: God is voor de priesters! : Gewis, Monsieur. : God is voor de armen, die niets anders bezitten! : Gewis, Monsieur. : God is voor de vorsten, die hem leep en tot eigen profijt het volk voortroeven; : Gewis, Monsieur. : God is voor onmondige kinderen! : Gewis, Monsieur. : God is voor de apothekers, die de onmacht hunner poederkens achter Hem versteken! : Gewis, Monsieur.

Ha, tot in het oneindige kan ik alzoo voortvaren. Maar altijd IS God blijkens Voltaire. God IS. En zoudt gij alsdan de Eeuwigheid loochenen, Mijn-Heer Spiessens? Hee, alsof ik de Eeuwigheid niet zelve geconstateerd heb!

Pastoor Poncke bevochtigde de lippen met den wijn, hernam:

Mijn-Heeren en Me-Vrouwe, Vrienden altemaal: in het feitelijke stelde ik de Eeuwigheid vast. Eenige jaren her, het is u niet onbekend, rekende ik mij tot de leden van het schuttersgild van Sint Joris. Ik schoot, vlei ik mij, niet onkwalijk. Twee werven leverde ik het Koningsschot, vleerde de bonte hooggaai van den staak, wierd ik Koning uitgeroepen. Boog en beide tropheeën merkt ge nog ter pastorij, op mijne slaapkamer.

Mijne Vrienden! Tentare licet.1 1 Beproeven is geoorloofd. Met boog en pijl gewapend, beklom ik, eenen windeloozen dinkelenden zomerdag, de wenteltrap der Lieve-Vrouwe tot aan den oppersten trans. Ik legde — mijn boog is van de zwaarste uit — den pijl aan de pees, deed den romp halveling achterwaarts en zijlings over hellen, daarbij de zolen schorend —, spànde uit alle kracht, zoodat het pijltopende het hout midboogs taakte, bemikte het hart des hemels, loste — en de pijl ijlde straal en zoevend de ruimte door. Mijn blik hield hem beet in zijnen stouten tocht, verspeelde hem op een moment.

Ik kèn de vluchtwijze der pijlen in steile baan en heb inzicht op afstandelijkheden. De steil afgeschotenen wijken steeds uit de recht linie, kantelen per slot — om ter aarde te suizen in vrijwel gelijkelijke on-rechte lijn. Hunne stee van neerkomst vermeet ik mij tamelijk pront te kunnen beramen. Dies wist ik mijn pijl in zijnen val met het oog te zullen grijpen: zij zoude mij niet ontkomen. Ik beidde, daar op de Lieve-Vrouwe, de verdere gebeurlijkheid zoo gerust lijk een behorste rots der arend, de hand in scherm boven de wimpers. Maar geen pijl streepte mij in het vizier, zoo gezegd. Géén pijl, mijne vrienden! Ongemak ging aan het wroetelen, verzeker ik u. Mijn pijl verbrak de wetten van haar vlucht! Zij keerde nìet! Of faalde mijn blik? Ik kon zulks niet aanvaarden. Ik ging de afschieting na bij mij-zelve, ik moest waarachtig bevinden, dat ik de pees nimmer zóó wijd uitgetrokken had. Ik moest gaan bevinden, eene bovenmenschelijke daad te hebben verricht: mijn schicht had gespot met den aether: het vermogen der lucht, pressie uit te oefenen op het ding; hij doorboorde het Al, hij stéég, gestuwd door de onnoemelijke vaart, welke mensch en wapen hem in-zond. Hij zoude nóóit ofte nìmmer wederkeeren!

Vrienden, dit besef deed mij zwijmelen… Gelijk een tastbare boodschap van de aarde der menschen zou mijn pijl hemel en God-zelve bereiken. Sic itur ad astra.1 1 Aldus stijgt men naar de sterren.

Maar nòg beidde ik.

Twee stonden aaneen spiedde ik den hemel af op het geschatte punt. Géén streepke, géén pijl! Nooit was ik bewogener in het hart, nooit gelukkiger. Ik weet niet meer, hoe ik uit den toren in de pastorij ben beland.

Edoch, Benedictus Poncke is een voorzichtig man, zoo voorzichtig gelijk de tegenwoordige paus van Rome met een mirakel. Tien dagen lang vroeg ik ieder kind, van bemel tot bengel: hebt gij, of één uwer, ongeveer dáár en dáár een pijl gevonden? Neen? Welaan, deze stuiver wordt de uwe, wanneer gij den pijl te ontdekken weet en hem mij op de pastorij brengt.

Mijne goede Vrienden: niet één der kinderen kwam mij het begeerde bieden! Ik wist voorgoed: dàt is de Eeuwigheid: een pijl ten hemel schieten, die geen aardsch oog meer waarnemen zal. Wie uwer twijfelt er thans nog aan de Eeuwigheid?, besloot Pastoor Poncke triomfant.

— Uw pijl, eerwaarde, keft voorzichtig Mijn-Heer Spiessens ertusschen, — wie vertelt u, dat hij tòch niet is gevonden, door iemand anders, man of vrouw…

— Man of vrouw had haar mij onverwijld doen geworden, want elk mijner pijlen voert als afschrift mijn naam! (Er waarde almeteens iets van droefenis in zijn stem en gelaatsuitdrukking)

— Of waart gìj wellicht de vinder… ?

Men lachte.

Gelijk een lied loech de Baljuwin.

— Uw bescheid, Mijn-Heer Spiessens… ?, baste de Baljuw.

De Apotheker schokte met de schouders, monkelde zuur.

— Welnu dan!, zegevierde Pastoor Poncke. — Waarom làcht ge, mijne Vrienden? Er valt niemendal te belachten. Belacht men het Eeuwige? Moet ik vóórtspreken?

Stilte keerde.

— Wie de ruimte van het Heelal verstaat, verstaat God — gij ziet er geen spoor van een rif aan, nietwaar? En nu pleegt Poncke gemeenlijk eerder te gelooven in wat hij nìet schouwt, dan in hetgeen hij wèl schouwt, weet ge! Wijden wij een dronk aan de goddelijke Eeuwigheid! — Ad fundum!1 1 letterlijk: tot den bodem; gezondheidswensch.

Hij zette zijn roomer neder.

Zijn stem klom plots:

— Eeuwigheid. Ik wierd haar gewaar buìten mij-zelf, gelijk ik u aantoonde. Ik had haar tevens altijd waargenomen ìn mij. Juist zóó, gelijk de zuivere wederzijdsche minne van man en vrouw haar ervaart —; gelijk gìj, Baljuw en Baljuwin, haar ervoert sinds het mij was beschoren uwe echtverbintenis uit Gods heiligen Naam te bezegelen. En zoudt gìj, mijn Baljuw, dan vermogen te sterven zònder God? Enkellijk de satan beeldt zich zulks in — niet gìj. Neen, niet gìj.

Ha, hoe gij gebeiden fleurt! De Eeuwigheid wischte den tijd en schept jeugd. Naar ziel en hart zijt gij, mijn Vriend, permintelijk zoo pril gelijk uw gade. Ziehier het ontzaggelijk mirakel der minne, die Eeuwigheid is. Een dronk op deze minne, mijne Vrienden!

Danke. Zegde ik zooseffens niet, dat ik de Eeuwigheid méde binnen in mij te heemen weet? En het is evenééns uit minneoorzaak: de minne van mijn wezen tot God.

Ook deze minne verjeugdigt den minnaar. Bezichtig mij terdege, bidde ik u. Gelijk ik hier vóór u rijs met mijne zestig jaren…

Mijn-Heer Vercuyck schraapte schrikkelijk de keel:

Verschooning. Mijn memorie raadplegend, herinner ik mij, dat vóór een groot jaar gij mij reeds verhaaldet zestig jaren te torsen

— Héé, Mijn-Heer Vercuyck, ik ontstrijd u dit niet. Maar een man is een man en woord is een woord. Hoe zoudt ge wel over mij peinzen, wanneer ik thans solemneel verklaarde één God te erkennen en u over een jaar zegde er negen op na te houden… ?

— Eh…, pareerde de Notaris flauw.

— Nietwáár?, vond Pastoor PonckeSilentium, alstubelieft, mijne Vrienden! Gelijk ik vóór u rijs met mijne zestig jaren, heb ik sedert vijftien jaren geen speldekop ingeboet aan peeskracht. Zulks wierd mij helder een week verleên. Gij allen kent den meteoriet, welken ik benut teneinde mijn rij-dier vlotter te bestijgen. Welnu: vijftien jaren weêrom poogde ik den steen van den bodem te lichten — zònder resultaat. Gepasseerde week trachtte ik het van her — zònder resultaat! Gij begrijpt, hoe content ik was!

Pastoor Poncke zweeg, monkelde zelfgenoegzaam.

— Ha, ik zie, en hoor, dat gij er even content over zijt als ik. Vriendschap veropenlijkt zich in innig mede-leven met den Vriend. Wijden wij een klinkdronk op mijne overwoestbare jeugdigheid. Danke, Vrienden. Ik heb gezegd. Amen. Permitteer mij de weelde.

Pastoor Poncke priseerde, hield in. Zijn blik haakte aan den roomer van Mijn-Heer Vercuyck.

— Ei, waarde Notarius, welk is het vocht, dat uw beker bevat? Water? Wàter? Bevèstigdet gij mijn bevroeden niet, met geen mogelijkheid geloofde ik het.

Mijn-Heer Vercuyck kuchte eenige malen gewichtig.

— Mijn gestel…, ving hij aan.

— Tja, uw gestel. Meen niet, dat gij het bevordert door den wijn te verwerpen.

— Water is de beste der dranken…

— bij ontstentenis van den wijn. Voorzeker. Maar weet gij wat water in werkelijkheid is, Notarius?

— Water is… eh, water is…

— …de oervorm van den wijn, vulde Pastoor Poncke rad aan. — Wijn is water in zijne edelste positie. Denk op de bruiloft in Cana! Daar veranderde Jezus water in wijn. Zoude Hij er ooit aan gedacht hebben, het andersomme te bewrochten? Hoordet gij in uw leven, dat men water drinkt waar er wijn aanwezig is? Doch men drinke — ik hamerde er dozijnen werven op van den kansel —, men drinke met mate, dat spréékt. Welk een baat oogst een diepkranke somtemets door louter een bevochtiging van de lippen met een luttel wijns. Wijn kan men heeten: de essence van aarde, water en zon — een drie-eenheid, gelijk gij bemerkt, een tresoor ons door den Heer-God vanuit Zijne onmetelijke Liefde gespild. Den wijn verachten, Notarius, is eenigszins een ketterije, gij ziet het in, nietwaar? Ja, mijn inzicht is zoo eenvoudig lijk de oplossing van het raadsel: waarom een cirkel rond is! Héé, gij zijt met de oplossing ervan niet op de hoogte? Ook gìj niet, Mijn-Heer Spiessens? En gìj niet, Mijn-Heer Fonteyne? En gìj niet, Baljuw? En gìj niet, Me-Vrouwe? En gìj evenmin, Mijn-Heer Koeckaert? Héé, dan zal ìk het u zeggen. Een cirkel is rond, dewijl de Heere-God de maan niet vierkant wilde hebben. Ach, Vrienden, zijt gij filosofen, die een schamelen lach over entwat, door u niet op stond bevat, niet breidelen kunt!, laakte Pastoor Poncke zijne dischgezellen. — Neem exempel aan mijn Vriend den Baljuw. Hìj schouwt ’tgeen gìj nìet schouwt — dat wat ik noem: de boven-logica. Hìj lacht niet op een mispel en een mot.

Voltaire…, kwam de Apotheker.

— Waarom bestendig uw Voltaire? Waarlijk er zijn nog andere wijzen. Bijvoorbeeld: Luther, de wijnprijzer.

— Gij noemt een afvalligen Augustijner wijs?, beet de Apotheker gretig.

Zéér wijs, knikte Pastoor Poncke, snuivend. — Een man van wijsheid, geloof en moed…

— …en daarom door de kerk ge-banvloekt!, speelde de Apotheker victorieus uit.

— Wìjs, ging Pastoor Poncke onverstoorbaar verder, — waar hij de Kerk op haar feilen wees, die inderdaad bestonden in dien tijde. Gelóóf, waar hij in de spraak zijns lands de bijbelboeken overzette. Moed, èn wijsheid èn geloof, waar hij, alle gramte braveerend, zijne vijf en negentig stellingen tegen den aflaatsjacher op de kerkdeur binnen Wittenberg kleefde en later de grooten binnen Worms onder de oogen trad. Had ik ten dien tijde geademd, ik had nevens hem willen staan voor keizer en prelaten — want hij taalde vanuit het heilig Recht. Het spijtigst acht ik: het onbegrip der Kerk jegens Martijn, die aanvankelijk geen ontrouw beoogde. De Kerk heeft dit naderhand betreurd. ’Laas, God heeft gewild, dat er scheiding ontstond. Zijn wil geschiedde.

Mijne Vrienden: ik droom mij een tijd, dat de kerstenheid voor eeuwig overkoepeld zal zijn. Ha, wat zeg ik: zij ìs reeds bereids. De koepel heet: God! En dáárom is alles goed, en dáárom zal alles beter worden.

Pastoor Poncke was allengskens in vuur geraakt. Verstomd zijnde, verschoot hij een beetje van den eigen brand, streek met den rug van de linkerhand langs de oogen en zegde:

— Héé, wie spràk daar?: Ik? Homo sum et nihil humani a me alienum puto…1 1 Ik ben een mensch en niets menschelijks is mij vreemd.

Het was een der zwakste momenten in Pastoor Poncke’s leven en misschien tegelijkertijd een zijner sterkste.

Niemand loech om zijne laatste uiting.

Mijn-Heer Spiessens verschoof in ongemak op zijn stoel. Schepene Fonteyne goot, in één geut, de rest in zijn roomer door de keel. Mijn-Heer Vercuyck’s onderlip ging dieper omlaag en zijn mager egaal aangezicht leek nog egaler. Mijn-Heer Koeckaert betuurde zijne spitse vingertoppen. De lazuren oogen der Baljuwin blikten uiterst zacht naar Pastoor Poncke.

Onwillekeurig hard, zegde de Baljuw haar:

— Me-lieve, ge zijt ons nog steeds een muzijkstuk op het clavecijn schuldig!

De Baljuwin ruischte naar het clave-cimbel, preludeerde en deed een romance broos klinken door de zaalruimte. De zoetheid ervan drukte Mijn-Heer Koeckaert, den Stadsschrijver, op de oogschelpen. Hij sloot ze, scheen met gewiegde ziel in te sluimeren. Schepene Fonteyne verkeerde in meer waakzamere verrukking en slaakte bij tusschenpoozen gedempt een bewonderend: — Hà, dat is schoon… Ha!

Mijn-Heer Spiessens had entwat van een muis in scherpe luistering, terwijl Mijn-Heer Vercuyck zijne kaken nog holler in-zoog dan zij reeds van nature waren.

De Baljuw blikte fier den disch over en bewoog, tusschen beide voorste vingers, speels bij den rilden voet zijn wijnkelk in schuifdraaiïng op het ammelaken.

Matelijk schommelde Pastoor Poncke met het hoofd overent weder en hij had voorloopig geen gedachten.

Het laatste accoord der romance verzinderde.

Efkes waarde er stilte.

Dan klapte de Eerste Schepene Fonteyne bezeten in de handen en de anderen applaudiseerden met hem. Den Stadsschrijver ging het hoofd met een ruk achterover. Hij sperde verwilderd de oogen en klapte opeenen het luidelijkste van al mede. Rijzend zegde Pastoor Poncke:

— Mevrouw, schóón vermeen ik de vooiskens van roomers, lepels, vorketten en telooren, maar ook dìt was waarachtiglijk schoon. Ik dank u en drink op uwe komst, Me-Vrouwe.

— Bis! Bis!, kreet de Schepene Fonteyne.

De Baljuwin neeg hoofsch van haar clavecijnkrukske, wendde heur van her naar de toetsenreeks en tooverde een rappe gavotte. Als zij eindigde opper Mijn-Heer Fonteyne:

— Mijn leeden zijn los en lijk dansree geworden…, indien wij den Beer eens…

Patiëntie, Schepene! Alles op zijn tijd! Uw bokaal staat al een halve stonde ijdel, verwittigde de Baljuw hem.

De Schepene spoedde zich in te schenken.

Ondertusschen had de Baljuwin weder ten disch plaats genomen. De Stadsschrijver dommelde een beetje, schrok op buiten eigenlijke reden, spande zich in waak te blijven, mengde zich overnaarstig in de gesprekken omtrent dingen van politieken aard, nieuwstijdingen en wat dies meer zij.

— Ik hoorde deez’ morgen, wist hij te berichten, — dat in de Abdij van Maldeghem, in de Kapel nota bene de bliksem is ingeslagen.

— Slachtoffers…?, vraagde men hem.

De Stadsschrijver ontkende.

— Natuurlijk, beaamde Pastoor Poncke. — En het is een groot geluk, dat het vuur juist in de Kapel viel en niet in den refter, anders had er aanzienlijk doodsrouw geheerscht op de Abdij! Maar wat voert gìj uit, Notarius?

— Drinken, antwoordde de Notaris, die tersluiks zijn waterkelk met wijn had gevuld met de hem meest nabije bottel — deze van Poncke.

— Ha-maar…!, uitte Pastoor Poncke.

De Notaris ledigde den kelk gezapig tot op de nagelproef, zegde dan droog:

— Gij wònt het pleit, dat is al.

— Danke, zegde Poncke. — Ge hadt echter het mij toegemeten deel met vree kunnen laten. Vriend (Pastoor Poncke wendde zich tot een dischdienaar), een bottelken voor mij en een bottelken voor Mijn-Heer Vercuyck. Spáánschen, verstaat gij? En, Notarius, niet ìk won het pleit, doch, let wel, de wijn. Vrienden, hoog de bokalen! Vivat Leve. den Notarius! Fluks zullen uwe wangen zich rooden, mijn Vriend!

— Vivat den Notarius!!, rumoerden de vierders.

— Nu den Beer gedaan!, wilde Mijn-Heer Fonteyne.

— Ja, den Beer! Den Beer!!, joelde men. — Me-Vrouwe de Baljuwin spele!… Kom, Eerwaarde.

— ’Laas, sprak Poncke. — Non licet. Voor mij niet geoorloofd. Mijne likdorens…

— Likdoornkes…!, smaalde de Apotheker. — Wilt gij spelbreker zijn?

— Likdoornkes…!, zegde Pastoor Poncke den Apotheker na.

— Likdoornkes… zoo peinst gìj erover, Mijn-Heer Spiessens, gij, een halve Doctoor. Maar wat kennen Apothekers en Esculapen van dat soortement van kwelknobbelkens — louter het physische, niet het psychische. En dan de mìjne! Hun psychische kant is kràchtig. Ze zijn geen gewone kwelknobbelkes, de mijne. Benaam ze hel-knobbelkes en ge zijt er dicht bij. Eéniegelijk heeft zijn schutsengel en zijn kwelduivel. Mijn schutsengel is mij diep genegen: hij staat mijnen kwelduivel niet toe, verder aan mij te tornen dan het domein mijner buitenwaartsche teenen — de kleine bijaldien. Maar de duivel houdt er danig huis, geloof mij. Och, ik laat hem betijen en kners aleens, wanneer hij zijne luimen het verbetenst botviert. Ha, maar hij kan aan mijne ziel niet taken. En het brevieren pleeg ik, tot zijne onmachtige woede, op mijnen Socrates

— Waarom benaamt gij uwen ezel „Socrates”?, zong de stem der Baljuwin.

— Gij weet toch wel, Me-Vrouwe, dat hij niet gedoopt is?, gispte Pastoor Poncke haar licht.

Verschooning, sprak Mijn-Heer Vercuyck,betaamde het u niet eerder te paard te rijden?

— Om welke reden, Notarius?

— Uit oorzaak van deemoed, dunkt het mij. — Acht gij den Heere Jezus niet uw meerdere? Ik geheug mij, dat Christus op een ezelke naar Jerusalem reed en er Zijnen intocht maakte.

— Héé, mijn Vriend! Wie verluidt u, dat ik, poovere knecht des Heeren, naar Jerusalem ben gereden of rijden zal? Brugge is steeds mijn verst afgelegen wit geweest en zal het blijven.

— Den Beer!!, eischte de Schepene Fonteyne ongeduldig.

— Me-Vroùwe, boog de Baljuw.

De Baljuwin schreed naar het instrument.

— …en de Eerwaardige Poncke — zwijg, Mijn-Heer Spiessens! —, heeft genoegzaam beweegredenen aangevoerd om vrij te wezen van dans, vervolgde de Baljuw. — Den Beer gevormd, kompanen!

En de mannen stelden zich achter elkander op en elk legde de handen op de schouders van zijnen voorman met als leidbeer de Baljuw. Met logge beerstappen rochten zij in gang rond den disch. Het clavecijn klinkelde onder de rilde vingeren der blonde Baljuwin. En vanaf zijne zate dodeinde Pastoor Poncke met het hoofd op de trage liedcadans.

Er was eens een beer lijk een huis.
Hij verschoot lijk de kat van een muis.
En hij rende in één ruk,
En dit was zijn geluk,
De mijlen van Brugge naar Sluys.
Beer! Beerken!
Och-arme…

Hij zeeg neer, in den nacht, op een plein.
Daar vond hem een vrome bagijn.
Heur hart wierd lijk pap.
Zij schonk hem heur nap
En knoopte om zijn halske een lijn.
Beer! Beerken!
Och-arme…

Al zwaarder dreunden de voeten der dansers op de eikene vloerkareelen. De geestig wippende paruik van den Apotheker, die de laatste was in de root, ontwolkte zichtbaar het poeder. Hij zong, de Apotheker, vrouwelijk schel. Zwaar mannelijk zong de Baljuw, wien de zware buik trilde en schudde.

Zij bracht hem heur hoveken in.
Gold zulks niet een blijzaam begin?
Zij kriepte content:
Wèlgekomen, mijn vent!
Ai, wat hebt gij een haar aan uw kin…
Beer! Beerken!
Och-arme…

De beren dansten.

Rusteloos.

Schepene Fonteyne zijne tronie zag kreeftrood en glinsterde van het zweet en zijn paruik schoof weerbarstig op één oor.

Ze vlijde hem pront in haar polk.
Hij snorkte er zoo luid lijk een kolk.
Bagijn hoorde ernaar:
Meende: Ei, dat vaart raar
Met dat heilige paterkesvolk!
Beer! Beerken!
Och-arme…

Mijn-Heer Vercuyck’s stem had een geluid alsof er dik lijnwaad gescheurd wierd en hij lichtte de spitse knieën telkens tot op navelhoogte en zijn perkamenten aangezichtshuid behield den van oudschen plooi. De stadsschrijver stampte alsof hij entwat boosaardigs onder de hielen brijzelen wilde en hij zong met stooten en snakte naar adem.

De beer werd te midnacht heel waak.
Bagijn zat, schier dood van de vaak,
Aan ’t kozijn van heur raam,
Beî de handen te zaam,
En schichtte òp bij het minste gekraak…
Beer! Beerken!
Och-arme…

Ik eet, sprak de beer uit het bed,
Opdat ik mijn schamel lijf redd’,
U, bagijn, voor mijn maal,
Al kauwt het wat kaal
Op een vel en een been, en ònnet.
Beer! Beerken!
Och-arme…

— Geen krimp!, kommandeerde de Baljuw en hij wierp zich manhaftig op het zesde clauzeke:

De bagijn baarde een gil lijk een hoen
Sloeg een kruiske of zeventien toen
En vroeg dan om een dans:
’k Ben nog rijklijk wat mans
Met de zool op den vloer, zei ze koen.
Beer! Beerken!
Och-arme…

— Het leste!, schonk de Baljuw de allengs vermoeid rakende heeren in uitzicht. — En avant!!

— Ik… ik…, hijgde Mijn-Heer Koeckaert.

— Klaasvent!, schold de Baljuw in scherts. — Vooruit, Baljuwin!

En zij dansten een ronde tegaar.
Dansten duizend ronden tegaar.
Dansten jaren-aaneen.
Dansten eeuwen-aaneen,
En zijn nòg met dat dansen niet klaar!…
Beer! Beerken!
Och-arme…

Het lied had uit. De dansers hernamen hunne stee, kwamen weder overeind als de Baljuwin heur verafscheidde met een bevallige reverentie:

— Pardonneer mij, Heeren!

De Baljuw kuste haar op het voorhoofd:

— Goedennacht, Me-Lieve!

De Baljuwin verliet, ’lijk zwevend langs hare gasten, de feestzaal.

De Stadsschrijver knipperde zonderling met de oogen en hij volhardde het langdurigst in de gebogen houding.

— De perignon!, wekte de bevelende stem des Baljuws hem uit den ban der bewondering. — Heeren, ik bewaarde dezen voor dit uur.

— Vergeef mij, ik kan niet meer…, pufte de Stadsschrijver, zich het aangezicht bettende met een paarszijden neusdoek.

Trunten, zegde de Baljuw op raadhuistoon. — Champagnewijn verkwikt lijk geen andere wijnen. Zij is een bad voor ziel, geest en lichaam.

— Vergiffenis, ik zwijmel…, smeekte de Stadsschrijver.

— Een bàd, zeg ik, Mijn-Heer Koeckaert!, sprak de Baljuw gestreng. En de kurken knalden en de wijn van Champagne bruiste en perelde in de wijde bokalen.

Op den Béér!, vorderde de Baljuw. — Proost, Mijn-Heer Koeckaert! Verluidde ik het u niet: gij wordt gelijk een herborene. Spijt het u niet, dat gij buiten den Beer bleeft, Eerwaarde?

— Wanneer mijn kwelduivel mij niet teisterde, gewis, ik had den dans medegedaan, mijn Vriend, want, waar David, niet alleen Koning, maar tevens priester, danste vóór de Ark, weshalve zoude ik mij eraan onttrekken, nietwaar? Maar David zou voorzeker niet hebben gedanst, zoo hij mijne likdoorns rijk was geweest… ’Laas, kan ik niet lang meer toeven. Het is denkelijk diep over midnacht en Katrijne

— Ja, het zeggen gaat in Damme, prikte de Apotheker, — dat zij geen heilige is!

— Godlof, Mijn-Heer Spiessens: wie zoude er mij anderszins den kost koken en de pastorij kuischen?, beaamde Pastoor Poncke.

— Kunt gìj uwe huishouderesse ontberen, Mijn-Heer Spiessens?, vraagde de Schepene Fonteyne.

De Apotheker dook in elkaar. Gansch Damme wist, dat hij de zijne haatte met onmachtigen haat. Zij heette Eulalie, was van bijster struisch postuur, waarbij hij een dwergske geleek, wanneer zij hem des Zondags preste met hem te spanceeren.

— Misschien wil Pastoor Poncke haar met u ruilen voor Katrijne, opperde de Baljuw.

— Neen, zegde Pastoor Poncke goedig. — Eulalie moge entwat boosaardig zijn — men hecht aan het boosaardige, heeft men het dagelijks onder oogen. Ik ken daar duizend exempels van. Ikzelve vecht — niet in het handtastelijke, natuurlijk —, veelvuldig met mijn Katrijne over allerhand: de hoenders, Socrates, de eikes…, som op, ’tgeen ge wilt. En, Vrienden, gaat het u, oprecht gesproken, uitgeweerd onzen Baljuw, niet juist eender. Boos. Boozer. ’t Boost. ’t Riekt allegaar naar rozen met prikkels. Gister was mij Katrijne héél dul gezind, ik bevat niet waarom. Ik bekom tijdens mijne breviering een zwijnslever ten geschenke. Ge moet weten: ik ben verzot op lever van ’t zwijn; Katrijne kookt ze mij en ik verorber de spijze op brood met wat zout en zij berokkent mij nimmer een nachtmare. Mijn maag verteert excellent, weet ge! Ik bekom een halve zwijnslever en de goede vrouw, die mij haar aanbiedt, wil weten, hoe ik haar te eten pleeg. Ik verhaal het haar: — Ha-neen, Mijn-Heer Pastoor, zegt zij, — alzoo is hij niet het smakelijkst. Ik ken een recept, nog van mijn overgrootmoêr… wacht, ik zal het u opschrijven voor Katrijne! De goede vrouw schrijft het mij op, ik vouw het bladje in vieren, schik het zorgvuldig in mijn brevier en rijd huiswaarts. De ingewikkelde lever houd ik in de hand. Ik kom omtrent de pastorij en daar schiet een groote hond op mijn argeloosheid af, joèpt, ontkaapt mij de lekkernij en vlucht er vandoor. Ik roep: — Ho, ho, hier mijn lever weêrom! Ik roep om-niet. Dan kriebelt mij een lach. Ik lach — wie zoude niet lachen, want, héé, wat kan de hond met de zwijnslever aanvangen, daar het recept veilig in mijn brevier opgeborgen zit!… Ha, ha ha! Ik kom thuis en doe Katrijne relaas. Maar zìj làcht niet, néén. Zij kijkt lijk een donderwolk op het recept neer, dat ik haar in handen gaf. Zij draait mij heuren rug toe en werkt voor in haren keuken en rammelt stug met potten en pannen… Ik herkende Katrijne niet uit deze, hare handeling. Katrijne heeft gemeenlijk een tamelijk zicht op zaken van logica… Tja, de vrouwen hebben heure tuimen tegen de mans. Zeg Eùlalie, zeg Kàtrijne — ze zijn per slot allen eender oversopt, min of meer. Ik ben blij niet getrouwd te zijn! Ik roem mij, gelùkkig te hebben geloot. Ik lootte namentlijk destijds met mijnen broer-zaliger, wìe onzer koopman zou worden en wie priester. Ik trok de priester. Och, Mijn-Heer Spiessens: Leve sit, fit, zie dit artikel quod bene fertur onus.1 1 Licht is de last, wanneer men hem bekwaam torst. Nietwáár? En: ubi non est mulier, ibi ingemiscit aeger.2 2 Waar geen vrouw is zucht de kranke. Héé Mijn-Heer Koeckaert is zoowaar ingeslapen!

Aller blik richtte zich op den Stadsschrijver.

Inderdaad, Mijn-Heer Koeckaert sliep. Zijn bovenlijf leunde scheef aan den lederen stoelrug, zijn groot hoofd rustte hem ten rechterschouder, de een hand, de linker, lag op zijn knie, de rechterarm hing onnoozel omneer. Hij had den mond half open.

— Neen, sprak Pastoor Poncke, láát hem slapen. De slaap is niet het kwalijkst deel van het leven. Ik zie gaarne een slapend mensch, die niet droomt. Mijn-Heer Koeckaert droomt niet. Hij slaapt, sluimert. Hij sluimert lijk in de holte van Gods hand. Er kleeft, geloof ik, aan hem geen schuld meer, althans niet meer dan aan een pril kind. Hij is geheel kind geworden, Mijn-Heer Koeckaert. Hij is het des te sneller in den slaap, daar hij wakend niet zeer strijdbaar genoemd kan worden. Geviel het, dat Ons-Heer deze zaal binnentord en het woord uitte van: — Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet — het zoude mij niet verwonderen, Mijn-Heer Koeckaert van zijne zate te zien opstaan teneinde op Ons-Heer toe te wandelen. Lach niet, bidde ik u. Zulk een slaap acht ik eene geheiligde handeling. Ik bevroed in mijnen slaap evenzeer kind te zijn als Mijn-Heer Koeckaert. Ik heb mij daarvan eens willen overtuigen en snapte mijn noentuk voor een spiegel. ’Laas, ik slaagde niet in mijn oogmerk. Sluimerde ik — ik zag mij niet; waakte ik heimelijk — ik zag mij en sluimerde niet. Eens menschen macht is benauwlijk beperkt. Attentie, mijne Vrienden: op het aangezicht van Mijn-Heer Koeckaert staat een kind geprent, dat hij was, vóór lange jaren. Het kindergelaat schijnt lijk dóór het mansgelaat, maakte het laatste bijkans teloor. De huid is teeder, wazig schier. De mond… êh… de mond…

Pastoor Poncke geeuwde.

— Héé, welk een slaap ik ineenen heb. Vrienden, ik moet naar huis. Neen, zit waar gij gezeten zijt, ik vind mijnen weg zelve. Baljuw, ik dank u voor den avond. Het was mij aangenaam… áángenaam. Ik dank u voor de wijnen en de spijzen. Vrienden, goênnacht!

Pastoor Poncke schreed ter deure uit.

— Mijn tik, mijn vriend, verzocht hij den haldienaar. — En mijn stok. Danke. Ha-ja, ik zoude u moeten befooien. Goud, mijn vriend, bezit ik niet. Ach, veracht het! Hoort naar de Heiligen Eusebius, die zegt: Goud en zilver verlokken en verleiden de Waarheid, moorden de reinheid en de gerechtigheid, verraden de trouw. Pecuniae oboediunt omnia.1 1 Alles gehoorzaamt het geld. Hoed u daarom voor het geld. Maar geest is oneindig waardevoller dan goud. Ik zegen u, mijn vriend. Ei, wat wilt ge, Mijn-Heer Spiessens?

— Het is tijd ook voor mij, ik verzel u tot aan de pastorij, Mijn-Heer Pastoor.

De stem van den Apotheker had iets smeekends.

Gaarne, mijn Vriend, gaarne. Hebt gij àl het uwe? Kom.

Pastoor Poncke en de Apotheker traden nevenseen den nacht in. De Apotheker hulde zich enger in zijn overfrak. Hunne stappen galmden lijk hol op de kasseiden. De duisternis blauwde van maanlicht. Vreemdig glansden de loodomlijste ruiten der huizingen met heure gekartelde, kort en scherpelijk op den bodem uitschaduwende gevels. Ergens schreeuwde een kater.

— …Lijk een kind, dat vermoord wordt, dacht de Apotheker luid-op.

Pastoor Poncke achtte niet op de zegging. Na een wijlken stond hij stil:

— Een snuifke, mijn Vriend. Het is kil, er waart valling in de lucht.

Hij snoof breedvoerig.

— Hier, mijn Vriend, sla een prise niet af.

Terwijl de Apotheker zich bediende, strekte Pastoor Poncke den rechterarm.:

— Zie, mijn Vriend, de nacht ligt zoo schoon over de stede lijk in een beschrijving van de Poëten. God is een Poëet, mijn Vriend. De grootste van al. En hij dicht in daden. Schouw de sterren — millioenen zilveren werelden. Ha, ze zullen voorzeker bewoond zijn, de werelden der sterren. Met menschen gelijk gij en ik. De Heilige Schrift vermeldt niets van dien aard — tenzij het Rijk der Hemelen erop duidt. Héé, waarom zou het alzoo niet zijn? Wijst gij naar beneden, wanneer gij spreekt over het Hemelrijk? Alles in den Bijbelboek staat zwaar van diepen zin, alle wetenschappen behelst hij, de verledene, de huidige, de toekomende. En de maan, mijn Vriend, zij zal eveneens bewoond zijn. Zijn hare vlekken niet bergen? God wrocht naar één principe: te scheppen naar het Eigenen Beeld. Van sterren gesproken, wist gij dat Damme een ster is? De gedaante van Damme is een ster, de veste heeft den vorm der sterren. Een oude kaart te mijnent toont het u. Spijtig dat de sterre-vorm sleet met de tijden. Damme wierd een verbrokkelde, doode ster. Maar nog buitenmate schoon, mijn Vriend! Vooral thans, in den nacht. De middeneeuwen ademen er uit elken steen. Ik had willen leven in deze eeuwen van wonderbaarlijk Geloof en Kruistochten. ’Laas, ik leef nù, besloot Pastoor Poncke mismoedig en weder voortloopend.

— Eerwaarde, ving de Apotheker schuchter aan, — gij moet toch entwat doen tegen uwe likdoorns, ik ken een remedie…

— Niets daarvan, mijn Vriend. Zijt gij vergeten wat ik er u heden over verhaalde?

— Néén, maar…

— Mijn Vriend, peins niet, dat ik u niet erkentelijk ben voor uwe raadgeving! Indien niemand erop trapt, lach ik met mijne knobbelkes. Ik ben een wijs man. Ik won mijne wijsheid bij mijnen nonkel van moederszijde. Men zegt, dat hij boekskes dichtte — nochtans zag ik nooit één zijner boekskes. Maar hij kwam veelvuldig bij ons op logies. Ik geheug hem mij als een rijzig man met een rooversbaard. Hij bereisde de landen van Oriënten als koopman. : — Gij kunt, Benedict, zegde hij mij bij elk bezoek, — de wereld dóórkomen met twee wijsheden, onthoud zulks! Maar nooit, mijn Vriend, rocht mijn nonkel zoo ver, mij zijn koppel wijsheden te veropenlijken — immer wierd hij op het moment der ontvouwing door het een of ander belemmerd. Doch in het jaar van zijn dood… Ik moest vóór hem komen staan. Ik biecht u, dat ik bééfde van bewogenheid, mijn Vriend. Zijn handen daalden op mijne schouders en hij blikte mij door de oogen tot in de ziel: — Benedict, sprak hij plechtig, — gij kunt de wereld sterk door-komen met slechts twee wijsheden, onthoud zulks! Mijn nonkel wachtte een pooze, voer alsdan voort: — Benedict, de eerste wijsheid luidt… Ai, den droes, Benedict, ik ben haar warelijk vergeten… Maar dit verscheelt niemendal. De tweede wijsheid is zonder twijfel de gewichtigste. Ik kondig u de tweede wijsheid. Luister. Zij luidt…

Pastoor Poncke brak af, murmelde — Héé! Héé! — en ving zachtjes te lachen aan:

— Héé, Mijn-Heer Spiessens, wilt gij wel van mij aanvaarden, dat ik de tweede wijsheid vergeten ben!… Ai mij, ge struikelt… ja, klamp u gerust vast aan mijn toogmouw

— Ik… Eerwaarde, haperde de Apotheker, — ik duizel… ik ben zat, geloof ik… de koppige wijn van den Baljuw

— Mijn Vriend, beleerde Pastoor Poncke, — aan de zatheid is nooit de wijn schuldig, steeds de màn… Zóó beschonken evenwel zijt gij, dunkt het mij, niet. De buitenlucht heeft u ietwat overrompeld… En men moet zijn maat kennen. Ik ken mijn maat. Gij niet. Wij zijn aan mijn pastorij. Zal ik ù thuisbrengen?

— Neen, het is al voorbij.

— Ja, gij staat weêrom vaster op de onderleden. Ei, waar heb ik nu mijn sloter? Ah, hier. Mijn Vriend, gij wildet mij raden inzake mijne likdorens. Op mijn beurt valt mij een raad voor ù in. Peins niet, dat ik u kapittel. Verre vandaar. Het is echter een geschikt oogenblik. Gij leest Voltaire, nietwaar? Gij moest dit nalaten, Mijn-Heer Spiessens — nalaten, uit liefde voor uw ziel en geweten en uit broederschap voor paap Poncke. Gij moet u voortaan verdiepen in vier Boeken. Voltaire maakt allerminst gelukkig en maakt iemand op den duur zelfs weerloos. Ge voelt u, door Voltaire te lezen, gelijk in een gevang. De gansche wereld is u een gevang en alle menschen zijn u ingekerkerden. Gij staart u lijk dood op de medegevangenen. Eenigszins waarheid of niet, Mijn-Heer Spiessens?

Voltaire…, schermde de Apotheker. — Och, misschien hebt gij het bij ’t rechte… ik kan niet ontkennen, dat…

Pastoor Poncke greep de hand van den Apotheker:

— Mijn brave Vriend, wij gaan slapen. Goênnacht.

— Goênnacht, Eerwaarde.

— Ho, mijn Vriend. Ik moet u de vier Boeken nog zeggen. Zij bevrijden uit het gevang. Het zijn de Evangeliën. Lees voortaan de Evangeliën. Tot wederziens, Mijn-Heer Spiessens.

De Apotheker ging. Stijf recht-op. Zijling nevens hem gleed zijn groteske schaduw.

Pastoor Poncke tuurde hem na. …Een goed manneke, zijne boudheden wroegen hem, overdacht hij. Hij is wezenlijk een aasjen bezibberd. Voltaire schroeit hem niet zoo diep in het gemoed als ik bevroedde. De Evangeliën zullen hem redden van den Franschman. De wijn vermildde hem het hart. Mijn wóórd verrichtte het overige. Nu slokt de duisternis hem op, ik zie hem niet langer… Ik hoor zijn schred nog…

Pastoor Poncke porrelde den reusachtigen sloter in het slot.

— Ik heb warelijk vaak, mompelde hij.

PASTOR BONUS I

God volvoerde eenen vroegen, machtigen zomer over het Vlaamsche land. Dagen aaneen scheen de hemel een koepel van blauw staal, van waaruit de zon haar zengende hitte neerjoeg over gronden, woonsten en menschen. De wind lag dood, de akkergrachten lagen ijdel. De aarde korstte hard gelijk steen en barstte, tevergeefs dorstend naar laving. De granen roerden met geen aar. Loodzwaar woog alom de stilte, lijk een ongenade.

De boeren lamenteerden, klampten Pastoor Poncke aan, zeggend:

— Ons koorn verkommert, de oogst zal bitter blijken, vaardig alstublieft een ommegang uit door den buiten, gelijk tien jaar verleên binst zulk een eendere moordende droogte!

Pastoor Poncke weifelde:

— Ik torn ongaarne aan Gods bestier. Niet ùw, Zìjn wil geschiede, gelijk er geschreven staat: Gij beklaagt u over uwen bodem, ìk kan mij beklagen over den mìjne. Zaagt ge mijn lochting, ge sloegt de handen tezaam. Ik ben per slot boer als gij. En ja, ik versta uw beslommering. Een ommegang echter: het is God dwang berokkenen met man en macht. Ge zijt al te voorbarig. Ik bespeur nog niemendal van wanhoop in uwe pupillen en ge zijt nog niet grijs geworden van smart. Weet ge hoe ik handelen zal? Ik sta, priester zijnde en Poncke heetende, in vertrouwelijke verbintenis met Ons-Heer. Mijn breviering zal een plechtigen ommegang vervangen. Ik zal op mijn Socrates God vragen om regen. Ik vlei mij, dat Ons-Heer mij gehoor spillen zal, mits gij geen geheime doodzonde hebt bedreven. Overigens hebt gij uw kruis in lijdzaamheid te torsen. Crux ancora vitae.1 1 Het Kruis is het anker des levens. Amen.

Des anderendaags toog Pastoor Poncke erop uit, teneinde God te verbidden. Afwijkend van de gemeenlijke route reed hij al de koornvelden van het Damsche langs, de hitte manhaftig braveerend. Zijn brevierboek had hij ditmaal niet vannoode. : — Socrates, had hij bij den afreis gezegd, — indien gij bidden kunt, bid, bidde ik u. Gij, ezels, zijt onder de viervoetige dieren, met den os en het schaap, uitverkorenenen des Heeren. Gij zijt tòch gedoopt bijaldien, niet door mijn hand, doch door den Heiligen Geest. Gij zijt verduldigen van nature. In het tweevoudige naamt gij, o Socrates, het Kruis op u. Zoude ik u dan niet beter van hart achten dan het meerendeel der menschen? Uw eenige fout is uw koppigheid. Diergelijke buien echter vallen bij u slechts schaarschelijk voor. De menschen, mijn Vriend, zijn ìmmer halsstarrig. Zij verstaan God niet, de menschen; hùn wil moet steeds de voorste zijn. Och, Socrates, eens was Benedict Poncke juist gelijk zij. Toen doorlaaide mij, wat ik benaam: het Saulus-Paulusmoment. Het geschiedde in mijn theologantentijdperk. De mensch, betweter in allerhand, mijn Vriend, weet van zichzelve geen speldekop af. Hij loop vreemd in het eigen corpus. Ha, Socrates-vriend, toèn blìksemde het mij eensslags: ik ging Benedict Poncke schouwen in al zijne nietigheid en in al zijn verwatenheid. Ik ontleedde mijn wezen gelijk de anatomist een doode dompelaar. Ik legde elk vezelke properkens bloot. Hoe ik mij alsdan scháámde voor God, Socrates! Ik had in een muizegat willen kruipen voor eeuwig. Maar toen, doordien ik mij-zelve zoo schamelkes wist, wierd ik gansch van God doorschoten. En ik zegde uit een vol hart, een luttel later, mijn Vriend: Heer-God van daarboven, zie mij! Mijn netvlies is onttroebeld, gewasschen door Uwe onzichtbare Hand en ik dank U, Heer-God, in allen ootmoed voor deze onverdiende Genade. O Heer, sedert ik mij-zelve door-peil tot in mijne diepste afgronden (welk menschelijk schepsel heeft ze niet, Heer? — welk menschelijk schepsel is voor Lucifer onaanrandbaar?), — sinds ik mij-zelve doorzie, gebeuren alle dingen gelijk Gìj ze wildet. Wanneer de dingen niet in Uwe palm lagen, dan, mijn God, zoude ook eenmaal gebeuren wat ik gewild heb! Wij gáán, mijn wijze Vriend!

Alzoo had Pastoor Poncke getaald en hij had Katrijne nog efkes toegeroepen, hem niet te verbeiden met de middag-ate, daar hij voor een arbeid stond, die allesbehalve in een duimknip afgehandeld kon worden : — Regensmeeker zijn, Katrijne-dochter, God als het ware vermùrwen, is geen kinderspel. Men moet er zijn heele ziel en geest bij inzetten. Zelfs zijn er — doch vrees niet voor mij, Katrijne, die priester ben en mate belijd in schier alles, nietwaar? —, zijn er perijkelen aan gekoppeld. Bedachtzaamheid is mij geboden. Bedenk, het gaat om entwat als een wonderwerk, mijn dochter. Adieu.

Thans reed hij, ter plaatse van zijn taak, de smalle wegelingskes over.

De stilte lastte op de wereld. Geen leeuwrik stortte zich uit het hart der velden naar het hart van den hemel en trillerde er, het scherpst menschenoog onttogen, God zijn onstuimigen lof. De hitte laaide, spijts de vroege voornoenstonde. En de zon steeg al hooger en vuurde almachtiger.

De schouders gekromd, de vingeren verstrengeld, bad de goede herder van Damme. Loom, niet onfier nochtans, wandelde Socrates voort, de verlokkenste distels voorbij. Het was als besefte hij het gewicht van deze uitzonderlijke pelgrimagie.

Door ùren reed Pastoor Poncke, alsaan bezwerend prevelend in ontallige gebedsvariaties, God tevens, van naald tot draad, het binnenste zijner boeren openbarend. Soms vaagde hij onbewust de klamte van het aangezicht vandaan met zijn rooden, wit bespikkelden neusdoek, welke, ter maaghoogt, kleurde aan het zwart van zijn soutane vantusschen de sluitzoomen en bestreek zijn blik vluchtig velden en einder.

— Heer, sprak het uit Paap Poncke’s ziel, — niets ben ik dan Uw nederige dienstknecht. Het is maar dat ik hier rijd op mijn Socrates en tot U kom en vanwege mijne en Uwe kinderen: de boeren van het Damsche.

Zij grommen op U, Heer, ons beider kinderen. Neen, het is niet uit slechtigheid, doch uit vreeze voor hunne akkers. Sla Uw oog op hunne velden, Heer-God: zij zijn een zucht naar drenking. Ze zijn moew, tènden van de wreede zon van dagen en dagen en van de na-broeiïng der nachten. Hun wasdom is in stilstand gekomen èn stilkens en deerlijk aan het versmachten. De halmen reiken een man efkes tot boven de knieën en verbranden vanbinnen. Wribbel voor de aardigheid een tarwe-aarke uit op de muis van Uw hand en gij verschiet denkelijk een beetje, zoo mager dat de korrelkes zijn. En elk korrelke beduidt méél voor den boer en èlk priseke meel — verschooning voor deze zegging, Heer! — bróód.

Ha-ja, ik weet: onze kinderen zijn van nature gichtig, zij willen geen hapering zien, het moet àl zijn vlot verloop hebben: ploegen, eggen, zaaien, splijten, groeien, zetten, rijpen, zichten. Waarmede ik niet betuigen wil, dat zij anderszins subiet wrokken op U of rebellatie plegen. Maar zij koesteren hunne, nietwaar?, verstaanbare verwachtingen. Zij dragen in den kop den regel der zaken — ze zijn immers kinderen, al hebben zij hunne prilte-jaren niet meer en gekorven handen van het naarstig wrochten en door zonnewier en winden en wanweêr gelooide tronies… En dan komt er daar een tegenstand buiten het beraam en zij voelen zich ineenen triest en machteloos. Heer, Gij begrijpt, alsdan achten zij zich gekrenkt in hunne waardij van ploeterenden boer en zoeken en tasten naar de booze bron en stuiten per slot op U en maken verwijt.

Heer, merk mij, Uw armzalige Poncke, op dezen ommegang en luister naar het schamel woord van mij!

Heer, het is mij gewis, dàt gij luistert en mij laakt: — Knechtken van Mij, ge zijt er, voorwaar, wel wat al te rap bij! Goed, Heer-God, ik beaam U zulks terstond en beklop mij mea culpa — maar is niet één der principaalste mij door U opgelegde plichten, dat ik, uit Uwen heiligen Naam, het oor leen aan mijne parochianen, die allen het boerschap bedrijven of van den boer stammen — op Mijn-Heer de Baljuw en nog eenige anderen na —? Het gevolg daarvan is: boèrenklachten en geen andersoortige.

De boer is zijn veld en zijn vee, dat Heer, thans loeit naar water in de waterlooze beemden, want de koe-putten hebben, door de danige droogte, nog slechts een plaske moerig water in het midden —, de boer is zijn veld en zijn vee in het àlleréérste (wijf en kroost telt pal daarna) en zijn klaging belangt immer datgene wat hem het meest aan ’t hart speelt. Ik betwist het U niet, Heer-God in den hemel, dat de boer gaarne en gauw klaagt. Moet ik hem echter geen gerustheid geven als zijn priester en ben ik U zóó verre, dat Gij niet dagelijks een luttel op mij peinst? Neen, nietwaar? En — héé, dan behoef ik U mijn wezen niet langer uiteen te zetten, want gij kènt den paap van Damme tot in de nieren! Daarom, Heer, erbarm U over mijn boerkes, geef des nachts goeden slaap in hunne oogen en vree in hun gemoed — och, Heer, zend een hemelkuipken nat over hun gronden opdat de versch geschoren beemden malsch groenen en, bovenal, de koorns zwellen van de welligheid!

Heer, gedenk die van Damme — de overigen in Vlaanderen moeten, zoonoodig, het hunne maar doen, ìk weid aléén mijne parochie —, gedenk hun geschokte hoop en gemuizeneer en —, och, gedenk, Heer-God, tevens Uwen Dienaar en diens moeshoveke achter de pastorij, alwaar de salade zoo triest schrompelt — het is toch, zoo régen Uw wil is, voor U ééne handeling, nietwaar? …

Dusdanig litaneerde Pastoor Poncke den lof en het leed zijner boeren en jonde zich geen adempauze. Het hemd plakte hem aan het lijf en de zon deed alsaan druistiger naar gelang zij het zenith genaakte.

— Heer-God, zij worstelen, de boeren, met Uwe aarde lijk Jacob met den Engel…

— Heer, ze zijn lijk de visschers van de zee in storm… de benauwing bijt in hun borst… ze zijn de broerkes van de visschers, die U beminnen sedert Genezareth

— Heer, ontfarming! Doe de dorte niet verhevigen, verduik de zon achter de wolken, doe de wolken de medicijne des waters uitgieten over het omme

— Heer-God, de zonden mijner parochianen zijn minder in getal dan deze der stedelingen… beproef hen, God, doch bedenk, om zoo te zeggen: boni pastoris est tondere pecus, non deglubere…1 1 Het betaamt een goeden herder wel, dat hij zijn schapen scheert, niet dat hij ze vilt. Gij zult mij verstaan, Koning van het Al!

— Ge hebt het leven tot geen plezanterij gemaakt en met recht: de eerste mensch verwierp uit zotte begeerte eenelks geluk, maar met mijne boerkes moogt Gij toch wel eene wolk of wat compassie koesteren, getrouwen lijk ze zich betoonen aan aarde en hemel… arbeid is gebed, o Heer, en luiheid des duìvels… ze verdrijven dien oppersten helle-ling gemeenlijk door den reuk van hun lijfzweet; het dunkt hem wierook en wierook zuivert van het kwade… En buitendien: Nullum sine auctoramento malum est.1 1 Elk kwaad bezit zijn goede zijde.

— Zoo bestaan zij, de boeren van Damme, Heer-God en niet anders.

— En een nagelken meewaren met Uwen armen dienstknecht Benedict Poncke en met Socrates, mede Uw dienaar… Uw zon zuigt al de sappen uit ons lichaam, maar weet, o Heer, al moeten wij drie etmalen pelgrimeeren, wij staken nìet… Ai, en mijn moeshof, Heer… ’t is geenszins uit hebzucht geuit, geloof mij, want mijne boeren wegen mij het zwaarste, nimmer was ik onredelijk…

— Zegen de velden, mijn Heer en God!

— Zegen de wrochting en het waken!

— Verkwik de vrucht… Doe mijne boeren in lach, zij lachen niet dikwijls, de slameur laat niet vlot af van hen…

Pastoor Poncke zweeg stil, zich bekruisend.

In de verte tampte het midnoen van de Lieve-Vrouwe en de hoeveklokskes klepelden schafttij.

Pastoor Poncke lichtte den tik van den schedel en voer met den neusdoek over aangezicht en tonsuur:

— Snakheet, Socrates, ik kan mijnen neusdoek uitwringen van één veeg! Hola, wat is dat? Ei, schrik toch niet zoo, mijn Vriend, het is niemendal dan ievers een boer, die paft op een rat of een bunzing… het kwam van gindschen hof, geloof ik… Zoo ras te verschieten: gij zoudt een kwalijk soldaat zijn! Hoe gij doomt, mijn Vriend! Maar devooren zijn devooren. Nochtans dunkt het mij, dat wij recht hebben op een spanne laveiens. Ontwaart ge nergens een lommerden boom? ’Laas! Weet ge wat wij doen zullen? Een tijdeke verpoozen op de hoeve van dat snaphaanschot. In tien minuutjes arriveeren wij er, Socrates-vriend! Socrates stapte voort en naderhand den grachtdam over en het hof-erf op. Een hoen, reê heur ei-zuchtig in het stofzand te nestelen, stoof kakelend op pal voor zijne hoeven. Het deed Socrates verontwaardigd oorflappen.

Pastoor Poncke stuurde Socrates het wagenkot langs en de koestalling en de schuur en gebood dan:

— Ho. Hier, in dit slopke tusschen schuur en huizing, moet ge braaf op mij beiden, Socrates. Hopla — ge zijt van mijn vracht bevrijd. Achterwaarts, mijn Vriend —, achterwaarts. Prònt. Ge staat hier in de schaduwkoelte, en veilig lijk een postuurke onder een stolp.

Monter schreed Pastoor Poncke naar het woonhuis, duwde er de deur open en bevond zich onder de lage balkingen der keukenkamer, alwaar boer en bazin en zoon en twee forsche dochters en twee boevers geschaard zaten rond den dampende noendisch.

— Goênmiddag voor elkendeen!, wenschte Pastoor Poncke.

Een mompeling behelsde de wedergroet — niets meerder. Het overdomperde Pastoor Poncke. Hij bezag den boer, die dóór kauwde alsof geen parochie-paap zijn heem had betreden en hij voelde een soort van vijandigheid muren tusschen hun gebeiden. …Héé, meende hij gegriefd, — welk een falikant welkom. Verduurde ik daarvoor een ganschen uchtend de boosaardige hitte? Ondank is warelijk ’s werelds loon. De bazin heeft er geen schuld aan, zij verkeert in erg ongemak, evenals de zoon en de dochters. De boer is koning onder eigen dak. De koning toornt. Ware het niet, dat… En, ha, ik ben Poncke, Pòncke, verstaat gij, boer? En Poncke laat zich niet…

Pastoor Poncke, wijdbeens in het midden der keuken op de grauwe kareelen, gééuwde — geeuwde zeer ruchtig.

— Zet u bij de buisstoof in den rietzetel, Mijn-Heer Pastoor… vermat heur de bazin na een mijden blik op den boer zijn houtene, malcontent wezen.

— Ik bèn reeds warm, bekende Pastoor Poncke.

— De stoof is dood, zegde de boerin.

— Ah-zoo, antwoordde Pastoor Poncke, maar verblééf waar hij was en rocht van her schrikkelijk aan het geeuwen.

— Gij gaapt zoo, Mijn-Heer Pastoor, ge zijt voorzeker moew, en vat toch zate, sprak de boerin schichtig.

— Dat gapen van mij, verklaarde Pastoor Poncke luidelijk, — heeft twee oorzaken. De eene oorzaak is de slaap en de andere de honger — edoch, de slaap is het niet…

— Heere!, zuchtte de boerin hulpeloos.

Zij zocht naar steun bij hare dochters, bij den zoon.

— Vàder toch!, uitte de oudste dochter.

— Alowies!, smeekte de boerin de boer.

De boer grolde entwat lijk een beaming.

Opgelucht noodde de bazin:

— Dat Mijn-Heer Pastoor aanschuive, er is genoeg gelijk Mijn-Heer Pastoor ziet.

— Gaarne, zegde Pastoor Poncke gretig. — Ik zou liegen wanneer ik u kondde, dat mij de maag nìet bommelt. (hij zette zich, bekwam bord en vorket en mes) Danke, jonge dochter. (hij bediende zich van patatten met kool en spek, sloeg een kruiske en verzonk in gebed, herbekruiste zich) Dat het u allen en mij smake. Maar alvóór ik aanvang, verzoek ik u, u te geheugen, dat ik niet alléén ten uwent kwam: Socrates droeg mij over uw dam, hij staat buiten in het slopke en hongert, Mijns erachtens, evenzeer als zijn meester — en een akerken putwijn zal hij niet versmaden.

De boerin gaf een hoofdwenk aan een der boevers, die rees en zich verwijderde.

— Danke, bazin, hernam Pastoor Poncke. — Al wat leeft bezit buik en moet verzadigd worden… Tja…

Hij stokte vermits de boer de strakke tronie naar het venster wendde, zag mèt hem overerfs den midnoen zengen en zinderen op het onbewegelijk koren, begon te eten en voelde zich bijster gering en onbehaaglijk. …Ai-mij, ai-mij!, dacht hij.

— Tja…, herhaalde hij een weinig later zich vermand hebbende. En apartelijk tot den bitteren boer:

— Mijn vriend, ik ben een kenner van de breinen der menschen. Ik weet wat er in u woekert. Ge steekt vol misprijzen jegens paap Poncke en peinst: kàllen en kùnnen zijn twéé! Nietwaar?

De boer maaltijdde.

— Héé, streed Pastoor Poncke na eenige oogenblikken voort, — ge zijt al eender ongenaakbaar als dezen morgen Ons-Heer. Ik hellevaart bijkans voor u en het is u geen nestpluim.

— Een algemene ommegang…, loosde de boer stekelig van boven zijn teljoor.

— Ik wéét het, gij verwacht wonderen van een algemeenen ommegang. Ziet God, alzoo redeneert ge, de Damsche parochie in plechtige processie door de velden tiegen, het gemoed wordt Hem eensslags zóó week, dat Hij subiet Zijne sluizen openwerpt. Ge vergeet echter, mijn Vriend, dat de vorige processie pas na veertien dagen vocht opleverde.

— Mag zijn, maar gìj alléén zult dan…

— Tut-tut, bezwoer Pastoor Poncke.Parijs en Rome zijn niet in een amerij gebouwd. Vijf uurkes nog slechts besteedde ik aan mijne geestelijke ronde. Vijf uurkes erbij en…

— Wij zullen zien!, liet de boer schamper los.

Pastoor Poncke vermaalde langzaam een brokske spek, slikte het door en legde de beide handen vlaklings, en weerszijds zijn teljoor. Met de kin vooruit en de oogen glanzend, profeteerde hij onwanklijk:

— Gij zùlt zien. Mij zàl op mijne gebeden worden geschonken. Ben ik een heidensch moorman of uw pastoor? Uw pastoor ben ik, ge kunt het mij niet loochenen —, uw pastoor — en als zoodanig een innige schakel tusschen u en den hemel. Onderschat zulks geenszins, mijn Vriend. Dei dicere est facere.1 1 Gods zeggen is doèn. Het zal gaan gelijk het geschreven staat in de bijbelsche Boeken! Pastoor Poncke kwam overeind en gebaarde en sprak breed gelijk in zijn kerk:

— O Godt/ gìj zijt mijn Godt/ ick soecke u in den dageraet/ mijne ziele dorstet nae u/ mijn vleesch verlangt nae u: in een lant/ dor/ ende mat/ sonder water.

Die de bergen vastsett door sijne kracht: omgordt zijnde met macht.

Die het bruysen der zeën stilt; het bruysen harer golven/ ende het rumoer de volcken.

Ende die op de eynden woonen vreesen voor uwe teeckenen: gij doet de uytgangen des morgens ende des avonts juychen.

Gij besoeckt het lant/ ende hebbende het begeerigh gemaeckt/ verrijckt gij het grootlicks; de riviere Godts is vol waters: wanneer gij het alzoo bereydt hebt/ maeckt gij haerlieder koorn gereet.

Gij maeckt sijne opgeploegde aerde droncken; gij doetse dalen in sijne voren: gij maeckt het weeck door de droppelen/ gij segent sijn uytspruytsel.

Gij kroont het jaer uwer goetheyt: ende uwe voetstappen druypen van vettigheyt.

Sy bedruypen de weyden der woestijne: ende de heuvelen zijn aengegordt met verheuginge.

De velden zijn bekleedt met kudden/ ende de dalen zijn bedeckt met koorn: sy juychen/ oock singense.

Pastoor Poncke verstomde. De groote klank van zijn stem scheen aldoor na te galmen onder de roode balkingen en de ontstane stilte zwaar geladen te houden. Pastoor Poncke verkeerde lijk in een onuitzeggelijke verrukking. Hij had de armen wijd-uiteen en halveling in de hoogte en zijne oogen glansden gelijk bij verzaligden. Zijn geest toefde over het Damsche, over heel het Vlaamsche, zonder eenige beperking. Zijn hoorders bestonden hem niet: de boerin, die bijkans weende, die boer, die hem lijk onder betoovering star aanblikte en niets dacht en alles dacht en een vreemdige zeernis leed in de borst, een blijdschap, een droefenis, hij wist niet wat…

Pastoor Poncke’s armen gingen omneer, de glans in zijn oogen doofde een weinig, in zijn geest kromp een ontzaggelijke ruimte allengs tot, weze het vagelijk, de vier gekalkte wanden van een boerenkeukenkamer.

Dat is schóón, dat is schóón!, stamelde hij tot zichzelve. En aangegrepen door een heiligen ijver, vatte hij zijnen tik, welken hij op de leunstijl van zijn stoel gehangen had en beende, zonder acht te geven op den boer en de zijnen, wijdschreeds naar buiten. En hij reed al henen, zich niet kunnende bezinnen, hoe hij op zijn ezel gerocht was, wien een buselken klaver uit den bek bungelde, inderhaast nog gesnapt.

Pastoor Poncke reed kronkelende wegen en wegelingen, en bad, bad vuriger als ooit voor velden en boeren. De zon daverde hem op de schoêren. Hij bemerkte het niet. Het zweet droop hem tappelings langs het gelaat en hij zout beet in zijne oogranden en zijne lippen barstten en zijn tong wierd als leder. Hij bemerkte het niet.

De noen vorderde.

Socrates sukkelde willig voort.

En dan wàs het daar. De koornstalen trilden, leefden —, de velden huiverden, bewogen, ritselden, ruischten… De adem van den wind vaarde aan, lichtkens aanvankelijk, grooter nu reeds… Pastoor Poncke keek op.

Sócrates!, zegde hij zacht en dringend.

Socrates stond.

Sócrates!, her-zegde hij luider. — Zìe, Socrates!

Hij strekte de armen steil opwaarts:

— Héér! Héér!!

In zijn oogen blonk de glans, haast een gloed, van voormaals. Zijn armen daalden en hij zuchtte diep van geluk. De wind, weelauw, woei hem sterker aan, de velden deinden. Aan den zuidooster einder balden wolken samen, wiesen breeder en hooger en grauwer, naderden… In de verte rommelde het.

Sócrates, zie! Wij hebben het gewonnen. De régen, de régen… Gods voeten zullen druipen, de verdorste velden den dood verlaten, de boeren monkelen. Wij versaagden niet, want God leest de haren, de wàre harten, ook het ùwe, mijn Vriend! Ontstel niet, het is Gods Stem slechts, die spreekt van de transen, geweldiger, immer geweldiger, hóórt gij wel? En dat flitsen, mijn Socrates-vriend? God moet toch zìen waar hij Zijnen regen neerzenden zal? En àlzijds stapelden de wolken zich. Héé, wij zullen nat worden! Maar ik schouw, daar in dien beemd, een stalleken. Reppen wij ons, Socrates!

Socrates repte zich.

Bij de beemdbalie gekomen, steeg Pastoor Poncke van Socrates’ rug, lichtte het afsluitsel uit de wig en leidde het dier naar de kramakkele almhut. Hij stiet de deur open: — Kom, Socrates! — sloot ze weder:

— We zijn veilig, mijn Vriend. Ai, welk een weerlicht! Ik ga voor dat vensterken staan, ik wil zien hoe het land verkwikt wordt. De zon is al verslokt door de wolken. Hoe schielijk zulks zich afwikkelt! Ai mij, het vlamt mijne oogen bijkans blind, dat licht — blijf gij in het deemster, Socrates. Socrates, hoor!, Socrates, zie: de régen, de régen! God redt den oogst! O gij kleingeloovigen van Damme! Wat heb ik u gezegd, wat zegde ik u? Régen? Daar hèbt gij den regen! De gronden zwelgen ervan. Hosannah! De wind zwiept het water over de aarde lijk uit honderdduizend fonteinen! Wat zegt ge nù nog, boeren van Damme? Bliksems flitsten grel, het zwerk ratelde, windvlagen en regen buischten. De hoeven lagen lijk achter een sluier en de Damsche stéde alzoo.

Pastoor Poncke hernam:

— Een zondvloed. Permintelijk een zondvloed, Socrates! Ge zijt toch niet vervaard? Er valt buiten Gods Wil geen muschken van een tak, mijn Vriend. Deze zegswijze slaat tevens op de ezels, al zou men mij zulks, oppervlakkig gehoord, niet beamen. Hier zijn muschkens en ezels één. Héé, ik bedenk daar: het is maar heilzaam dat Ons-Heer u, ezels, geen vleugels geschapen heeft. Stel u voor: er zoude geen dakpan gaaf blijven op de wereld… De wijsheid des Heeren zij hierom uitzonderlijk gepreezen. Gij bevindt u toch niet onder den lekdrup?

Neen? Anderszins…

Pastoor Poncke tuurde door het kobbenet, vóór een der gebarsten ruitjes gesponnen, over het landschap. Het docht hem, dat het lichter wierd en het onweer minderde.

— De donder drijft af, berichtte hij Socrates. — En er moet ievers schof in de wolken ontstaan en het regent zoo bar niet meer als daarseffens. Ik zie echter het schof niet. Wacht eens… ik mag het kobbenet niet rijten, de kobbe heeft het zoo schoon gevlochten…, — wacht eens, zóó kan ik zien… gìnder gaapt het schof… warempel, de zon valt er door, mijn Vriend. We zullen nog efkes geduld oefenen.

Pastoor Poncke leidt Socrates naar een kramakkele almhut

Pastoor Poncke verstrengelde de vingers op den rug, dubde langen tijd over entwat, vezelde nadien:

— Neen, dat kàn niet… En tòch… (dan luider:) Socrates, ei, de regen heeft opgehouden en de zon wordt weder gebieder. Wij gaan huiswaarts.

Pastoor Poncke voerde, alsaan peinzend, Socrates aan den teugel het stalleken uit. Weer onder Gods hemel, hield hij verrast halt, met een snok het gelaat heffend.

Bedwongen jubelend, sprak hij:

Sócrates! Sócrates!, Zíe toch! De wereld is nieuw geworden!!…

Hij verstilde, staarde nadenkend voor zich uit, keerde zich dan tot Socrates en zegde gejaagd:

— Het kan tòch, Socrates —, het kan tòch! God heeft mij, armzaligen dienstknecht, gehoor geschonken. Hij heeft mijn gebedswoord màchtig doen zijn. Sócrates, Sócrates: dat is een mirakel! Wie deden mirakelen? De Apostelen en de Heiligen. En al ben ik apostel noch heilige, niettemin bewerkstelligde ik een wonder en zulks duidt op een uitverkozenheid. Socrates! (Pastoor Poncke werd heel overmoedig!), ik wil het bestaan, deze uitverkozenheid te beproeven… nietwaar? : onderzoek alle dingen enSocrates, ziet gij dien tronkboom daar bij de heg? Welnù…

Pastoor Poncke strekte de armen naar den wilg en uitte magisch:

— Tronk, in Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes: kom tòt mij!

De boom roerde zich niet.

Socrates, zegde Pastoor Poncke spijtig, — het wil niet. Maar, héé, mijn Vriend, klaarde het hem, — als de boom niet tot Poncke wil komen, gaat Poncke-zelve naar den boom — dat is opterminst een even groot wonder!

En Pastoor Poncke voegde de daad bij het woord, tord steil ten boom, en taakte lijk dreelend de ruige, vochtige schors. Daarna keerde hij bij Socrates weêrom, haalde de koe-pikkel uit het stalleke en bezigde haar teneinde moeiteloos in het zadel te geraken.

— Naar huis, mijn Vriend.

De beemd, drassig, sopte onder Socrates’ hoeven. Zij bereikten den wegel. Pastoor Poncke vergat de balie te sluiten, gulzig als zijne oogen zich vergastten aan het gezicht der alom glinsterende granen. Zij reden Damme binnen. Pastoor Poncke gevoelde zich fier en zijn wedergroet aan de passanten bezat, nevens de gemeenlijke minzaamheid, entwat dat de parochianen bijkans bedeesde.

Bij het hofpoortje der pastorij klom Pastoor Poncke van Socrates af. Hij kwam met het dier binnen het eigen omhein, stapte meteenen tot over de gespschoenen in het water en sipte op zijn groenselveld, dat niet langer scheen te bestaan, want volledig blank stond van water.

— Héére, Socrates, stiet hij uit, — mijn veld is verloren!

Teleurstelling donkerde over Pastoor Poncke’s gelaat, verzwond ten deele. En zoo blijmoedig als hem moogelijk was, zegde hij tot God:

— Heer, hoe zoude ik U hiervan betichten? Wel hebt Gij in al te rijkelijken overvloed mijn veld met Uw regen gezegend, maar schuldig zijt Gìj nìet. Neen, niet gìj zijt hieraan schuldig, doch ik, Benedict Poncke, die U dezen moeshof heeft aangewezen!

Door tal van plassen bracht Pastoor Poncke Socrates naar het schuurke:

Katrijne zal verder voor u zorgdragen, mijn Vriend. Danke. Pastoor Poncke ging in huis, sprak in de keuken: — Hier ben ik, Katrijne. Het heeft gerégend…

Zaagt gij onzen moeshof…, begon Katrijne.

— Ik zàg, Katrijne-dochter. Aanvaarden wij. God heeft gegeven en God heeft genomen. Ik doe mijne schoenen en kousen uit en lang mij andere kousen en mijne sleffers. Amen.

PASTOR BONUS II

Het oogstgetijde was aangebroken. De vrucht, gedijd tot volwaardigheid, zweek, lijk met telkens een lichten zucht, onder de rustelooze zicht. De zon mikte den pikkers heur schichten tusschen de gekromde schoêren. Het stoorde de mannen niet in hun wrochtdrift. Rèng, rèng. Het koorn moet af. De zon is zot. Laat haar zot zijn, laat haar plagen. Rèng. Wij lachen om de laaiïng. Zij deert ons geen zier. Wij zijn kloekaards. Hoor het vlijm zingen! Rèng. Rèng. Vivan het vrouwvolk. Wijven zijn nijver van nature. Rèng. Dat Cordulake van Melsen Broncke is een djent dingske, zij bindt mij alsaan op de hielen en lonk-oogt als ik mij ’t zweet uit de oogen strijk… Rèng. Rèng. Dat mijn Meele op kindbed ligt, juist nu, te midoogst… De boer vaart immer het beste: hìj heeft rijken oogst aan koorn, ìk aan de kinderen… Rèng. Maar wat jeremieer ik… ’t Koorn moet af. Rèng. Rèng.

Soms verliet een pikker het gelid, teneinde zijn zeisen te ontschaarden en het zethamerken tampte òp van de gronden gelijk een kersteklokje.

De vrouwen bandden de schoven, stuikten ze, kreten en lachebekten ondereen of naar de pikkers.

En dit leed alzoo van vroeg-uchtends tot avondval.

Pastoor Poncke, door den wijden buiten brevierend, liet menigwerven Socrates halteeren op een stee, welke hem open uitzicht verschafte op de oogsting. Hij meende daar thans eenigszins rijkelijker recht op te hebben dan in de vorige zomerseizoenen. Had hij per slot niet zijn bescheiden aandeel in het welslagen van juist dezen oogst? Die van Damme en het Damsche lispelden van hem, dat hij schier een heilige wezen moest, door hèm had de hemel geregend op het moment, toen alles verloren scheen. Deze faam stond Pastoor Poncke niet aan. De duivel dreelde hem erin en bekwam weister, buiten het gebied van zijne, Poncke’s kleine teenen te kittelen. Een ander dan hij, Paap Poncke, was voorzeker bezweken voor een diergelijke aanvechting. Vade retro, Satanas.1 1 Wijk vàn mij, satan! Ik zal den Dammenaren, zwijgen zij niet spoedig, gildig verdietschen, hoe een heilige Poncke slechts aan verziekte fantazije ontspruiten kan. Zwart is zwart en wit is wit. Ik zal hun een bolwassching bezorgen. Maar ik moet oprecht zeggen, dat men nievers zulke straffe pikkers vindt lijk in Damme. Een lust voor de oogen en een lust voor de ziel. Het is door zulk volk, dat Damme Damme wierd en bloeide als één der eerste onder de steden van Vlaanderen. Ware de Zwene niet verzand, Antwerpen héé, lag niet aan de Schelde. Het is echter óók met zùlke noestaards, dat men de Zwene wederom uitdiept!

Wellustig, vermeide Pastoor Poncke zich een pooze in den arbeid zijner kinderen en hervatte nadien de breviering, om een eindweegs verder van her de doening gade te slaan en er allerhand overwegingen aan vast te knoopen.

Het gebeurde wel eens, dat een boer, hem ontwarende, over de stoppels op hem toe tord. Een kouterij ontstond over de vordering van het werk en bijkans altijd eindigde het met de belofte van den boer, Pastoor Poncke tijdens de Novemberslachte gul te gedenken. : — Gaarne, mijn vriend, viel Pastoor Poncke den belover steeds volmondig bij, — alhoewel louter den Heer-God de eere toekomt — soli Deo gloria1 1 Aan God alleen de eer., nietwaar? — sla ik uw aanbod niet af. Ik eet gaarne ribbekes, gelijk ge weet, saucijs en hesp. Reeds in ’t vóór gedànkt, mijn vriend!

En Pastoor Poncke becijferde, met heimelijk geneucht, het getal ribbekes, hespen en saucijzen van zijn wintervoorraad en hoe de armen van Damme daarvan hun eerlijk deel zouden ontvangen. En Socrates torste hem andere velden langs, en andere beloften tegemoet.

Keerde Pastoor Poncke eindelijk huiswaarts, dan richtte hij zijne route dusdanig in, dat hij bij het huizingske van Sanderken Teirlinck belandde, alwaar hij eenige oogenblikken pleisterde, zonder het zadel te verlaten. Er viel met Sanderken Teirlinck geen garen te spinnen. Sanderken worstelde slechts slapkes tegen zijne innerlijke miserie vanwege zijn broers dood en het docht Pastoor Poncke, allengs gemakkelijker regen te veroorzaken dan Sanderkens ziel naar de zon te tillen.

Eens zegde Pastoor Poncke hem:

Sanderken-vriend, ge vermagert tot op het gebeente, al kan men niet zeggen, dat gij ooit de Dikken van Pieter Brueghel ook maar in de verste verten benaderdet.

Sanderken klopte zich op de borst:

— Dat komt van hier-binnen, Mijn-Heer Pastoor…

Sanderken, wordt toch blijmoediger. Ge hebt maar naar buiten te oogen en de Vlaamsche aarde biedt zich u in ééne matelooze tinteling van licht en oogstland. Wanneer ìk dit schouw, mijn vriend, loop mij het hart over van welligheid. Gij echter hebt u een zwarten bril op den neus geplant en zwart is u alles. Smijt dien bril in den zinkput. Hoe dikwijls moet ik u zulks nog raden?

— Het verdrìet…, ving Sanderken te betoogen aan.

— Tut-tut. In den bijbelboek leest ge, dat God den mensch schiep naar Zijn beeld, wáár of niet wáár?

— Och, weerstreefde Sanderken.

— Geen „och”, beweerde Pastoor Poncke fel. — God heeft u geschapen naar Zijn beeld. Bijaldien zijt gij „God’s beeld” — en wat volgt hieruit? Ik zal het u verklaren, mijn vriend. Hieruit volgt, dat, waar gij als mensch verdriet lijdt, ook de Heer-God verdriet heeft. Het verdriet van God, ge geeft het subiet toe, moet uiteraard een verdriet zijn van onuitsprekelijke grootte, een verdriet zelfs door Ons-Heer per slot bijkans niet te dragen en te verdragen. Welnu, Sanderken-vriend, waar zou Ons-Heer met al zijn verdriet naar toe moeten, indien hij den mensch niet had om zijn last een kruimelken of wat te helpen verlichten — het zwaarste behoudt Hij voor Zich-Zelve vermits hij nu eenmaal God is —, ik vraag en hervraag u, helder op uw geweten af: waar zou Hij er anderszins mede naar toe moeten, Sanderken Teirlinck? Stil, ik ben nog niet aan het einde. Ik kom thans bij ùw geval. Gij, Sanderken, draagt méér dan eenige kruimelkes van dat Gods-verdriet. Waar duidt dit op? Op Gods bijzondere witte gezindheid jegens u. God ziet u gaarne. Hij heeft bij Zich-Zelve geredeneerd: dat Sanderken Teirlinck van Damme is een manneke naar Mijn goddelijke Gemoed, een kersten van de eerste klasse. Cyriel, zijn broer, pleegde een handeling, welke ik lastig kan goedkeuren, God zijnde — al ben Ik de laatste om Cyriel in den steek te laten. Natuurlijk lijdt Sanderken zwaar onder zijn broers daad en nu zou Ik van dat leed van Sanderken een ferm deel op Mijne schouders kunnen nemen. Maar, ai-mij, Ik heb al zooveel smart op Mij. Zal Sanderken Teirlinck op Mij morren, mocht Ik hem den ganschen last opladen? Neen, daarvoor ken ik hem te diep! Sanderken is kloek genoeg het Gods-deel van het verdriet om Cyriel te torsen nevens het Sanderken-deel. …Verstaat ge uw Pastoor, mijn vriend?

Sanderken zegde niets.

— Gij verstaat mij, achtte Pastoor Poncke. — Edoch, mijn vriend, God heeft u voor kloeker bekeken dan gij in waarheid zijt. En eveneens ik, Sanderken. Ha, gij moest het u eene glorei weten, dat de Heer-God zulk een vertrouwen in u stelt. Gij moest uwe oogen ten hemel slaan en monkelen: Heer, hier sta ik, Sanderken Teirlinck, en de vracht van mijn lijden trekt mij naar U omhoog, want door al mijn droefenis heen, besef ik, dat ik U help door mij stérk te houden gelijk een Sint Christoffel! Sànderken

Sanderken verroerde zich niet.

Pastoor Poncke herzegde:

Sànderken…!

Sanderken schudde het hoofd en op zijne handen starend, mompelde hij, als had Pastoor Poncke louter in den wind gesproken:

— Ik en Mieke Marol zijn de rampzaligste menschen van de wereld.

Een lange stilte ontstond.

…Heer!, bad Pastoor Poncke, — sta Sanderken bij, alstubelieft!

Sanderken boorde de naald in de bombazijnstof, welke hij aan het verwerken was, keek Pastoor Poncke triest aan en zegde uiterst ernstig:

— Gij moet eens bij Mieke gaan, zij is krank. Zij heeft niemand, die zich om haar bekommert.

— Dat wist ik niet, Sanderken. Braaf van u, dat ge mij er op wijst. Ik bedenk thans, dat ik deerlijk in verzuim ben geweest. In dagen ontmoette ik haar niet. Ge moogt mij betichten, haar verwaarloosd te hebben, Sanderken. Ik ben zeer schuldig en, hopelijk, zullen Mieke en Ons-Heer het mij willen vergeven. Sanderken, ik vertrek zonder dralen. Maar gij, leer het bestel des levens schouwen met een breeden blik. Dàn herkent gij uw taak, en uw verdriet gaat glanzen, mijn vriend, geloof mij!

En in de armenbuurt gearriveerd, ging Pastoor Poncke het goor huizingske van Mieke Musschenschrik binnen, na Socrates vermaand te hebben, rustig zijn weêrkomst te verbeiden. Mieke heur heem, een zuur ruikend en mager door den dag verlicht kamerke met een bedstee, mat niet meerder dan vier ellen breedte en lengte. Mieke lag op heur bedstee-sponde. Pastoor Poncke tord tot bij haar:

Mieke, wat schort er met u?

Mieke draaide heur verrimpeld aangezicht naar Pastoor Poncke.

— Mijn-Heer Pastoor…, zegde ze.

Ja, ik ben het, Mieke. Sanderken Teirlinck deed mij mare van uwe krankte. Het spijt mij zoo, dat ik pas thans ten uwent gekomen ben.

— Ge zijt er nù tocht, teemde het wijveke tevree en heur ietwat omhoog wrochtend, kondde zij Pastoor Poncke geheimzinnig:

— Ik ben aan het dóódgaan, Mijn-Heer Pastoor.

— Waar hebt ge zéér, Mieke?

— Zéér? Nievers heb ik zéér. ’t Is te zeggen…

— ’t Is te zeggen… wàt, Mieke?

— Hèndrik.

— Wìe, Hèndrik?

— Hij, Mijn-Heer Pastoor, ge weet wel: de duivel!

— Tempteert hij u weder? Ik heb een remedie, gelijk u bekend is…

— Neen, hij is uit mijne darmen vandaan. Maar hij waart hier rond en ik verkeer in wreede vare

— Ik zal hem verdrijven met een kwispel wijwater en heilige spreukzeggingen, Mieke.

— ’t Is dàt niet, ’t is dàt niet, kwebbelde Mieke eenigszins koppig. — Ik ben in groote vare voor den dood.

— Een mensch sterft zoo rap niet, Mieke —, alle sterven vangt gemeenlijk aan met een waarlijke krankte en gij zegt zelve, dat…

— Ik verschei over twee dagen, voorspelde Mieke met stelligheid. — Ik ben daar zoo gewis van lijk ’nen boom. Ik had een dróóm.

— Droomen zijn begoocheling.

— Een dóódsdroom nimmer, Mijn-Heer Pastoor. Ge kunt mij mijne wete niet ontrooven. Een doodsdroom nimmer, zeg ik u.

— Wat hebt ge dan gedroomd, Mieke? Zoo, laat uw hand nu in de mijne, ik kan dan beter luisteren, Mieke.

Het wijveke sloot de oogen, begon na een spanne:

— Ik zag mijn eigen in lijke. Ik lag in mijn schrijn en het schrijn stond overende nevens de schapraai en ik stond vóór dat schrijn. Hu, dat was zoo akelig. Ik geloof, dat het tegen avond gebeurde. En aan weerskanten van mij, waren er daar almeteens twee: mij te linker Hendrik, te rechter de Engel. Hendrik had niemendal aan het lijf en zijn vel blonk bloedrood en zijne oogen waren lijk een koppel gloeiende bollekes van koper en zijn billen langbehaard en zijne voeten bokshoeven. Hij droeg een sikbaardeke, en horens op den kop. Hij was schoon en nochtans leelijk. Maar héél schoon was de Engel. Hij droeg witte kleeren tot op de wreven en twee eender lange zwaansvleugels op den rug en zijne haren waren blond gelijk vlas, zijne blinkers blauw lijk de hemel en hij verspreidde eene witte helte. : — Me-lieveke, zìet gij u?, lispelde Hendrik mij mild : — Ja-ik, Hendrik, zegde ik. : — Ach, ge zijt dood, me-lieveke, zegde Hendrik. : — Ja-ik, Hendrik, zegde ik. : — Ge zijt vervaard, mijn zoete?, vraagde hij. : — Ja-ik, Hendrik, zegde ik en lijk een vrieskou doorreed mij. : — Gij ligt daar zoo stijf en verlaten, och-arme, fleemde Hendrik; — Me-lieveke, ik koester zoo’n compassie met u! Kunt ge dat zoo maar aan-zien, dat zoete lijveke, waarin g’ al uwe dagen gesleten hebt? Zijt gij zoo ongetrouw? Kruip toch ìn u, mijn boele! … Ik wilde al gaan, Mijn-Heer Pastoor, als de Engel zegde: — Mieke Marol, dàt in het schrijn zijt niet gìj, hecht aan Hendrik geen geloof. Ik vraagde: — Wie is het dan, Mijn-Heer d’Engel? : — Uw hulsel, antwoordde hij, — uw afval, dat in de aarde gedolven wordt. Hendrik lispelde: — Hij liegt, mijn bloeme. Ge hebt uwe beide oogen toch? Zie toe: wat is van afval aan uwe handen? : ze rusten u gaaf op den buik —; aan uw aangezicht? : het slaapt effen en zuiver. Kruip ìn u, kindeke! De Engel zegde: — Neen, de ziel is meer dan het lichaam, gij zijt, waar gij hier stáát, uwe ziel. : — Ziel en lichaam zijn één, zegde Hendrik. — Toe, kruip ìn u, Mieke-mijn, laat u niet misleiden! : — Hendrik is de dood, sprak de Engel. : — Ik ben het leven, me-lieveke!, zegde Hendrik; — één stap en ge leeft gelijk nooit tevoor. Kruip ìn u. Ik kom bij u! Hendrik kan zoo schoon spreken, Mijn-Heer Pastoor! Als ik hem hoor, moet ik luisteren. En ik had gedaan ’tgeen hij vergde, ware ik niet wakker geworden. Maar sedertdien durf ik het bedde niet meer uit, want dan zal ik mij-zelve weer in lijke zien.

— Ge leeft gaarne, Mieke?

— Ja-ik. Maar Sanderken Teirlinck zegt, dat het leven geenerlei waardij heeft.

— Hij zegt zulks uit oorzaak van zijn broer. Hij doolt echter. Hoe lang ligt gij alzoo, Mieke?

— Vijf dagen.

— En uw ate?

— Ik kan bijkans niet eten. Nelle van hiernevens komt wel eens en doet mij een beetje eten. Maar wat baat het te eten, wanneer men dood moet?

— Gij doolt met den dood gelijk Sanderken met het leven doolt, Mieke.

— Ik dool niet. Binnen drij dagen lig ik over aarde.

— Gij bedriegt u.

— Neen, zegde het wijveke beslist. — Doodsdroom is doodsdroom. Ik zou met den Engel mee willen, maar Hendrik zal het mij verweigeren en mij in-spinnen met woordzeem. Hendrik is de duivel… Ai-mij, ik geloof dat ik hem ruchten hoor —, staat hij niet bachten u?

— Verbeelding, Mieke. Ik bemerk geen spoor van hem. En dat gerucht is de kater, die gonst op de raamrichel in een riem zon. Zoudt ge niet van uw sponde komen?

Neen, neen, weerde Mieke haar hand aan die van Pastoor Poncke onttrekkend. En zij begon stillekens te schreemen.

Mieke, troostte haar Pastoor Poncke, — blijf liggen indien gij dit het liefst hebt. Ik zal een Vader-ons voor u bidden.

— Ja, snikte het vrouwke.

En Pastoor Poncke zegde luid-op het Onze Vader.

— Zoo, Mieke, nu kunt ge gerust zijn. En wil ik u eens wat zeggen? Over drie dagen zijt gij springlevend en uw droom zal u rook blijken. En eet toch een luttel, Mieke. Baat het niet, het schaadt evenmin. Of drink zoo nu en dan een bekerken melk. Ik zal Katrijne bij Nelle elken dag een kanneke melk laten bezorgen. En morgen kom ik weêrom en we kouten over schelpkens en schaapkes, al navenant. En geloof maar, dat Hendrik geen teen over uwen drempel wagen zal. Als Paap Poncke een Vader-ons leest, vlucht Hendrik honderdduizend mijlen hier vandaan. En op de pastorij en in de Lieve Vrouwe zal ik voor u bidden. Alla, Mieke, tot morgen.

En Pastoor Poncke reed op Socrates huiswaarts.

En ’s anderendaags bezocht hij Mieke van her en constateerde bevreemd, dat zij er veel kwalijker uit-zag dan gister. Hij opperde, den doctoor van Brugge te verwittigen of haar naar het gasthuis te vervoeren, bij de nonnekes van het Heilige Hart. Doch Mieke wilde van het een noch het ander weten en dat van dien doctoor meende Pastoor Poncke niet bijster serieus. Doctoren golden hem vijanden van de natuur, levensverwoesters — de kerkhoven konden u er relaas van berichten en geen doctoor wierd ooit in den hemel opgenomen — contrarie. : — Zij gieten u de zotste medicamenten in, placht hij te zeggen, — en wanneer ge genezen zijt, ligt ge nog weken op uw polk geklonken vanwege hunne remedies!

Des noens echter verscheen bij Mieke een nonneke, teneinde haar te verplegen. En Pastoor Poncke sloot zich op in zijne librije en neusde tot diep in den nacht in Agrippa, speurend naar een uitleg omtrent de mogelijke macht van droomen. Hij ontdekte echter niets, dat sloeg op Mieke Marol heur stuk. Hij dubde op Mieke, de handen onder het hoofd en de ellebogen gestut op het schrijfblad. Menschen hadden hunnen dood gedroomd — maar immer betrof het een dood door een ramp van buiten-af. Met Mieke lag het anders. Háár teisterde Hendrik. Mieke leed lijk aan een zielskrankte, zonder in het subiete uitzinnig te zijn. Hendrik was haar dwangbeeld en haar een volstrekte werkelijkheid. Jaren en jaren leed zij aan hem — hetwelk haar, de voormalige rijkemansdochter, den naam van tooveresse berokkende. Elkendeen sterft zijn apartelijken, zijn eigen dood. Redelijkerwijs zou Mieke dies aan Hendrik moeten sterven. God, Uwe wegen zijn duister. Gij maaktet Uwe aarde niet tot de blinkendste Uwer planeten, ofschoon Gij het ànders vermocht. Gij hebt er Uw Wit mede, natuurlijk. Mieke Marol wordt, mijns erachtens, evenwel te deerlijk getempteerd evenals Sanderken Teirlinck. De zuiverste zielen doet gij het schrijnendst zeernis aan. Ik, Benedict Poncke, priester van Damme, biecht U er niemendal van te doorpeilen. Dat eenmaal boven ons gebeente een beter geslacht moge geboren worden. Amen.

Den dag nadien wierd Pastoor Poncke met Ons-Heer bij Mieke geroepen. In gebed schreed Pastoor Poncke door de straten en achter hem luidde de koster in koorkleed de bel. De voorbijgangers ontblootten het hoofd of knielden. Pastoor Poncke bemerkte het amper. Hij kwam bij Mieke en bediende haar. Zij leek als uitgeteerd. Pastoor Poncke’s latijn zong over haar heen. Hij had niet gewild, dat zij biechtte. : — Uw leven is een biecht geweest, Mieke —, gij zijt schuldeloos voor den Heer-God lijk een pril graske.

Mieke heur adem minderde snel.

Pastoor Poncke aaide heur beenderige hand:

— Ge kunt thans gerust sterven, Mieke. De dood is schoon. De dood is de Engel, dien gij zaagt —, deze met de lange zwaansvleugels, geheugt gij het u nog?

Mieke hijgde, en haar vrije hand krampte in de sargie en in haar oogen verscheen entwat schrils.

— Ge moogt niet benauwd zijn, Mieke. Gij zult voortaan heemen bij Ons-Heer. Niemand zal u hinderen en gij zult den lof Gods zingen met de andere zielen. Ik geloof, Mieke, dat gij schoon zult kunnen zingen. Ons-Heer zal u hooren en naar u monkelen. Ah, Mieke, ik wilde dat ik met u mede kon reizen. Wat is er, Mieke? Wat zegt ge? Hèndrik? In uwe darmen? Mieke, geloof dat toch niet. Woel niet zoo, Mieke. Wie gelijk gij stillekens sterft in Gods armen, kan geen Hendrik genaken. Gij zult gelukkig zijn. Mieke toch!

Het stervend wijveke wilde omhoogkomen, zeeg terug op de peluw en blikte Pastoor Poncke wanhopig aan.

— Wat wilt ge, Mieke? Ei, ik begrijp het. Het is tòch Hendrik, die weêrgekomen is, nietwaar? Maar hij zal er niet lang geneucht van beleven, want wij hebben, hier-zie, Mieke, een wapen, dat hem rap bannen zal naar het zwart oord van zijnen thuis. Stil, Mieke. Niet roeren. Hier hebt g’ het poederke. Snuif nu, snuif, Mieke. Braaf zoo. Neen, niezen is overbodig. Hij vlucht reeds, Hendrik. Hij vlucht, hij loopt gelijk hij nog immer liep. Ge zijt bevrijd, Mieke. Proficiat. Ja, nu is het zalig te sterven voor u. Hoort gij het nonneke voor u bidden? Nu is alles goed, Mieke —, álles. Ge gaat slapen, Mieke, sluit uwe oogen maar. En dan wordt gij wakker bij Ons-Heer. Slaap maar, Mieke — slaap. Ge zijt een beetje moew en daarom moet ge slapen…

Mieke lag thans heel roerloos, bijna alsof zij waarlijk sliep. Lichtkens ademde zij. Pastoor Poncke liet de snuifdoos in zijn soutanezak glijden, Mieke bestendig gadeslaand. Naast hem lag het nonneke geknield en murmelde zonder onderbreking den ring der gebeden. En Pastoor Poncke ving aan de litanieën voor de stervenden te spreken:

Proficiscere anima christiana…1 1 Vertrek, Christene ziel…

Als hij de litanieën beëindigd had, was Mieke heur klein leven uitgebluscht. Pastoor Poncke hield haar een spiegelke voor de lippen. Het bedoomde niet.

Het nonneke murmelde.

Pastoor Poncke bracht Mieke heur handen tegeneen en bewond ze met Mieke heur rozenkrans.

— Zoeter dan Mieke verscheidde nimmer een mijner parochianen, zegde hij. — Ik heb haar duizend werven beklaagd. Ik vraagde God: — Waaròm, Heer? God heeft mij door Mieke geantwoord (Pastoor Poncke wees op de gestorvene): — Dáárom! Een droom doodde haar, een schijnlijk booze droom. Het blijkt de schoonste der droomen te zijn geweest. Finis coronat opus. Het einde kroont het werk.

Het nonneke murmelde.

Pastoor Poncke verliet het huizingske.

Drie dagen later wierd Mieke begraven.

Twee nonnekes van het Sint Jansgasthuis verzelden de uitvaar.

Pastoor Poncke brevierde voort door de dagen van oogstmaand. De vrucht was binnengehaald, de stoppelgronden vlakten onder de zonnelucht, in een plots onaantrekkelijke blootte, welke Pastoor Poncke de vóór-oogstsche kortere tochten hernemen deed. Hij arriveerde nu weer aanmerkelijk vroeger aan Sanderken Teirlinck’s woon, en sprak telkens langduriger met het snijderken, in stijgende onrust verkeerend omtrent diens ziel. Maar elk woord van hem sloeg teloor lijk tegen een botten muur en Sanderken bleef de gevangene van zijn doffe ellende. En er kwam van langsom entwat schuws over Sanderken alsof Pastoor Poncke’s bezoeken hem benarden en eens stiet Sanderken eruit: — Laat mij met vree, astublieft, wat hierbinnen zit, ge krijgt het er immers toch niet uit?

Doch Pastoor Poncke liet niet van hem af. Het is een onnut herder, die zijne kudde verwaarloost. Pastoor Poncke was een herder naar het hart van Ons-Heer. Uren lag hij des nachts slapeloos en dubde erop, hoe Sanderken morgen aan te pakken. Sanderkens gemoed was hem een mysterie geworden. Hij poogde het te ontleden; hij bevond dìt bij Sanderken zóó te wezen en dìt dùsdanig. Maar de geworven gewisheid bleek altijd weer falikant en onmachtig een kentering te veroorzaken.

Een dag aan het einde van zomermaand, zag Pastoor Poncke, Sanderkens huis op een half boogschot afstands genaderd zijnde, het manneken jachtig de baan dweerschen en het stoppelveld overbeenen. …Ei, vermeende Pastoor Poncke, wat heeft Sanderken nu in den zin, ik geloof warempel, dat hij vliedt voor mijn komst. En toen doorschichtte het Pastoor Poncke, dat over-akker een brakke watering van de Lieve vloeide en hij riekte ramp en riep: — Sànderken!

Doch Sanderken liet zich niet beroepen en verzeerderde van gang, rocht schier in draving.

Sànderken! Hééla, Sànderken!

Sanderken hoorde niet.

…Domine! quid me vis facere?1 1 Heer, hoe moet ik handelen?, vraagde Pastoor Poncke.

: — Sanderken redden, antwoordde God.

En meteen stond Pastoor Poncke op het zand van de baan, liet Socrates aan zijn lot over en stormde den akker op.

Sanderken!, schreeuwde Pastoor Poncke. — In Godsnaam, sta!!

Sanderken blikte om en ijlde verder alsof de baarlijke satan hem in Pastoor Poncke’s gedaante op de hielen zat. En Pastoor Poncke rende lijk hij het nooit in zijn leven gedaan had. Zijn zolen daverden over de harde bultige aarde, zijn likdoorns marteliseerden hem lijk beulen van de inquisitie — hij achtte er niet op. Zienderoogen won hij op het manneke, dank zij zijne langere beenen en op een moment struikelde hij bijkans over een steen, wist zich overeind te houden. Hij verloor zijnen tik. Het ontging hem welhaast. Hij schouwde niets dan het ventje, dat verbeten voorwaarts joeg, met korte bewegingen van voeten en armen, àl dichter de watering genaakte, àl dichter den dood toe. Thans scheidden hem nog slechts een twintigtal schreden van Sanderken.

Hij voelde hoe hem de krachten begaven.

Pastoor Poncke achtervolgt Sanderken Teirlinck, omdat hij zich in de watering wil werpen

Sanderken!, hijgde hij.

Sanderken was doof. En dan geschiedde het. Een geweldige plons. Sanderken had zich in de watering geworpen.

— Heere! …, uitte Pastoor Poncke radeloos staande op den oever en tevergeefs zocht hij ringsom naar ievers hulp. En keek toen naar Sanderken, die zóó berekenend zijn plan volvoerde, dat de dood hem vlot beetgrijpen kon: een instinctief verweer en het water sloot zich over hem.

— Heere!, uitte Pastoor Poncke nogmaals. En het volgende oogenblik was hij rechtstandig tot de heupen in de smalle watering gesprongen, voelde zijn voeten wegzinken in de moer, graaide op goed geluk met den arm en had Sanderken beet. Snel klauwde hij de vrije hand hecht in het boordgras, en wrocht zich daarna moeizaam met de knieën op den wal, Sanderken met zich sleurend. En daar lag hij nu, uithijgend nevens den drenkeling, die het aangezicht in het gras preste, op het droge. Na een pooze rechtte hij den romp en zàt, zich stuttend op de palmen.

— Wat zijn dat nu voor manieren, Sanderken, schrolde hij.

— Zie mijnen toog eens. En waar is mijn tik? Ah-ja, die ligt ievers op het veld en ik vind hem seffens wel. Maar wat zijn dat nu voor manieren van u. Ge ziet mij komen en vat de vlucht als ware ik een rabouw en niet uw pastoor. En dáár nog niet van: ge smijt u rats in het water en ik moet trachtten u er uit te krijgen. Sanderken, Ons-Heer treurt om u, gij hebt Hem afvallig willen zijn. Tja, nu ligt ge daar te schreemen van spijt om uw on-daad. Zonder mij waart ge nu dood geweest in dat leelijke water. Hoe kunt ge zoo onordentelijk handelen! Dood — wat hebt ge eraan, Sanderken! Peinst ge dat de dood u profijten biedt! Ge hebt uw leed willen verdrinken, bevroed ik, ge hebt uw eigen willen versmachten. Schoon. Maar dood is nog niet dood, mijn vriend, bij lange niet? Wil ik u eens wat zeggen!: de dood bestáát niet en heeft nìmmer bestaan. Ge dacht, nietwaar!: ik kan niet langer meer leven met dat verdriet in mij. De dood is een donkeren put. Een simpel sprongske en alles is voorbij… geen gepeinzen, geen lijden… Natuurlijk moet men daarbij God vergruizen èn bijaldien het léven, nietwaar! Men roept een waanbeeld op van den dood en alles is u effen. Maar God en leven, mijn vriend, zijn Eén en oneindig. De put van den zoogenaamden dood is slechts een bodemlooze schacht — door hare duisternis heen stort gij van her het leven in. En dan hebt gij ’t daar weêr — al uw miserie, en de knagende wroeging op den koop toe. Sanderken Teirlinck toch! Voormaals waart gij mijn geliefdste parochiaan — en, ah-wel, ge kunt het nòg zijn. Wat hier geschied is — ik sluit er mijne schelpen voor en God verricht het eendere. Ik kan zulks zonder blozen verklaren, mijn vriend, want ik heb, om zoo te zeggen, den boeren den regen geschonken gelijk ge weet. Er is dies niemendal voorgevallen. Zoo, ik ben weder op de voeten. Alla, sta op, Sanderken; kom, ik help u. Schoon. Zie mij eens aan. Neen! Ik heb patiëntie genoeg. Sanderken, het is toch om te lachen! Mijn vriend, ik schuif mijnen arm door den uwe. En thans huiswaarts. Ik wilde zeggen: het is toch om te lachen, Sanderken: ge gelijkt permintelijk een watergeest, die zijn element is ontrezen. Ge zijpt t’ allenkant en zijt groen van kroos. Een mensch maakt somtemets vreemdige dingen door. Dat zwarte, daarginds op de stoppels, is het mijn tik niet! Alleszins mijn hoofddeksel, mij ontrukt door de lucht van de vaart, waarmede ik u achtervolgde. Paap Poncke loopt lijk een windhond; gìj gold zijn wild, Sanderken. Héé, het zou mij niet verbazen, wanneer we gebeiden door dien wedkamp een tiental jaren verjeugdigd waren. Hier is mijn tik. We zijn bijkans ten uwent. Het eerste wat gij doet is uw natte kleeragie uitwerpen, u droogwrijven en uw polk in. Morgen vermeent gij alles een droom. Een droom evenwel, waarin gij u gebaad hebt en rein gekuischt — en herboren zult gij opstaan. Zoo, nu zijt ge thuis. Socrates! Daar komt Socrates reeds aangedreveld, Sanderken. Wilt ge aanvaarden, dat ik wel eens gedacht heb, dat Socrates een betooverd mensch zoude kunnen wezen! Geloofde ik aan tooverije, mijn gedacht ware een wéten. Wat houdt g’uw huizingske proper, Sanderken —, Katrijne gebetert het u niet. Ontkleed u. Neen, wacht efkes. Voor ik naar huis trek, verg ik een belofte van u af, gelijk het mijn recht is. Zie mij aan, Sanderken. Schóón. Met een halven blik ben ik al content. Luister nu: plechtig moet ge mij beloven, niet meer te doen ’tgeen ge deedt. Belooft ge ’t mij, mijn vriend?

— Ja-ik, zegde Sanderken zacht, terwijl een plas zich vormde rondom zijn voeten. — Ja-ik en… en ge zijt welgedankt, Mijn-Heer Pastoor…

— Geen vereischte, mijn vriend, woof Pastoor Poncke mild, — ik had het voor mij-zelf immers eveneens gedaan! En, om mij te verafscheiden van u: toon u kloek voor Ons-Heer en gedenk allen dag: mors honesta vitam etiam turpem exornat, het welk zooveel bedieden wil als: dat een eerlijke dood zelfs een schandelijk leven siert. Tot morgen, Sanderken.

En Pastoor Poncke reed ter pastorij, alwaar Katrijne, den toestand van zijn soutane gewaarwordend, uitbarstte:

— Eerwaarde, wat hebt ge nu uitgehaald? Uw toog, uwen goeden toog bedorven! En zie mij uwe schoenen! Zijt ge gevallen? Hebt ge in ’t water gelegen? Heere, is me dat verschieten!

— Ik ben een luttel nat tot aan het middel, Katrijne-dochter. Homo sum.1 1 Ik ben een mensch. Een mensch kan uitgletsen, nietwaar? Ge moogt peinzen dat ik inderdaad uitgegletst ben.

— Waar?

— Op een waterkant, dochter Katrijne.

— Heel mijn keuken wordt vuil. Trek rap uwe schoenen en kousen uit, en dien toog, boven. Ik kuisch hem dadelijk en lang u den andere. Een stonde verleên liep mij op de koer een rosse kater tusschen de beenen. Zoo entwat spelt ramp. En daar hebt ge ’t al.

— Ter wereld, Katrijne-dochter, ge merkt het, draait alles zijn noodlottigen gang. Schuw katers, Katrijne, zegde Pastoor Poncke zich van zijn schoeisel en kousen bevrijdend. — Altegaar modder. Moer behelst geneeskracht, Katrijne. Mogelijk kom ik alzoo van mijne likdoorns af. ’Laas, ik vrees: want de mijne zijn duivelachtige;. Breng mij lauw water, Katrijne, want ik schaam mij, zoo vies dat mijne voeten er uitzien…

Pastoor Poncke begaf zich naar zijn slaapvertrek en Katrijne bezorgde hem het noodige. Daarna ging hij in zijn boekerij en tracteerde zich op een extra kelk wijn, oordeelende: pro hoc mihi debetur cyathus.1 1 Hiervoor komt mij een kelk wijn toe.

En de stonden vergingen en het werd diep in den avond alvorens Pastoor Poncke zich te bedde vlijde, daar hij een gansch sermoen, hetwelk, als alle andere neergeschrevene, onuitgesproken zoude blijven, voltooid had. Nauwelijks was hij in de duisternis neergelegen en te na-dubben begonnen over de gevaarten van dien dag of hij verbeeldde zich, een verdacht morrelend lawijt te hooren, buiten, aan de achterzijde der pastorij entwaar. Hij rocht er eensslags van in ongemak, wellicht uit oorzaak der doorstane belevenis, daar hij zich gemeenlijk niet door diergelijkheden liet ontwrichten. Hij dacht, onduidelijk, aan dieven en de hennen en den haan Pieter. Hij gleed de sponde uit en liep behoedzaam blootvoeteling naar het opgeschoven venster en spiedde den maanloozen nacht in. Hij werd korzelig op zichzelve en gispte zich in den geest: … Ben ik nu, warempel, lijk de ridder van de Mancha geworden om op niemendal af te sluipen en mij te laten verschalken door een valschen gehoorsindruk? De hof is de hof van al nachten, mijn pluimvee dommelt gezapig op stok en er schuurt wat wind langs de schuttingen. Ei, daar is het toch weêrom… het zal een losse plank zijn, het… Wat beweegt daar bij het kiekenkot? Heere, daar stáát iemand… een dief, een vent, die het voorzeker op mijnen Pieter gemunt heeft! Hij houdt zich koest, misschien snuift hij onraad… Wacht, mijn vriend, voor dieven ben ik onverbiddelijk. Het achtste Gebod is heilig en wet. Wee den wetsovertreder, vriendschap!

En Pastoor Poncke greep boog en pijl uit den vlak nabijen kamerhoek, zette den schicht op, knielde, spànde en mikte grimmig op den snoodaard. Hij liet los en de pijl snorde den hof in, secuur het doel tegen, vertrouwde de schutter. Ha-ha, en hij tròf, dat was gewis. Er was ineenen geen spoor meer van hem waar te nemen? Gevallen? Waarschijnlijk, want hij had een licht gerucht gehoord, een soort plof. Dood? Welneen. De pijl bezat geen punt. De stoot had den dief ontsteld en hij zou verder wel maken, dat hij van zijn, Poncke’s, gebied kwam.

— Dat hebt ge ervan!, riep Pastoor Poncke verbolgen in den hof. — Schaam u, een arme geestelijke te berooven! Ik heb u herkènd, verstaat ge, en gij zult zulks nader nog gewaarworden! Wat peìnst ge wel!

En zijn gramte aldus gelucht hebbende, plaatste Pastoor Poncke zijn wapen terug in den hoek en trok voor de tweede maal te bedde en sliep tot Pieter de Coninck hem wekte met groot geschal. Hij soesde nog een tijdeke na en réés pas als Pieter zijn tweede reveille klaroende.

Beneden vond hij de keuken ijdel, maar den moeshof inschouwend, zag hij er Katrijne donker komen aanterten met over haren arm de gereinigde soutane. Hij wilde bereids aanvangen met Katrijne mare te bieden van zijn jacht op den dief van dien nacht, als Katrijne, hem bemerkend, van onder den toog een pijl haalde en hem deze niet onboosaardig toonde. De jacht verwierd tot entwat schemerigs en een vermoeden steeg en groeide tot een onbehaaglijke feitelijkheid. Maar Pastoor Poncke kuchte eens, kuchte de feitelijkheid in het Nergens en het andere op de tong, gebaarde fierheid en sprak:

— Ha, Katrijne, ge hebt den pijl gevonden, welken ik deez’ nacht afschoot op een dief! Schóón. Dànke.

— Dief?, smaalde de maarte. — En dàt dan? Hier, het schot is dwars door uwen toog gegaan. Twee klinken! In de achterste klink is de pijl blijven haperen. Díef? Zegt gij niet steeds, dat er binnen Damme geen dieven zijn? Zonde voor God. Zulke klinken vallen niet weg te repareeren. Uw toog is bedorven. Gij hebt op uwen toog geschoten.

— Tja, knikte Pastoor Poncke, ineenen voor de schrelle waarheid gesteld. — Tja, het heeft er veel van dat gij het bij ’t rechte hebt, Katrijne… Geef mij den schicht eens over, ik bevat niet, hoe… Ai-mij, ik heb een kapotte pijl opgelegd, eene zonder knop… het hout is hier puntig, gelijk ge ziet. Lijk een dief in den nacht komt de dood. Loven wij God, Katrijne-dochter. Zie, ik zucht van geluk.

— Uw toog verramponeerd, dat noemt gij geluk? Maria-Jozef, het is om te weenen!

— Bedaar, Katrijne-kind. Acht eens op het koppel klinkscheuren. Pal door de hartstreek. Hadde ik den toog aan het lijf gehad, ik ware dóód geweest…

Katrijne heur bolle oogen spiegelden plots ontsteltenis.

— Nietwáár?, vraagde Pastoor Poncke. — En is zulks geen reden voor mij om mij content te voelen? Maar ik moet mijn miske gaan plegen, Katrijne.

Pastoor Poncke zat aan de morgen-ate met Katrijne als de klopper van de pastorij geducht lawijtte. Katrijne ging openen, keerde terug:

— Eerwaarde, iemand van Sanderken Teirlinck, een gebuurwijf. Of ge cito komt.

— Van Sanderken?, zegde Pastoor Poncke opstaande. — Een gebuurwijf, zegt ge? Dat is zonderling. Waarover loopt het, Katrijne?

— Ze wilde het mij niet uiteendoen; zij moet ù hebben, zegde ze.

— Ik ga al, Katrijne.

Pastoor Poncke tord de gang in. Iets in hem, hij wist niet juist hoe, verwittigde hem, dat het met Sanderken niet in den haak was, dat er… Hij weigerde voort te denken.

De vrouw stond op den drempelarduin, een schonkig wijf met zwarte slordige haren en koolzwarte, eenigszins verwilderde oogen.

Goênmorgen. Sanderken heeft u gezonden?, vraagde Pastoor Poncke onzeker.

De vrouw schudde het hoofd, ratelde er dan uit met een hooge, overslaande stem:

— O Mijn-Heer Pastoor, mijn herte staat stil van de alteratie. Zoo entwat heb ik nog nooit beleefd. Zijn muil is blauw lijk een pruim en zijn tong hangt zóó ver uit zijn mond. Mijn vent vond hem, heeft den koord doorgeviggeld. Hij was al dood.

Pastoor Poncke voelde het bloed uit zijn aangezicht wegstroomen.

— Dat kàn niet!, stiet hij er bijtend uit.

— Ah-maar, ik het ’t ventje toch eigen-oogs gezien op den vloer van zijn vlieringske!

Pastoor Poncke achtte niet op het verweer.

— Hij had het mij toch belóófd…, mompelde hij, en scherp tot het wijf:

— Hij heeft zich verhàngen?

— De koord strop hem nog rond den hals —, mijn vent zegde… Pastoor Poncke luisterde niet. In den geest schouwde hij Sanderken, hangend aan een rond een balk geknoopt lijn. …Sanderken, arm manneke, ge hadt het mij lijk bij eede… Maar dat was inzake het water… Heere, vergeef uwen dienstknecht, vergeef het hem zoo hij schuld draagt aan Sanderken dood! Peccavi!1 1 Ik heb gezondigd. Arm, listig Sanderken! Hij wist niet wat hij deed. (Pastoor Poncke bekruiste zich:) Domine, miserere super peccatore.2 2 Heer, wees den zondaar genadig. Hij zal een kerstene begraving genieten. (tot de vrouw:) Ik verzel u. Efkes mijn tik.

En hij verliet met de vrouw de pastorij, haastig schrijdend en biddend. Een een kwart stonde naderhand luidde de Onze-Lieve-Vrouwe Sanderken Teirlinck’s verscheiden en drie dagen later wierd Sanderken in de groeve gelaten in het bijzijn van dezelfde nonnekes, die Mieke Musschenschrik op heuren laatsten gang begeleidden. En die van Damme murmureerden in ’t verholene op Pastoor Poncke, vermist hij Sanderken een stee in gewijde aarde gejond had, want Sanderken immers bedreef de doodelijkste aller zonden? Was de kerkhofgrond en waren in het bizonder de groeven der ordentelijke doode kerstenen van Damme niet voor alle eeuwigheid onteerd? Mijn-Heer Pastoor verzaakte aan de heilige regels, niet louter híerdoor, maar eveneens, waar hij op eigen hand miskes las voor de ziel van een zelfmoorder, hetgeen, onder vier oogen gezegd en gezwegen, op het halen van den baarlijken duivel binnen het kerkschip neerkwam…

Aanvankelijk wierd Pastoor Poncke niemendal van de lispeling gewaar. Gelijk immer brevierde hij door de stede en groette alle parochianen minzaam. Een nanoen echter zegde hem Katrijne:

— Eerwaarde, het ligt mij al lang op de lippen, maar ge hebt scheef gehandeld met een zelfmoorder in de root te begraven!

— Wat verluidt gij mij, Katrijne? Gij zegt zulks?

Gansch Damme, Eerwaarde.

— Zoo, laat ze betijen. Maar dat gìj, Katrijne… ben ik een man van devooren of niet? Ja, ik ben het. Zwìjg, Katrijne. Ge slaat onverantwoordelijke kalpraatGansch Damme… Ah, maar ik zal ze krijgen! Geen vertrouwen in mij, hun priester, te stellen, het is een schand… Uit mijne oogen, Katrijne. Ik ben kwaad, ik ben gerecht kwaad. Zij zullen het ras weten! Principis est virtus maxima nosse suos.1 1 De voornaamste verdienste van een vorst bestaat in diens kennis van zijn onderdanen.

Met drift, stampend bijkans, begaf Pastoor Poncke zich naar de boekerij en aldaar hoorde Katrijne hem nog geruimen tijd overentweer dreunen.

En den eerstvolgende Zondag beklom Pastoor Poncke na het Evangelie van de hoogmis den kansel en stak er het sermoen van zijn leven af:

Beminde Parochianen!

Ik ben maar een simpel priesterken, een armzalige dienstknecht des Heeren, ijverend voor uwe zielen en uwe zaligheid volgens het mij door den Heer-God toegemeten vermogen, en ik ben slechts een triestig zondaar gelijk gij allen. Heb ik het Heelal geschapen, beveel ìk de vaarten der wolken en den zegen der malsche regens? ’Laas, neen. Ik ben die ik ben: een stofke in het Al, een volledige nietigheid. Ik buig mij voor de Liefde-Macht van God en wanneer ik deze macht áánriep, ten uwen bate, mijne kinderen in Christo, áánriep met gansch mijne ziel, mijn hart en mijn geest en wanneer de Heer-God, met een half oor naar mij luisterend, door mij opmerkzaam wierd op den nood uwer velden (Hij was er tòch opmerkzaam op geworden, ook zonder mij, geloof mij!) en eenen rijkelijken regen ruischen liet, opdat uw koorn oogstbaar zoude worden nog op den juisten tijd, dan, zeg ik, Beminde Parochianen, heeft uw Pastoor Poncke niemendal voor u verricht! God is de Vader en de Dader en ik ben niets. Ach, hoe kunt gij mij dan heilig roemen, gelijk ik vernam dat gij deed… Heilig? Ik? Hoe kwaamt gij op zulk een onnoozelheid. Schouwt gij den lichtkrans der heiligen rondom mijnen schedel? Geen spierken van een schijnsel ontdekt ge? Zoude ik het anderszins niet zelve gewaargeworden zijn, ’s uchtends in den spiegel? Zoude mijne maarte er blind voor gebleven zijn? Zoude ik dan ’s avonds op mijne boekerij nog mijne kaarsen vannoode hebben, teneinde al meerdere wijsheid te delven uit de schrifturen van mystiekers, latijnsche poëten en diepzinnige geleerden? Neen, nietwaar? Welnu dan! De roem behoort God alleenlijk. Basta.

Beminde Parochianen, ik snijd thans mijn sermoen aan. Prediken wilde ik u over de perijkelen der menschelijke tonge. In den beginne was het Woord, en het Woord is de tot klank gewordene Gedachte en de Gedachte is uit den Geest, die vormt en schept. Nimmer ging de Gedachte tot klank worden, ware daar niet de tong. Gij allen zijt be-tongden en, als be-tongden, uitverkorenen vèrre boven het dier. Want schiep de Heer-God den mensch niet naar Zìjn Beeld en Gelijkenis? Het dier is be-tongd, maar zijn tong wordt niet bewogen en gereguleerd in hare bewegingen door de eigen gedachte. Het dier kent geen woorden, het kent hoogstens den schreeuw, den klank zonder orde —, den schreeuw uit nooddruft en den schreeuw uit lijfelijke pijn. De visschen zelfs zijn stòm. De vogelen echter komen entwat lijk een spraak nabij inzooverre, dat zij muzijkanten zijn en hunnen Schepper lofzingen op boomtak en in het geluchte, weze het argeloos onbewust. De muzijk is alleszins een soortement van spraak, doch níet de spraak der gedachten, níet het woord, beminde parochianen, maar louter het liefelijk geluid! De spraak der gedachten is door God slechts den mènsch geschonken en zulks opdat de mensch, hoorend naar God, met de tong uitzeggen zoude hetgeen God werkt in het diepste van zijn gemoed. En de menschelijke tong zou niets dan geluk, want Gòd uitzeggen, ware er niet geweest de val des menschen ten tuine van het Paradijs. Eva was de eerste mensch, die zondigde met de tong en daarom bevreemdt het mij niet, dat de vrouwmenschen het felst onderhevig zijn aan kalzucht —, Eva, die haren Adam den appel bood, sprekende tot hem: Eét! Met die „Eet!” stortte voor den mensch het Paradijs lijk in puin, met dit „Eet!” vonniste de mensch voor eeuwig zich zelve, doemde hij zichzelve tot lastigen arbeid in het zweet zijns aanschijns en voor eeuwig den goddelijke en aardschen Hof uit. Wie praamde Eva tot het smaken dier appelvrucht? Wie anders dan de opperste der gevallen Engelen, wie anders dan de Keizer des Kwaads, wie anders dan de Satan? Hij lispelde de Vrouw zijne verlokkingen in het oor, maakte zijne helsche gedachte tot de hare en haar tong tot de zijne. En zij lasterde haren Schepper, begeerde Hem eender te worden. De Satan, mijne broers en zusters in Christo, is vernibbeld op de tonge der menschen. Zij is lenig, die tonge en slaagt gij er als duivel in haar te plooien naar uwe zwarte oogmerken, alsdan richt zij zich als een voortreffelijk wapen tegen de ziel van haren drager en tegen en Al-Eenigen God. De Keizer des Kwaads heerscht in het Hellerijk over vele truwanten. Zij belagen voor hem de zielen der menschen, verleiden deze listig tot ketterije, diefstal en doodslag, tot elke boosheid, welke gij, mijne parochianen, maar bedenken kunt. En iedere truwant heeft zijn apartlijke taak. Ge hebt er per exempel Lucifer, diens listen gij hoofsch heeten moogt en bijaldien uiterst gevaarlijk; Asmodeus, die tot ontucht aanspoort; Mammon, die u het goud God spelt en voornamentlijk de gierigaards bekoort; Belphegor, de stinkende; Bélial, de twiststoker en vuilgebaarder. Ah, het zijn leelijkaards, deze duivelen, doch ze zijn nog niet eens de ergste. De ergste, beminde parochianen, is de door den heiligen Chrysostomus Sáthaël benaamde, is hij, de leugenbelijder, de lasterije-pleger. Geen Satansslaaf geslepener dan deze Sathaël, het lieve-kind van zijn viezen vaêr. Wie der truwanten weet zich zóó onzichtbaar te maken als hij, zóó den mensch in te wikkelen, te fleemen in diens hoovaardij? Hij is niet groot van gedaante, Sathaël; zijn lichaamslengte reikt niet verder dan van uw polsgewricht tot den middelsten vingertop. Zaagt ge hem met uwe oogen, ge zoudt zijn vel grel-geel weten, zijne oogen gluiperig groen, zijn neus een els, zóó dun en vlijm, en zijn bloedrood spraaklid gespleten gelijk bij de slang in den Hof van Eden. Hij is rap gelijk een muishond en duizend werven rapper. Hij vliegt van her naar der, van Parijs naar Londen, van Londen naar Moskou, van Moskou… naar Damme. En alle de reizen te zamen volbrengt hij in éénen aêmtocht. Nu eens joept hij ten schouder van een Koning, dan weêr een landenaar ten schouder —, hij joept, o parochianen, kriskras van Maarten naar Mieke, van Karel naar Klaas en uwe blikken, zaagt ge hem, kunnen hem niet volgen. Hutsj, hier! Hoetsj, ginder! Hij heeft gaarne omgang met edelingen, verpoost bij voorkeur op de vorstelijke hoven. Mede is hij verzot op de groote steden, gelijk Brussel, Gent, Antwerpen, Brugge. Hij joept ten paleize een kamerling op den nek en blaast den ijdeltuitigen duts allerhand verdachtmakingen in betreffende de overige paleiskwanten. En de kamerling luistert gulzig naar het zoet gevezel met ooren lijk van Mydas, dewelke een ezelsbeest wèl passen maar geen menschelijk schepsel, en hij waant zich de wetende en is gereed zijn gal-venijn uit te spuwen over een ander en anderen, en ramp op te roepen. De paleizen zijn aan den kwa-klapduivel nesten van straf geneucht. Nergens woekert de lasterij weliger dan binnen de gouden koningszalen. Evenwel muikert de revelarij niet bijster veel geringer binnen de weidschen steden van heden. Deze zijn Babylonische poelen van ontaarding en alle Satansgasten tieren er gunstig op de velden der ongodisterij, hoererij, moordenarij, achterklap — men kan opsommen tot in het oneindige. En vanuit de steden maken deze ongure gasten strooptochten naar te lande, de gehuchten, de dorpen, de stedekens en Mijn-Heerken Sathaël is daarbij haantje-de-voorste. Echter te lande is er voor de Luciferisten luttel te vangen, veelal hotsen zij er den kop tegen de rondborstigheid der eenvoudige boeren, borgerkens en daggelders, en druipen per slot triest af. Want te lande heemt nog het waarachtige leven gelijk Ons-Heer het zoo gaarne ziet. Tevergeefs begeert er de doodzonde toegang. Maar Mijn-Heerken Sathaël is een taai duivelke en het laat niet vlot zijn prooi vrij. Moet hij afdeinzen, koppig hervat hij naderhand den aanval op den burcht van den goeden wil des landenaars. En kortelings slaagde hij erin de veste binnen te dringen, hield hij zijne „blijde inkomste”, ’laas binnen het brave… Damme!

Pastoor Poncke verstomde een wijle, schoot onverhoeds uit:

Dwazelingen, gij! Gij hebt u den duivel ontvankelijk getoond voor zijne uitblazingen en iedere andere duivel ware schier beter dan hij, wien gij het oor leendet: den lasteraar Sathaël! Dwazelingen, gij! Doemwaardige Dammenaars! In ù vond de duivel zijn treffelijksten voedingsbodem — zijn kost is àl wat slecht is dáárvan staat hem den balg bijtijden vol —, voor ù liet hij Hof en stad in den steek en de door u gretig ingezogen kwa-mare verbreidde zich met de rapte van Sathaël-zelve, en gansch Damme zie ik thans — betast gerust uwe hoofden — ge-Mydas-oord. Vraagt een vreemdeling mij, hoeveel dommaards er huizen binnen Damme, ik antwoord hem: Zulks kan ik niet zeggen, wèl het aantal wijzen en dit aantal is één. En hèm ontkomt niets, laat staan uw heimelijke kwa-klap — desnoods zouden de kraaien het hem uit-brengen. En die ééne zal u verklaren, datgene waarvan de droes u deelgenoot maakte. Zet uwe lange ooren nog eenmaal, bid ik u, wijdelijk open. Ik ben uw vriend Sathaël! Luister, parochianen, scherp fluister ik — roer niet, alstublieft, gij-liên ginder achteraan! —, scherp fluister ik u: Kerstenen zijt gij, Dammenaren, van eene wonderbaarlijke klaarheid. Ik, een Engel, boodschap u zulks. Nooit verzaaktet gij uwe devooren en uw Pastoor mag danig content met u zijn. Hij is het echter niet. Hoe zou hij anderszins den moed hebben een bezwadderden doode in gewijden grond te begraven en alle de overige eerbare dooden te bezwadderen met den oneerbare — gij weet wien ik met den laatste vermeen, het is dat manneke, dat… Wie zich verdaan heeft, alzoo verhaalt het de kerstene leer, is erger dan een ketter en de hel is hem gewis. Zoo’n persoon staat op één lijn met Judas, die Ons-Heer verkwanselde voor dertig zilverlingen — bewijs eens mijn òngelijk! En dan daagt daar uw Pastoor op, houdt grooten kuisch onder de kerstene waarheid en gedraagt zich lijk een ongodist en spreekt een zelfmoorder zalig. De ziel van dien Pastoor is voorzeker zwarter dan zijne soutane. En gìj moet zijn duistere doening maar dulden en hem mild groeten: „Dag, Mijn-Heer Pastoor!” En hij monkelt u weêrom, gebaart van Lapscheure te komen en gaat voort u aan zijne onzeden te onderwerpen. Betaamt het u echter niet, gerechte kerstene zijnde, uwe maledictie over hèm en dat helle-braadsel in gewijde aarde, uit te spreken? Kan zoo iemand gelijk hìj wáárlijk vanaf den aanvang van zijn pastoorschap een deugdzaam priester geweest zijn? Wat voert hij uit tot diep in den nacht op zijne boekerij? Zwarte kunst bedrijven? En zou het met dien regen wel zuiver water geweest zijn? En hebt ge er wel eens op gepeinsd, hoe hij, met al zijne boeken, juist in Damme zit — en niet in een stad gelijk Brugge of Gent? De bisschoppen weten waar zij dat soort halfslachtigen neerplanten! In een vroom kerstene stedeke gelijk Damme bijvoorbeeld, waar de menschen onwankelbaar zijn in den geloove… Maar nu is hij toch buiten alle palen gegaan, speelt duidelijk onder éénen hoed met de falikante — om mij niet forscher, ge wéét wel, te uiten… En dat heet zich: „Pastóór…” Ach, nog veel rekkelijker redenaties heeft u de duivel gehouden, u eerbiedig plaatsend op den molmigen troon van uwe eigenwijsheid! Gìj, tateraars, gìj, parochianen-van-niemendal, zijt ge u waaràchtig bewust van de gevolgen uwer duivelsgenegenheid? Hopelijk, neen. Hopelijk geldt voor u het: Heer, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen! Wat gij deedt, ik zal het u konden, arme verdoolden! Gij sloot een pact met Sathaël en in den geest onderschreeft gij het. Zoo danig pact is, Godlof, slechts ten halve geldig. Ge hebt u ermede halverwege de hel gebracht. En een doodzonde is het alleszins, Gòd, uw Pàstoor en een arm mànneke te belasteren… ! Ik zal u het wezen van den achterklap ontrafelen.

Dwazelingen, gìj! Hadt gij één korrelken wijsheid in uw brein, ge zoudt u terdegen bezinnen alvorens gij de tong roert —, allerminst wenschend drie lieden schade te berokkenen, namentlijk: hèm, dien gij op het punt waart te bekladden, hèm dien gij uitverkoost als uw toehoorder en ù-zelve. Ge zoudt u geheugen, dat uw Pastoor meerdere keeren u het bijbelwoord op het hart drukte, hetwelk een Goddelijk gebod bevat: Gij zult geen kwaad spreken van uwe evennaasten —, en Ons-Heeren zegging in de Evangeliën: Bidt voor uwe lasteraarsgelijk een zekere Pastoor natuurlijk doen zal… Wie lastert heeft zichzelf een vrijbrief geschreven voor de Hel en een banbrief voor den Hemel. Vannacht had ik een droom. Ik verhaal hem u. Ik droomde dat ik verscheiden was en het hemelsch land betrad en voor het aanschijn Gods geleid werd. Vanuit een Licht, witter dan sneeuw en hetwelk mij verblindde en nederknielen deed, vernam ik Gods schoone Stem. God was mij mild gezind, geloof mij. God nu vroeg mij: — Pastoor Poncke, hoe stellen het uwe schaapkens, daar beneden, binnen Damme? Ik, Poncke, zweeg. En God hervraagde mij: — Pastoor Poncke, hoe stellen het uwe schaapkens daar beneên, binnen Damme? En ik, Poncke, zweeg wederom. En ten dèrden male vraagde God mij: — Pastoor Poncke, hoe stellen het uw schaapkens daar beneên, binnen Damme? Ach, toen moèst ik den mond wel openen en naar waarheid bekennen en ik antwoordde den Heer-God beschaamd: — Heer, het zijn geen schapen, maar zwijnen!

Tja, beminde Parochianen, mocht ik Ons-Heer een rad voor oogen draaien? Geloof, dat ik gebeefd heb in mijnen droom. En gelukkig, dat het maar een droom was, al valt het voor, dat men zaken droomt, die later verwerkelijkt worden…

Dwazelingen, gij! Hoe kondet gij pink-oogen met den hardsten tegenstander van Ons-Heer! Hoe kondet gij u het oordeel aanmatigen over een levende en een doode! Och, voor den levende is het niet zoo bitter, hìj kan zich verweren met het zwaard der heilige gerechtigheid…, een doode evenwel… Wat kent gij van de ziel van den mensch, wat kent gij van het verdriet, hetwelk lijk een geweldige last van lood u ter aarde perst, wat kent ge van u-zèlf? Kendet gij een speldekop van u-zelve, ge zoudt uwe tongen een breidel opgelegd hebben en Sathaël zijne biezen hebben laten pakken! Ge zoudt uwen priester den herder uwer veege ziel hebben geweten en hèm noch God in de wielen rijden. Ge zoudt wijders beseffen, hoe het áárdsche oordeel alleenlijk betaamt aan den paap uwer paròchie en het hémelsch aan Gòd. Ge zoudt liever uwe tongen halveling hebben afgebeten, dan een schravend woord lossen. Maar ge hebt den naam des Heeren ijdellijk gebezigd. Het oude zegsel liegt niet: In nomine Domini sit fit, zie dit artikel omne malum1 1 In den naam des Heeren bedrijft men alle boosheid. —, en: os, quod mentitur, occidit animam.2 2 De mond die leugen spreekt, doodt de ziel. Ge zoudt de hel gevreesd hebben.

Ach, het strekt u tot profijt, dat gij allen boeren zijt, min of meer. God kan een boer veel vergeven. Vergelijkt Ons-Heer in het Boek van den Bijbel Zichzelve niet met een akkerman? De boeren-arbeid is heilig, zeg ik u. Keizer Diocletaan wist zulks en wijdde zich, na den scepter zijns Rijks te hebben overgegeven, puur den landbouw, en eender handelde de Perzenkoning Cyrus. De schrandere Seneca verwijlde nievers liever als op de boerenhovingen en eigenhandig groef hij er grachten voor den waterafloop. En Varius, de poëet, verheerlijkte uwe wrochting — en Maro,3 3 Maro: Vergilius. evenzeer een voortreffelijk dichter, diens eerste wensch luidde, zich een goed boer te mogen betoonen. Isidoor, een Spaansch boerke, wierd heilig en de Engelen ploegden hem zijne voren terwijl hij in gebed verzonken lag. En wie waagt er te zeggen, dat de boeren dom zijn? Ik bied u daar een historie van, luister. Een boer en een edelman kwamen gebeiden over het kerkhof en langs het knekelhuiske. Daarbinnen ontwaarden zij een geduchten stapel beenderen. Toen vraagde de edelman den boer, of deze vermocht te onderscheiden wèlke beenderen stamden van édellieden en wèlke van boèren. De boer vond geen antwoord. De edelman zegde hem: — Wat zijt gij, boeren, toch ganzen; weet gij niet, dat de witte den edelman kenbaar maken en de zwarte en grove den boer? De boer en de edelman nu, wandelden verder, verlieten het kerkhof en bereikten de galgplaats, alwaar eenen menigte van witte knoken t’hoope geworpen waren. En de boer zegde, wijzend: — Heer, ge waart in uw recht, thans zie ik helder dat dat witte beenderen zuiver den edele luyden gehoorig zijn…

Beminde Parochianen, was dat niet loos gesproken van dien boer? En eender leep gelijk hij, hadt gij den duivel ’t bosch in dienen te zenden. Maar ik, uw Pastoor, reken u zelfs meer dan leep

Dwázelingen, gij —, gij zijt wìjs! Ik, Pòncke, zal u dit bè-wijzen. Columella zegt bereids: De landbouw is de naaste gebuur der wijsbegeerte —, en Varro voegt eraan toe, dat de grondregels van den landbouw dezelfde zijn als deze der vier elementen. En heeft de romeinsche redenaar Cicero niet verklaard, dat er eene opmerkelijke overeenkomst bestaat tusschen den boer en den filosoof? Welnu? En, buitendien, zijt gij van adel, want het allereerste adellijk wapen is een ploeg geweest op een ploegbaar veld! Beminde Parochianen, ik heb u overstelpt met faam en loog ik ooit? Daarom keer weêr tot God en uwen priester. Zijt vroom gelijk vroeger. Zijt boer, wijs en nobel. Vergeet nimmer: de helsche vijand beloert u gestaag, zint op subtijl bedrog. Belach hem, vermits gij van God zijt. Dàn zult gij in vrede blijven in al uwe doeningen. En de Heilige Geest zal tòt u komen, mijne kinderen in Christo, en u vervùllen en in u héémen en in u hàndelen. En laat ons den Heer-God inniglijk bidden, opdat gij deze, mijne leering totterdood in het hart drage. Amen.

Paap Poncke sprak — buiten de door hem beleden eerste en laatste Waarheid — zichzelve duizendwerven tegen en alle duizend keeren had hij nochtans het grootste gelijk van de wereld.”

Baljuw Hemerijck aan Mijn-Heere Laresse,

Rechtskundige binnen Gent in Vlaanderen

TWEEDE BOEK
WINTER

Na een korten, milden herfst sloeg hard en onverhoeds de winter over het land. Twee weken aaneen leed de vriezing en bevloerde tot drie mansvuisten dik wateringen en kreken. Het Damsche volk schaverdijnde; zelfs de zeer bedaagden snoerden de ijzers onder en streken gildig over de banen, want die van Damme zijn van ouds befaamde rijders geweest.

Ter kreken vierde men lijk foor. Alom waren er kraamkes verrezen, alwaar men warme dranken sleet en reepkoek en moppen. Bruggelingen kwamen de vaart langs geschoten, mengden zich onder Pastoor Poncke’s parochianen, joelden en joolden, zochten de minne der meidekens, hetwelk somtijds bloed deed vloeien, daar de Dammenaren de waanwijze Bruggelingen geen goed hart toedroegen. Deze haat stamt van eeuwen her, toen Damme de Brugsche stede ver naar de kroon stak — en zij zal blijven muikeren tot het einde der tijden.

Hel blauwden de dagen. De zon poogde geniepig te priemen met haar leste kracht. De nachten fonkelden. En dag en nacht trokken, ijl krijschend, wiggen en noordganzen over en der oudste boeren profecije behelsde vele onheilen. Maar wier hoorde ernaar? Er viel geneucht te oogsten bij schepels, de ijzers zongen over het zwarte ijs en uw bloed zong mede — en iederen winter immers schouwt en verneemt men die vogels!

Pastoor Poncke nochtans, hechtte zwaar geloof aan het boerenorakel. Het veelvuldig zuidwaarts vlieden dier ganzen achtte hij een alleszins curieus omen en tot Katrijne zegde hij ernstig:

Katrijne-dochter, grijzen zijn wijzen, de ouderlingen hebben het bij het rechte —, daar zullen donkere dagen komen, ik voel zulks aan mij-zelve — hoe, kan ik u niet uiteendoen —, en vergeet niet, dat de Baljuw geen lid te roeren vermag vanwege het flericijn en vloekt van zeernis gelijk een ketter —, vloekt, dochter Katrijne, lijk hij nimmer nog vloekte. Zet niet zulke oogen op, mijn kind —, dat vloeken van den Baljuw is niet zoo’n geduchte zonde als gij bevroedt: wanneer men vloekt uit pijn, heft het lijden de vloekschuld op. Evenwicht is alles in het leven en de mensch is gemeenlijk een wrak vanaf de wieg tot aan het graf —, een kruìsdrager, Katrijne! Peins op mijne teenen en op uwe tanden van tegenwoordig.

Op een nacht zwaaide de wind uit het hart van de oosterstreek den noord toe, blies heftiger, blindde de sterren met een macht van grauwendige, laag boven de aarde aanvarende wolken, zwol tot een tempeest, gierde victorieus over de leege velden, over Damme, rammelde aan de ramen, de blaffeturen, zwiepte langs de panningen en bedaarde eerst tegen den morgen. En als Pastoor Poncke, die het geweld van den wind oversliep, ’s uchtends in de groezeling opgestaan was en, lijk gewoonlijk een ruit beademde, zag hij verrast sneeuw blanken op de dakingen van Damme en sneeuw op de velden, alwaar zij wit verschemerde naar de verte. :… Schóón! Schóón!, knikte hij en het speet hem, dat het nog niet lichter was. Maar, bedacht hij, dan zal het al weder rap bederven, zullen de menschen de zuiverte schennen. Heer, houd de wereld gelijk zij thans is: ongerept, lijk nieuw geschapen — geen mènschen, alstublieft —, geen mènschen…

— Goênmorgen, zegde hij voldaan in de keuken komend, — het heeft gesneeuwd, dochter Katrijne!

— Bah, allegaar vuilte en niemendal anders.

Katrijne, Katrijne, misprees haar Pastoor Poncke, — gij taalt alzoo bij ganschelijke ontstentenis van poëzije in u. Vrouwelijke poëten zijn zeldzaam en hebt ge ze, dan zijn ze bijster misbetrouwbaar — ik noem u een zekere heidinne Sappho van Griekenland —, en zwijg verder over haar. Hebt ge zulk een sneeuwpluiske al eens vlijm bezichtigd. Ha, het is een bouwwerk van subtijligheden —, geen kantwerk zoo kunstig en geen juweelijn, al kwam het regelrecht uit de hand van een Meester gelijk Benvenitto Cellini Benvenuto, zie dit artikel. Sneeuw vuìl te heeten! Hoe komt g’ erbij! Niets ken ik schooner en puurder. De sneeuw bedekt zelfs den mesthoop — zulks is den diepen zin van de sneeuw.

Na deze beleering begaf Pastoor Poncke zich naar den steenput. Zijn voeten zegen in de versche sneeuwlaag weg, tot over de enkels en telkens gaf de sneeuw dan entwat lijk een lichten zucht. Pastoor Poncke akerde water voor Socrates en stevende naar den stal.

— Goênmorgen, mijn Vriend. Weet ge al, dat er sneeuw gevallen ligt? Ik zie de sneeuw gaarne, en gìj, Socrates? Katrijne heeft er geen aasjen begrip van. Hier, drink. Ge hebt het warm in uw heem, mijn Vriend — stroomatten sluiten bekwaam af. Willen wij na de mis een rondeke door de sneeuw brevieren? Ik koester daar danig lust in. Zoomaar een endeke den buiten in. Het landschap zal ons ongetwijfeld bekoren. Sneeuw, sneeuw — zoo wijd als het oog reikt. Kuischheid waar ge maar kijkt. Ge hebt slechts den kop te draaien naar het deurgat en g’ ontwaart ’tgeen ik zeg — althans een indruk ervan of arvan, zie de verschillende uitgaven. De moeshof is één gaaf wit, behoudens de prenten van vogelpooten en katteklauwen, welke ik op mijn gang hierheen waarnam. Het leven leeft van den dood, Socrates-vriend. Ware God er niet, ik zoude het leven wreedig noemen. Maar het is nu eenmaal mijn particulier gedacht, mijn Vriend, dat gij-liên onnoozele dieren allen den hemel verwerven zult en zulks vlotter dan een menschelijk schepsel. Ik ga, Socrates. Het luidt voor den mis.

Pastoor Poncke vertrok.

Na de mis verstreek er nog een geruime tijd aleer hij thuiskwam voor de morgen-ate met Katrijne. Eindelijk verscheen hij toch.

— Uw eike is hàrd, meldde Katrijne hem, — peinst ge, dat ik met eikes tóóveren kan?

Katrijne, wat zijt ge kribbig op heden. ’t Zal denkelijk door de sneeuw komen. Wat de ééne verblijdt, een ander bijt. Ik ben een eindweegs de kokertrap van den toren ingeklommen — tot aan het tweede luchtgat. Sneeuw, aloveral sneeuw, Katrijne —, heel Vlaanderen besneeuwd. Daar moest nu een beetje zon over dinkelen. Dat kòmt nog. Hoe alles zich opmèrkelijk afteekent tegen de sneeuw: tronken, twijgen, afrasteringen, kraaien. Ik kon er mij niet zat genoeg aan zien. En verláten, Katrijne…! Geen kind, geen ziel. Vlaanderen is heel en al bedekt lijk met een smetteloos ammelaken — alhoewel, uw disch is mij liever en gerieflijker, Katrijne-dochter — doch nooit zóó schoon, in het bedied, welke kunstenaars aan dit woord koppelen, verstaat ge? Ik rep niet van properiteit. Uw properiteit is boven alles verheven en zij is een uwer kostelijkste verdiensten. Het eike valt mee, geloof mij. Ik wilde brevieren, maar het is toch te kil. Ik ga mijnen tijd met studie besteden. Een mensch kan zich niet genoeg met wetenschap verrijken — mits die mensch zichzelf is. Want wetenschap, Katrijne-dochter, vergaart men niet zonder gevaren…

Een luttel naderhand zat Pastoor Poncke in de boekerij over Flavius Josephus gebogen. Omtrent de elfde stonde bracht Katrijne hem zijn wijn. Zij vond hem met de handen op den rug voor het venster staan en hij had zich niet bewogen bij haar binnenkomst. Zij plaatste bottel en glas naast den Flavius. Pastoor Poncke verroerde geen lid, tuurde star naar buiten, in den vlokkenval. Want het was begonnen te sneeuwen.

Katrijne, kom nevens mij voor het venster!…, fluisterde Pastoor Poncke bijkans, en tevens volhardend in zijne strakke houding.

— Wàtte?, vraagde Katrijne in onbegrip.

Nu wendde Pastoor Poncke het aangezicht een luttel zijlings in Katrijne heure richting en uitte op vreemden, op gepakten toon:

— …Het sneeuwt naarbòven!

— Eh…?

— Héé, ontviel het Pastoor Poncke nu, — het is voorbij… Maar ik durf het u be-eedigen, Katrijne-dochter, dat het daarseffens naarbòven sneeuwde! Kom hier en zie toe. Mogelijk geschiedt het subiet weêr.

Katrijne voegde heur bij hem, schouwde toe op de sneeuwing. Uit een windstille lucht dwerelde de sneeuw dicht en in groote vlokken neerwaarts.

— Ziet ge niets?, polste Poncke zijne maarte.

Niemendal.

— Sneeuwt het naar boven of naar beneden?

— Gij spreekt zoo zonderling, Eerwaarde… Hoe zou de sneeuw anders vallen dan naar omneêr?

Katrijne, ik zwéér u…!, herhaalde Pastoor Poncke.

— Sneeuwt het voor u dan naar bòven?

— Ha-neen. Doch toen gij binnenkwaamt, gebeurde het toch alzoo, Katrijne. Wònderbaar, zeg ik…

Hij zweeg een kleine pooze, hernam toen:

— Dat gij de pracht van de sneeuw niet bemerkt… Acht eens op den stal van Socrates en op onze vimme winterhout. Pluis voor pluis vlijt zich er neder… Een schilderij pal uit Gods hand! Ik drink het in met de oogen… En be-let, bidde ik u, Onze-Lieve-Vrouwe! De vlokken verwazen haar eenigermate. Zie de sneeuw op de ommegang-boorden in de galmpoorten! Katrìjne toch!

Pastoor Poncke hoofdschudde, zweeg weder, zegde na een breede spanne:

— Merkt gij nòg steeds niets?

— Geen zier, Eerwaarde.

— Ik zoo min als gij, ’laas. Efkens verleên evenwel… Het zal zijn, dat ik, krachtens mijn priesterschap, een man ben van het begenadigd moment… Ik bepeinsde het, als het daarnet omhoog sneeuwde, hoe alle ding God zoekt… Thans zoekt de sneeuw helder zichtbaar de aarde… Het zal met de sneeuw zijn, gelijk met de menschen, die eeuwig weifelen tusschen aarde en God, en eens zùs, dan eens zóó… De sneeuw nochtans, Katrijne, is, dunkt mij, eenvoudiger van geestelijke geaardheid en bijaldien enger bij God. Kan men met den mensch Gods heilige Drie-Eenheid bewijzen? Neen. Maar wèl met de sneeuw, mijn dochter. Geheugt ge u den catechismus? God bestaat uit Eén Persoon en tegelijkertijd uit…? Katrijne, verklaar mij eens?, vorderde Pastoor Poncke.

De maarte rimpelde haar voorhoofd.

— Uit… uit…, dacht ze luid-op na, — drìe Personen.

Pront, knikte Pastoor Poncke welgevallig. — En uit wèlke Personen, Katrijne?

— God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, telde Katrijne traag en niet ontriomfantelijk.

Pront. En nu zal ìk u het wetenschappelijk bewijs leveren van het vreemd feit, hoe dat Eén tevens Driè kan zijn. Luister. Ik kom bij u in de keuken en leg er op uw schotelbank een handvol sneeuw en een brok ijs. Daarnevens plaats ik een panneke met water. Ge schouwt aldan drie verschillende dingen, nietwaar, waarvan de sneeuw het éérste is, het ijs het twééde en het water het dèrde. Kunt ge mij volgen, Katrijne? Prachtig. Ik zet het panneke met het water thans op het vuur en werp in het panneke de door mij verzamelde sneeuw en het stuk ijs. En ik beid met veel patiëntie, Katrijne. Wàt zie ik onder mijne oogen allengs geschieden? Het water wordt warm en navenant de warmte vermeerdert, smelt de sneeuw en het ijs rapper. En per slot ontdek ik van sneeuw noch ijs iets meer. De sneeuw veréénde zich met het water. Het ijs handelde insgelijks. Drie dingen zijn één ding geworden. Is dit geen bergvast bewijs voor het bestaan der Goddelijke Drie-Eenheid, Katrijne? Ja, gij beaamt mij nu wel, doch uwe oogen verraden mij, dat het juiste bestel der affaire niet geheel tot u doorgedrongen is… Och, Katrijne-dochter, zulks is u ook niet van noode. Een kerstinne gelijk gij, beseft een diergelijk mysterie met het hart, en dit is oneindig beter. De wetenschap verarmt elkendeen, die geen priester is. Geloof geldt méér dan alle wetenschap, alle geletterdheid. Gelóóf, het kèrstenen-geloof, wel te verstaan, Katrijne, omsluit alle wetenschappen ter wereld. Trouwens: Nisi efficiamini sicut parvuli, non intrabitis in regnum coelorum.1 1 Indien gij niet gelijk de kinderen wordt, zult gij het Koninkrijk Gods niet binnentreden. Schaf een paar blokken op den haard bij, wilt ge? Het vuur is ietwat verflauwd. En ik heb intusschen goesting bekomen in mijn bokaal. Ik verneem, dat wij nog vier bottels van deze wijnsoort gekelderd hebben, is het niet, Katrijne?

Pastoor Poncke liet zich neêr op zijn zate, schonk zich in, teugde, oogde op Katrijne heur doening, smekte en zegde:

— Danke, zoo is het in orde… er zit met die sneeuw niet veel tocht in de kave… Ge kunt gaan, mijn kind.

Het sneeuwen hield omtrent twee etmalen aan. Daarna vestte hertog Winter zich hechter dan ooit in de oosthoek en brandde van daar uit opterbitterst over gronden, dorpen en steden, blies den hemel bloot, kerfde de drieste buitenkomers schier het aangezicht en beet tot diep in den bodem. En dag rijgde zich aan dag en er kwam geen keer en bij menschen-memorie, zegde men, wierd dusdanige koude niet gekend. Kreken en wateringen lagen menschverlaten. Bekommerd zaten de boeren voor den haard te zwijgen. Soms loste er één een enkel woord over het bederf der pataten en wortelen, of over het zaad, dat waarschijnlijk spoedig door de vriezing vermoord ging worden en staarde dan in de vlammen, hoorde de runders uit ongemak loeien in den stal of de paarden stampen aan de beschotten, en boog den houtenen kop nog een streep lager.

Later, tegen kersttij, wierden zij gesprakiger, want van stee tot stee vlerkten zwarte maren, mompelend van honger en krankte, dieper Vlaanderen in en op het Brabantsche, en van menigen manslag om luttel gewins. Tusschen het riet der Damsche kreken vonden stroopers noordganzen met de vliezen vast aan het ijs gevroren, levend nog, of dood, en alsdan door de kraaien bloedig gepluimd en met uitgepikte oogen. In Pastoor Poncke’s moeshof vlekten, een uchtend, op de sneeuw twee musschen en een roodborst, ruggelings en de pootjes stijf opwaarts gestrekt, spijts het feit, dat Katrijne, in opdracht van haren meester, driemaal daags rijkelijk broodkruimels uitstrooide en andere etensresten.

Sinds de koude zoo zonder erbarmen heerschte, vertoonden zich in de vroegmis slechts de nonnekes van het Gasthuis; en van de wereldlingen bleken enkel de gezusters Ruttaert met ware devotie bezield — tot ook zij, tot Pastoor Poncke’s gerustheid, de mis verzaakten. Hij had daarbij steeds het meeste Roozeke Ruttaert’s zuster Melanie op het oog. De zeggingen: Een kwa kwezel is een spie in de kerk, een klappei achter de hor en een duivelin in de kamer — en het: Wacht u voor een koe van voren, voor een paard van achteren en voor de fijne kwezels van rontelom, rekende hij stellig geboren te zijn puur uit het bestaan van Melanie Ruttaert.

Ook de Zondagsche hoogmis wierd pooverlijk bezocht, meende Pastoor Poncke, waar de buitenlieden grootendeels toeven bleven onder de veiligheid hunner daken. Hij schrolde erop in de preek en voorzegde, dat zij in ’t korte desnoods komen kruipen zouden naar de Onze-Lieve-Vrouwe. Deze uitlating ontstak de fantazij der Dammenaren en ondereen fazelden zij ervan, dat hun paap, gelijk hij dag-in dag-uit aan de boeken geklonken zat, zich kennis verzameld had van het toekomende. Zij werden bovendien in hun wete gestaafd, vermits Pastoor Poncke in dezelfde preek gesproken had van den Apocalyps of Acopalyps, zie de verschillende uitgaven. Mogelijk naderde het Jongste Gericht, want Pastoor Poncke had wijders verklaard, dat de winter in Lapland mijlen achterstond bij den huidigen Vlaamsche. Op dit tijdstip trouwens deden nieuwe en schrikkelijke maren de rondte door het Damsche, namentlijk, dat tal van rooversbenden Vlaanderen doorkruisten, venten met zwartgemaakte tronies en zwaarbewapend; zij bedreven hunne ondaden hoofdzakelijk ten platten lande, brandschatten gansche gehuchten, vielen over de hovingen, marteliseerden de halsstarrigste boeren door hun naakte voetzolen te roosteren boven den gloed van hun eigen haarden, schonden het vrouwvolk en plonderden dat het een aard had. Bezuiden onder Gent, aan de Leieboord, had men een rijken boer in lijke op zijn opkamer aangetroffen met dertig messteken in het lijf en de dochter van ’t hof was uitzinnig geworden. Mede aan Pastoor Poncke was dit bericht ter oore gekomen. Hij betwijfelde het echter. Wanneer de nood genaakt, wordt het brein entwat koortsig en de mensch maalt zich allerhand wilde tafereelen, docht het hem. Daarom bepeinsde hij het niet, hoe mogelijk ook de vervaardheid voor de geduide rabouwen zijne boeren bevangen had, zoodat zij hun heem niet zonder hoofd dierven laten. Mochten die booze berichten niettemin wortelen op waarheid, hij, Pastoor Poncke, betrouwde er onwankellijk op, dat Ons-Heer zijne parochianen bijzonderlijk beschermen zoude. Dies dacht hij vol recht te hebben de boeren te laken vanwege hun steegheid ten opzichte de uitvoering hunner kerstene plichten. Nimmer had hij zich als een zielkesjager ontpopt, maar de tienuurmis van des Zondags wenschte hij steeds treffelijk bevolkt te weten.

De maren evenwel loochende hij geenszins. De gekuilde akkervruchten waren inderdaad tot slijm vergaan door de koude, het meel werd schaars ter markte aangevoerd, gelijk de Gazet van Brugge, hem, Pastoor Poncke toevallig in handen gerocht, het kondde en de prijzen van alle voedingsmiddelen klommen schielijk, en de koeien spilden bijkans geen melk. Dat de honger tevens op het Damsche intrede had gedaan, bleek klaar uit de menigte van vroege Drie-Koningen, die ondanks de koude, aan de deuren bedelden, de guldene sterre met behulp van een koordeke wentelen deden en met bibberende stem hun vooizen afgaven. Bovendien ketsten zij de banen van buiten af, maar spraken ervan, dat de boeren, zij mogen vermaledijd wezen!, de honden op hen loszonden en dat, gelukte het al de hofdeur te bereiken, zij meestentijds barsch wierden bejegend en zonder gave moesten afdeinzen.

Pastoor Poncke kon zich aan den Drie-Koningenzang niet moe hooren. De sterre-gasten wierden in den gang genoodigd, de sterre ging in draai en zij zongen, de koningen, om beurte hun clauzeke:

Salich kint vol heilecheden! Uwer conincliker moghentheden Presentere ic hier van goude Mine offerhande, als die houde Ziele ende lijf van u te lene; Want ic ghelove int herte rene Dat ghi sijt God, ende mensche, Opdat die werelt heur t’uwaert wensche.

Dit was het liêke van Balthasar, een vent die zich een vlassen baard had aangekleefd en een papieren kroon op den kop droeg. Daarna stelde Melchior, de moorman zwart van roet, zich in postuur en kweelde kwalijk:

O ghebenedide dracht Van onsen menscheliken gheslacht, Hogheboren inder naturen! Ic presentere u, te deser uren Van wieroke mine offerhande Ende ghelove dat ghi in u hande Hebt alle dinc in moghentheden, Als God doet in drievuldicheden.

En als Melchior, de prilste der wijze vorsten zweeg, zong Caspar, de koning van gemiddelde jaren:

O God ende mensche in een gheboren! Ende u Maria maghet wt vercoren! Van mirre ic u presentere Mine offerhande, als die ghere In u ghelove te volstane, Ende nemmermere uws dienst af te gane; Want ic ghelove in alder tijt, Here, dat ghi God ende mensche sijt.

De koningen waren veelal mannen uit de armenbuurt, mager en bleek van wezen door de ontbering en wanneer het zingen tenden was, uitten zij hunne klachten en Pastoor Poncke zegde hun toe, dat zij een paar bussels hout mochten komen halen en beschonk hen met eenige stuivers. Hij zou zich dien dullen winter welhaast ijdel aan munt geven, Damme’s herder en ijdel aan hout en ijdel aan proviand. Op Katrijne heure murmuraties lette hij niet: — Verhongeren, Katrijne, doet een kind Gods zoo fluks niet en wat schaadt u en mij een beetje grondig vasten? Vastte Ons-Heer niet veertig dagen volledig in de woestijn? En vastten de Heiligen niet kloeker dan gij en ik het ooit zullen bedrijven — per exempel Sinte Franciscus? Daarbij, Katrijne-dochter, een uitgelezen maarte gelijk gij zal voorzeker ervoor waken, dat ons altijd nog een schelleken brood rest met iet erop, nietwaar? Ik bouw op uw waakzaamheid, want ik noch gij zijn geroepen het getal Heiligen met ons te doen wassen. Elk kenne in het leven zijn preciese stee. Doe open, Katrijne, mopper niet over wat sneeuw in uw gang, ik hoor daar alweder koningen op den stoepsteen!

En Katrijne, zij het leede, liet de deunende koningen in de pastorij en met overgave luisterde Pastoor Poncke naar hun melodij. Bijtijden, indien de zangers, volgens zijn inzicht, de liedkunst bekwaam verstonden, verzocht hij zelve om eenig liedeke. Het liefst waren hem woord en wijze van „Lauwerier”. Dit liedeke stond bijster blijzaam en gaarne neurde hij het mede:

Wij komen getreden met onze starre,
Lauwerier de Cransio.
Wij zoeken heer Jezus, wij hadden hem gaarne,
Lauwerier de Cnier.
Zijn Karel Konings kinderen,
Pater bonne Franselijn. Jeremie.

Naarmate het lied het slot naderde, zong Pastoor Poncke luider mede, als ware hij een vierde Koning uit Oriënten:

O, Starre! ge moet er zoo stille niet staan,
Lauwerier de Cransio,
Ge moet er met ons naar Bethlehem gaan,
Lauwerier de Cnier…

Te Bethlehem in die schoone stad,
Lauwerier de Cransio,
Waar Maria met haar kindje zat,
Lauwerier de Cnier…

Over het gansche bevond Pastoor Poncke den Koningenzang weergaloos, hij mocht komen uit de versleten gorgels van verlompte peekens of uit de krachtiger kelen der prilleren. :— Me-Vrouwe de Baljuwin, Katrijne-dochter, streeft de leeuwriks en nachtegalen op het clave-cyn opzijde — doch er mangelt haar entwat, ’t zit niet hier in, ’t zit niet daar in, het mangelt Me-Vrouwe aan… nooddruft. Zij speelt uit weelde, weet ge. De nooddruft verleent het gezang der Koningen iet, hetwelk mij op miraculeuze manier het hart raakt en er verheuging wekt èn triestigheid, lijk bij een troosteloozen onnutten regen… De Koningen verdìenen hunnen kost, wees hier gewis van, Katrijne! —

Pastoor Poncke, nijver gelijk nimmer, zond de nonnekes Damme rond, teneinde giften voor de armen in te zamelen, en hij liet brooduitdeeling houden in het hospitaal van Sint-Jan. Doch de boeren bleven hem onbereikbaar. Hij kastijdde den gierigaard in zijne sermoenen en elkendeen ried, dat hij het op de boeren had. : — Waar zijn de dagen van den Samaritaan?, riep hij. — ’Laas te lande heemen geen Samaritanen meer en een baken spek splijten voor uwe medemensch is een allerlastigste en bijster onprofijtige wrochting, bemint men de eigen gezondheid gelijk het van Godswege betaamt…! Nu verklaart de heilige Schrift wel, hoe het eerder voorvallen zal, dat een kemel door het oog van een naald tert, dan dat een rijke…, voeg het overige in den geest eraan toe, men moet niet alles veropenlijken, nietwaar? Eilieve, hebben wij te lande dan geen recht van forsche buikvulling? En is de hemel niet per slot een zaak van de ziel en níet van den buik? En wij zijn luyden, die vooruit zien, en waarom handelden anderen niet eender als wij. In een tijd van hongerbedreig gelijk op heden, passe eeniegelijk op zichzelve. Batiger is het, dat er ééne kreveert dan twee. Het leven moet in stand worden gehouden — en ben ik mijns broeders hoeder?

En in zijn kerstsermoen geeselde Pastoor Poncke de boeren nog striemender en thans rechtstreekser en benaamde hij zich, heilig verontwaardigd met: Flagellum Dei.1 1 Geesel Gods. Hel en duivel riep hij af over de heimlijke stapelaars en de weinige boeren, die de viering der Geboorte Christi bijwoonden met benauwdheid om ’tgeen misschien op hetzelfde moment zich afspeelde op hunnen hof — de mare van roovers had intusschen scherper gedaante aangenomen —, vergaten deze bangte bijkans voor den angst, welken Pastoor Poncke omtrent het hiernamaals in hen teweegbracht. Het sermoen loonde in zooverre, dat ’s anderendaags de knechten dier boeren zich ter pastorij meldden met vleeschwaren en meel. Het viel Pastoor Poncke op, dat geen hunner hem geld voor zijne armen deed aanbieden. : — Geld, Katrijne, rijmde hij tegen de maarte, — is duvels geweld! De duivel weet, hoe men met munt, mijn dochter, het zekerst Ons-Heer bestrijden kan. — Dagen verkeerde Pastoor Poncke na den kerstmis in onvree. Daarbij kwam nog, dat Katrijne op een uchtend Pieter de Coninck dood in het kiekenkot aantrof. Getrouw had de haan tot op het leste den dag gekraaid gelijk in den zomer zóó schel. De bron van zijn schielijk verscheiden was niet te ontdekken. Katrijne heur betoog, dat het voorzeker door de gestrengelijke koude gekomen was, wierd door Pastoor Poncke een fabel geheeten. Pieter had immers alsaan rijkelijk voeding ontvangen? Was een der hènnen bezweken? Neen. En hennen zijn gemeenlijk, want uiteraard, zwakker dan hanen. : — Pieter is het slachtoffer eener hartbrake, Katrijne. Herinner u zijne bestendige vurigheid. Hij heeft teveel gloed gehad. Hij heeft zijn jarenlangen ijver met den dood moeten becijnzen. Corneel zal ik opdragen hem te begraven in den hoek nevens den stal van Socrates. Ik vind het heel spijtig dat Pieter dood is…

En Pastoor Poncke’s grijze stemming onderging niet de geringste verandering, als hij een twee dagen nadien ontwaakte door een uit den moeshof klinkend hanengeschetter. Beneden, bij Katrijne gekomen, repte hij er met geen syllabe van. Maar Katrijne begon erover. Gisternanoen, verhaalde ze, had Mijn-Heer Baljuw Hemerijck in ’t verduik een nieuwen haan doen brengen, een beest zoo djent gelijk wijlen Pieter —, Eerwaarde had hem deez’ uchtend toch vernomen? : — Gewis, Katrijne, beaamde Pastoor Poncke gemelijk en flets, — en het is van den Baljuw zonder twijfel een daad van vriendschappelijke genegenheid, welker waardij ik niet verkleinen zal. Edoch, dat dier roept lijk met den snavel vol water, zoo gesmoord en smotsig en, héé, Katrijne, ik doorpeil niet, waarom de Heer-God mij Pieter ontnam als Hij mij thans reeds een anderen haan in ’t hok doet…Eh, wat ik nog zeggen wilde, Katrijne: hoe is het wéder? Geenerlei mindering in de vriezing? Och, het komt er niet op aan! Wat ik zeggen wilde, voer hij, ineenen grimmig, voort: — gij moet bij Jaak den groenselier gaan en hem drie beriemde groenselmanden leenen voor mijn behoef — twee ervan krijgt Socrates op den rug en de derde mijn persoon —, want na mis en morgen-ate tieg ik voor den ganschen dag den buiten in, koste wat het kost, teneinde de halsstarrige boerkes, in betrek tot mijne winterschamelen, in rede te rukken. En de roede zal ik daarbij niet vergeten.

Mala tempora currunt1 1 Het zijn slechte tijden., Socrates-vriend! De koude beknaagt mij tot op het gebeente spijts het feit, dat ik bei mijne toogen heb aangetrokken, en bovendien nog den mantel tegen kwade seizoenen, en dubbel gekousd ben en wanten draag — vaardig geschapen door Katrijne, mijn Vriend! — van de zuiverste wolle…! Bezie me de zon eens: ze kijkt permintelijk alsof zij een erge valling heeft en het water haar gestaag uit de oogen loopt — zij geheugt mij, klap het niet verder uit, bidde ik u, waarlijk aan mijn goede maarte, wanneer deze in zulk een staat verkeert… Héé, Socrates, wat is de zon per slot toch een zottinne met al heur hitte ten zomer te verkwisten en niemendal uit te zuinigen voor den winter! Ze is lijk sommige menschenkinderen, ’laas. Deert u de koude, mijn Vriend? Voorzeker, neen. Waar de mensch aal-naakt geboren wordt en heel zijn leven aal-naakt omme-wandelen zoude, hadde hij niet zijne vernuftige hersenen, zijt gìj van nature gansch uw bestaan warm gekleed voor welk wanweêr ook. Geen twintig priesterhabijten wegen op tegen uw ééne, u door den goedertieren Heer-God gejonde pels. Nietwaar?

Pastoor Poncke berijdt Socrates tijdens hun strooptocht

Alzoo taalde Pastoor Poncke tot Socrates terwijl zij door het wintersch landschap togen. Socrates stapte niet zonder drift voort. De sneeuw zwichtte krakend onder zijn hoeftred, hetwelk Pastoor Poncke hem de opmerking maken deed, hoe dit geluid geleek aan dat van piepschreeuwende muizen: — …en, héé, Socrates, neem het van mij aan, dat de sneeuw lawijt uit zeernis, die gij hem berokkent — àlle geluid duidt op pijn, mijn Vriend, — niets is er ter wereld, mijns erachtens, dat niet lééft, alle dingen hebben hùn leven —, zoo zie ìk zulks. Zegt niet het eerste Bijbelboek, dat God het Al veroorzaakte? Kan men „dood” scheppen, — „niets”? Neen, men kan enkellijk íets vormen, — léven. De dood is een wáán, boodschap ik u. Mijne vingeren kleumen bijster. Verschiet niet van de ploffen, mijn Vriend… Pastoor Poncke liet den teugel ontglippen, sloeg de armen wijduit, sloeg ze tegen het lichaam, juist gelijk het de daggelders verrichten bij vriezing. Eenige oogenblikken herhaalde hij de beweging. Daarna vatte hij, voldaan, den teugel.

— Het bloed is weêrom in strooming gekomen, Socrates —, de kilte uitgedelgd. Voorbij die kreek komen wij aan ons eerste wit. De boer heet Krimpaert. Hij voert zijn naam met recht. Nochtans zullen wij hem proviand afspreken. Krimpaert is de gierigste boer van het Damsche. Voor de rest een eerlijk man. Héé, mijn Vriend, mijne voeten… wilte ge wel gelooven, dat mijne duivelkes door de vorst bezwijmd zijn of verdoofd? Ik voel thans pas, dat ik ze niet voel. Feitelijk voel ik van alletwee mijne voeten niet veel. Verwonder u er niet over, dat de kweldroeskens ontkracht zijn geworden. Zijn zij niet kinderen der hitte, der hel? Waaruit men besluiten kan, dat te wintertij de duivel minder macht heeft dan anderszins en dat, hokten de boeren niet gedurig bij den haard, zij de hoogmis niet zoo schromelijk verzuimen en de pooveren milder bedenken zouden. Mijn Vriend, we zijn er bijkans.

Luttel later reed Pastoor Poncke het erf op van Krimpaert, halteerde bij de deur, wrocht zich van Socrates’ rug, maande den ezel tot moed in de koude en tord driest naarbinnen.

Krimpaert, de boer, zat voor den spokkerenden haard gezeteld. Hij was alleen in het vertrek. Hij zat ietwat voorovergebogen, de handen tegaar tusschen de knieën. Hij was een klein, verneuteld manneke met eeuwig rood-ontstoken oogleden. Zijn mond was toegenepen en lijk een dunne streep. Hij droeg een blauwen kiel en een hooge klak.

— God zegene u!, zegde Pastoor Poncke.

Traag draaide de boer het aangezicht in Pastoor Poncke’s richting, knikte zuur.

Krimpaert, ik kom mijne voeten efkes bij uwen haard steken. Ik schuif mij proper nevens u. Het is niet voor lang. Ik peinsde, op pad zijnde: ik zal een reize bij Krimpaert kijken, hoe hij het stelt. Zoo. Uw vuurke brandt alleszins aangenaam. Er branden niet overal zulke aangename vuurkes. Er zijn menschen, die het bar hebben op het moment, wie het, kort gesproken, slecht gaat. Koude en honger zijn kwalijke dingen. Gij, boeren, zijt toch gelukkig te prijzen. Ik zie daar hesp en spek op uw balkrek, en saucijzen eraan gelijk festoenen. Tja, het woordeke „slecht” past niet op uwe lippen… Wat hèbt ge, Krimpaert, dat g’op eenmaal zoo kreunt…?

— Ik ben krank, steunde de boer en greep zich naar buik en borst tegelijk.

— Dat is leelijk, vriend, dat is leelijk… Waar mangelt het u, als ik u verzoeken mag?

— Oei, oei, en er komt geen einde aan. Trienelle heeft mij gepapt en gepleisterd, maar ’t baat niemendal. ’t Muikert overal (de boer blokte met zijn grijze oogen Pastoor Poncke scheeflings aan en Pastoor Poncke schouwde òp hem vol meewaren). Oei!… Zoo krank te moeten zijn. Mijn maag houdt niets. Er hangt lijk een waas voor mijne oogvliezen. Ik ben alsaan braakachtig. Mijn kop duizelt mij en mijn gehoor weigert somtemets. Als ik wil loopen, knikken mij de knieën van flauwte. Inwendig gloeit het mij van de koortse. ’s Nachts slaap ik geen seconde van de kramp, hier en hier…

Terwijl de boer dof door lamenteerde, had Pastoor Poncke bedachtzaam de vingertoppen tegeneen gezet en bestaarde ze. Eindelijk rocht de boer de tenden. Er ontstond een stilte. Dan knikte Pastoor Poncke bevestigend, blikte den boer compassieus aan en uitte rekkelijk:

— Tja…, gij zijt er triest aan toe…

Hij wachtte een wijle, vervolgde op eenderen toon:

— Tja…, ge zoudt bijkans Ons-Heer vannoode hebben… indien ’t erger wordt, aarzel niet iemand te mijnent te zenden… Weêrom wachtte Pastoor Poncke efkes, monsterde den zwijgenden boer, schudde droefgeestig het hoofd, hernam:

— Tja…, en besef ik het wèl, dan zijt ge welhaast dood, ik kan zelfs zeggen, dat gij reeds gestorven zijt…Uw krankte is mij bekend uit een der schrifturen van den Oosterschen heelmeester Averroes… de wijze man doopte haar „Duizendkrankte”, doch betwijfelt het, of er eenig kruid voor gewassen is, al verklaart hij, dat… Hij noemt een middel, ’twelk mij ontgaan is… een middel, waarin hij echter zelf luttel betrouwen heeft… Tja… Maar ik vermors mijnen tijd en ik mag Socrates niet te lang laten blauwbekken… Vriend, ik ga dus. Ik merk, dat mijn bezoek u vermoeit. Nietwáár? En ik zal het geschrift van dien oosterschen doktoor eens voor u openslaan; een kranke hulp bieden mag men niet verschuiven. Elke kerstene is een man van bijstand. Zoo vergt het Ons-Heer van ons. Vale, Blijf gezond; vaarwel. en beterschap, vriend.

Pastoor Poncke was, vertrekkensree, opgestaan en had de hand bemoedigend den kranken boer op den schouder gelegd. De boer bewoog zich niet. : …Ja, peinsde Pastoor Poncke somber luidop, — de duizendkrankte is ’t. Alle symptomen zijn juist, hetgeen een teeken is, dat gij niet liegt. Bijaldien loog ìk niet, toen ik Monseigneur van Brugge eens verklaarde, dat de boeren van mijne parochie de prijzenswaardige eigenschap bezitten, nimmer te liegen — hetwelk van de boeren van andere parochies kwalijk verluid kan worden…

Pastoor Poncke voelde den boer onrustig worden onder zijn hand en hij monkelde meesmuilend. Hierop slaakte hij een zucht boordvol erbarmen en sprak zalvend en efkes met één oog glurend naar het rijk beladen balkrek:

— Neen, de logen is u, boeren, volkomen vreemd. Daarom beklaag ik u van ganscher harte. Gij leeft en zijt tevens vrijwel dood. Het verwondert mij geen korrel, dat ge de dagelijksche spijzen niet verteren kunt —, het zoude mij evenzoo gaan ware ìk onderhevig aan de duizendkrankte. Hee, mijn vriend, ik bedenk daar, hoe gij, zoo dicht u bij den dood bevindend, voorzeker genegen zult zijn uw deel van de winter-ate te jonnen aan hen, die hongeren in dezen tijd… Neen, luister, ik weet immers dat gij mild van karakter zijt. Ge moet zoo rap niet „Ja” willen antwoorden. Gij zijt lijdend en dus dien ik rustig met u te spreken. Gij wilt gaarne goeddoen, natuurlijk. Maar ge moet u niet te plots verheugen over de kans glorieuzer te zullen sterven dan gij vóórdezen te verscheiden meende. De duizendkrankte verdraagt geen schokken. Ge zoudt eensslags dood op uw zate kunnen zitten. Neen, zwijg. Mat u niet af, bidde ik u. Laat mìj maar aan het woord. Het woord is mijn stiel. En ik ben een menschenkenner. Laat mij betijen en het zal u zijn alsof gij door mijn mond u-zelve verneemt, de spraak van ùw wijd hart. Och, wat geldt u thans nog uw deel van de winter-ate? Niemendal. Uwe voeten staan in den dood. Zaak is het, den hemel te bereiken. Hoe slaagt men daar beter in, dan door uwen medemensch aan den nood te ontrukken! Gij weet immers het woord van den heiligen Augustijn: Ante fores Gehennae stat Misericordia, et nullum misericordem in illum mitti carcerem permittat, hetwelk beduiden wil, dat voor de hellepoort de Barmhartigheid staat teneinde te verhinderen, dat een mild man in het helsch gevang belandt. En zegde Ons-Heer niet: Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschiedden! En: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk u-zelve! Ei-lieve, gij zijt niet van het slag, dat bidt: — Zilver, eleyson! Verhoor ons. Goud, eleyson!1 Zilver, verhoor ons! Goud, verhoor ons! Goud, vader der menigte, erbarm u onzer! Goud, soulaas der wereld, erbarm u onzer! Goud, almachtige, erbarm u onzer! Tja, wat maalt gij dus om een paar aardsche goederen!… Stil, mijn vriend. Laat de blijdschap niet te hoog in u òp slaan. Uw hart is niet sterk. Nochtans ben ik van gedacht, dat uw offer wel eens aan dit hart ten goede zoude kunnen komen, mits gij matige blijdschap betracht. Het zou een soortement van mirakel zijn, maar mirakelen zijn minder zeldzaam dan gij bevroedt. Nu ter zake geschreden. Uw winterpart, gij zijt geen gulzigaard bij mijn weten, zullen wij soberkes uitmeten. Ik zie daar een baken spek. Héé, het valt makkelijker een baken spek te helften dan een rijken ruitermantel, ’tgeen Sint Maarten verrichtte. En een koppel zwijnssaucijzen zult ge eveneens vol blijdte ontberen. En eenige ribbekes zou…

De boer wierd roeriger onder Pastoor Poncke’s hand, grommelde binnensmonds en verdraaide zonderling de oogen.

— Mijn zoon, houd u toch bedaard, suste Pastoor Poncke vaderlijk. — Ik heb u zoo verwittigd voorzichtig te wezen. De duizendkrankte is niet mis. Ja, luik uwe oogen en luister alzoo naar mij, vroom en vredig. Eenige ribbekes gingen mijne haveloozen eveneens uitmuntend te pas komen…, patiëntie, laat mij een aêmke bedenken, wat ik zoo al… Ah, daar is uw huisvrouw; vrouwen zijn schranderder dan manskerels op dit stuk.

Gedurende zijn betoog had Pastoor Poncke reeds eenigen tijd achter de deur van de opkamer gestommel vernomen. Thans was de deur opengeweken en vertoonde zich de bazin op den drempel, een schriel menschke met een blauwzwarte kaproen en een gestippeld jak. Haar neus geleek een bollekèt. Haar dikke lippen gingen van elkander en haar hardbruine oogen smeulden verdacht. Maar Pastoor Poncke liet zich niet verschalken. Minzaam zegde hij haar:

— Gods benedictie voor u, vrouw. Ik accordeerde daarseffens met den boer inzake eenige presenten in vleesch ten behoeve der armen van Damme. Ha, ik klopte niet tevergeefs bij hem aan. En de goedheid van zijn ziel heeft blijkelijk zijne smarten doen slinken, gelijk ge bemerkt. Hij wil dan grif afstaan: de hèlft van dat geduchte baken daar, vìer saucijzen…Och, dit is tegaar genoeg. Elders zal ik nog meer verwerven. En ik kan altijd nog terug komen of Jaak de groenselier opdragen uwe gunsten in natura voor mij te innen. Nietwaar? Wacht, ik zal zelve snijden, ik zie daar een mes op uw tafel…

En Pastoor Poncke greep het mes, en een stoel, en stond schielijk op de houtene zate en viggelde het baken spek middendoor en haakte vier worsten af van het balkrek. En dan stond hij alweder op de kareelen, zag naar de vrouw, wier mond uit verbluffing wijd open gaapte en op den boer, die, in elkaar gekrompen, nu meer van een gedrochtelijken kobold had dan van een christen-mensch.

Plechtig sprak Pastoor Poncke:

— Uit naam mijner armen zeg ik u dank. ’t Geen gij zoo bereidwillig aan mij afstond, het zal u honderdvoudig vergolden worden door den Heer-God. Het spreekt vanzelf, dat ik geen ruchtbaarheid geven zal aan uw uitzonderlijke goedheid. De linker wete niet wat de rechter doe, nietwaar? Ge zoudt er maar bedeesd onder worden. Met die korven op Socrates is het lastig hem te beklimmen. Daarom vat ik efkes den stoel mee. Permitteer mij.

Pastoor Poncke vlijde het halve baken neer op de stoelzat, stapelde de worsten op het spek en stapte met den stoel ter deure. Daar wendde hij zich om en zegde tot de vrouw bovenaan het groen trapluik:

— Mij valt het medicijn tegen de duizendkrankte juist te binnen. Verzamel u een bende brandnetels, stamp deze tot een pap, zet de pap op het vuur tot het niet àl te heet is en maak er op een stuk lijnwaad een pleister van, welke gij uwen vent op de lendenen moet kleven. Nogmaals dank en een zaligen dag!

En hij begaf zich naar Socrates, borg in de eene mand het spek en in de andere de saucijzen, vanwege het evenwicht. Daarna werkte hij zich via den stoel op zijn rij-dier en reed het erf af, het naastbije hof tegen.

Socrates, zegde hij onderweg, — de priesterlijke tong is een niet te versmaden tooverwapen. Zie, mijne resultaten. De tong, mijn Vriend, vermag het — echter niet de mijne, al is hij krachtig —, dooden op te wekken en levenden te dooden. Men kan dit lid in dienst stellen van den afgrond en men kan het in dienst stellen van Ons-Heer, hetwelk ik pleeg. Ik ben zoo content lijk een kind. Spijtig, dat gij zoo lang in de kou moest toeven. Bedenk evenwel, Socrates, dat wij sámen knechten Gods zijn. Uw taak is veelal, te beiden op mijn komst of mij op uwen rug te doen brevieren. Elkendeen dient op de hem meest geëigende manier. God schonk ons mens sana in corpore sano.1 1 een gezonde geest in een gezond lichaam. Wat wenschen wij meerder? Geen duit, zeg ik u.

Hierna sloot Pastoor Poncke den mond en Socrates liep eigenwillig wat druistiger aan. Zoo betraden zij den tweede hof. Pas taakten Pastoor Poncke’s voeten op het erf, of, God-weet-waar-vandaan, schoot, onheilspellend, blikkertandend een enorme hond op hem af. Met tegenwoordigheid van geest bukte Pastoor Poncke naar een nabijen steen, teneinde zich ermede tegen een, volgens hem gewissen, aanval te verweren, en klemde zijne vingeren om het wapen, dat echter niet van den bodem vrij te willen scheen. Het zweet brak Pastoor Poncke plotseling uit. — Héé, siste hij nijdig bij zichzelve, — welk een onmogelijk hof, waar men de steenen op den bodem vastlijmt en de honden los laat loopen! Verwilderd blikte hij rondom zich en dan weer op den hond, die, op vier, vijf ellengten van hem vandaan, laag gromde en binnen een paar tellen, doorschichtte het Pastoor Poncke, zijn aarzeling zou hebben overwonnen. Entwat van een schietgebed ving bereids in hem aan als de hond, op den roep van een logge stem, zijn plan varen liet en kwispelstaartend wendde. Pastoor Poncke verademde:

— Hee, Socrates, boer en gebed hebben ons gered (en tot den uit de veestallingen naderenden boer:) Danke, man. Ik voel mij lijk weergekeerd uit de krochten van den Gehoefde. Nemo ante obitum beatus dici potest. Prijs niemand gelukkig alvoor hij zijn leven beëindigd heeft! Hebt g’ efkes tijd voor mij? Ik heb namentlijk een zaak met u af te handelen.

De boer, breed-geschoêrd en bolgebuikt van welgedaanheid, zegde:

— Mijn-Heer Pastoor is steeds welgekomen. (hij wierp een blik op een der manden) Mijn-Heer Pastoor is op in-koop?

— Het is te zeggen…, ontweek de goede herder van Damme, — op in-koop met een platte beurs…

Het roode gezicht van den boer verduisterde.

— Vleeschwaar is op den dag van vandaag goùdwaar, Mijn-Heer Pastoor…

— Ik wéét het, ik wéét het, bevestigde Pastoor Poncke gul. — Pront daarom ben ik gekomen. Ik sta befaamd als een merkwaardig onthouder. Een belofte, mij eenmaal gedaan, al ware het vóór een eeuw, zinkt bij mij nimmer in de vergetelheid. Gij hebt twee jaren verleên een belofte, een geheel dwanglooze belofte, jegens mij afgelegd.

De boer haalde de schouders op.

— Zij kan u ontglipt zijn, natuurlijk. Maar niet mij, vriend. Ge beloofdet mij: — Mocht u, Mijn-Heer Pastoor, het water eens tot aan de lippen stijgen, klop kalmkes bij mij aan. En nu hééft het water deze hoogte bereikt. Men zal de hongerigen spijzen

— Indien gij honger hebt, mijn wijf zal u gaarne een boterham snijden!

— Gij draait listig. Och, ik kan een scherts wel verdragen. Doch om in het serieuze te vervallen: binnen de parochie bloeit de ontbering, boer. Armoe bloeit altijd het rijkst en het rapst. Er zijn vrouwen met borstkinderen — bleeke, saplooze vrouwen. Er zijn knapen en meiskes van zuìver vel over been. Er wordt dezen winter droef geleden.

— Kan zijn, vond de boer, die Schalle heette. — Maar de armen zijn zelve de schuld van hun armoe. Zij garen noch sparen.

— Zekerlijk, zekerlijk. Ziet gìj echter kans, van enkele stuiverkens loon te leven en daarbij nog de kous te bòl-kuiten?

— Kan zijn, herzegde de boer balsturig. — Mijn vader verluidde mij dagelijks: elk voor zichzelf en God voor ons allen.

— Dan kende hij den waren sloter tot den rijkdom. Mijne armen kunnen nochtans niet bogen op zulk een wijzen vader — anders waren zij koningsboeren en geen daggelders en eeuwige kromliggers. Doch laat ons nu stoppen met te kortswijlen. Uw belofte…

— Ik geheug mij er niemendal van…

— Uw belòfte…, hield Pastoor Poncke taai aan.

— Goed. Een boterham heb ik met liefde voor u over. Een belofte aan ù is niet een belofte aan àllen, Mijn-Heer Pastoor. Ik heb te denken aan wijf en kinderen. De tijden zijn er niet naar om…

— …zuiver op eigenbelang bedacht te zijn, vulde Pastoor Poncke aan. — Een belofte aan een priester is heilig. En een paap is gànsch zijn parochie.

— Mijn-Heer Pastoor, gij kunt hoog, gij kunt laag springen… De heiligheid van die belofte is vereffend met een paar boterhammen. Heb ik méér beloofd, dan heb ik gezwetst.

Pastoor Poncke werd kregel.

— Toen hebt ge niet gezwetst, thàns zwetst ge, boer Schalle! Gij moest u schamen! Krimpaert ginder is niet een van de grifste. Hij staat zelfs te boek als de vrekkigste boer uit de contrei. En zie nu eens in de beide korven de geschenken van Krimpaert, geschenken pal uit een gesmolten hart: een bonk blank spek en vier vette saucijzen. Vivat Leve. Krimpaert, roep ik. Maar gij, van wien ik waarlijk de blinkendste verwachtingen koesterde, gij ontpopt u aan uw pastoor als een man zoo karig, dat hij zelfs de afsnijdsels van zijne nagels bewaart. Nu besef ik pas ten volle den zin van de zegging: hoe het een lichtere taak is een meelbuil vol vlooien ’s uchtends in den beemd te brengen en tegen deemster wederom bijeen te verzamelen, dan een vrek zijnen eigenzinnigen aard te verweeken. Schalle, Schalle! Zie, in tijden van regelmatige weelde zijt gij een ordentelijk mensch, die zijne minderen niet het vel over de ooren stroopt. Thans gebaart gij u benauwd. Maar in waarheid zijt gij duivelachtig behoedzaam geworden, zaagt g’ een gat om heem en huid te verrijken door u het binnenste met een danige ijskorst te laten omvriezen. Goed, gaat uwen gang, Gouden-fontein-die-geen-water-geeft, Schalle-van-niemendalle! Tja, nu raakt ge in ongemak, want Gods toorn taalt uit mij. Nochtans, Schalle: Gods líefde woont evenzeer in mij. En Gods liefde noopt mij tot u te spreken: Verkiest gij het, ten achter te staan bij iemand als Krimpaert, uw gebuur? Verkiest gij het, dat ik in mijn sermoen toespeling maak op een man met een heel luidelijken naam en die den winternood uitbuit ten koste van anderen, vernibbeld lijk hij zich toont op de alsaan hoogere voedselprijzen en die, veinzend, de schaarschte van God gezonden roemt? Verkiest gij zulks, vriend? Geloof dat ik het doe. Wij, papen, weten van recht. Edoch, zwijgen is op uw erf goud — niet voor u, voor mìj. En vertrekken van hier is mij dubbel-goud. Ik heb mij in u deerlijk vergist. Al kwaamt ge af met tien worsten, een hesp en een baken spek en boodt ge mij een baalke meel, morgen bij u af te halen door Jaak de groenselier — ik zou zeggen: — Néén. Néén. Níet meer.

En Pastoor Poncke keerde den boer den rug toe en omspande met de linkerhand de zadelknop, als ware hij zinnens zich luchtig-weg, met de behendigheid van een kunstruiter, in het zadel te slingeren ondanks de obstakelen. Toen hoestte de boer.

Pastoor Poncke wendde zich om.

— Gij zègt, mijn vriend…?, vraagde hij welwillend.

De dikke boer slikte eens en sprak schor:

— Dat was daarseffens niet zoo gemeend, ge begrijpt, Mijn-Heer Pastoor…

— Natúúrlijk, begrijp ik… Betaalde ik uwe jokkernij niet met de mijne? Het baalken tarwemeel bekom ik morgen. De tien worsten, de hesp en het baken spek kunnen in mijne mandekens… Ik heb niet veel tijd. Bezorg mij snel uwe barmhartigheden — ik wacht.

De boer schreed binnenshuis met entwat van moeheid over gansch zijn postuur.

Socrates, zegde Pastoor Poncke zacht, — de zege is ons. Ja, mijn Vriend, het is met paap Poncke voordeeliger te kauwen dan te klappen. Wat zouden wij, Socrates-vriend, van ons priesterschap terecht brengen zonder tong? Vreemd, dat er geen poëten gevonden worden die hymnen op de tong vervaardigen. De tong is een zwaard, ze splijt, rats, bakenen en worstfestoenen door en puur haar bedreig alleen doet hespen onswaart wandelen en builkens meel en maakt gemoederen van steen murw lijk smout. Van smout getaald — op den volgenden hof gaan we naar smout delven, want stuiten zonder smeer glijden bezwaarlijk door den gorgel. En, Socrates, wij zijn lieden, die weten hoè hunnen tijd nuttig te besteden. Weshalve wij den gordelriem enger rijgen en het middagmaal verre van ons wijzen. Sint Franciscus gaf niet voor niets exempel — wat gìj?!

Pastoor Poncke sprak niet verder. Over den drempel-arduin der hofwoonst beende boer Schalle’s keetmaarte aan met op de armen de leeftocht. Achter haar tord, duister, de boer.

Schóón, mijn dochter, begroette Pastoor Poncke de schonkige meid, — gij zoudt haast bezwijken, dunkt me. Ik zal u helpen.

Zoo, de saucijzen in dìt mandeke —, en de hesp op het spek in dìt. Schóón. Het nog ledig mandeke er bovenop. Pront. Danke. Hier hebt g’ een kruiske, mijn kind. Schalle, ge zijt een man van uw woord. Maar buiten uw bijstand raak ik niet op Socrates, dies… Dànke. Ik zìt. Wat zegt ge daar van bandieten? Tut-tut, vriend. Altemaal kindersproken. Hang uw roer gerust weêr aan den wand. Op het Damsche waagt zich geen boef. Geruchten hebben niet altijd feitelijke bronnen. Ik verwacht u Zondag in de hoogmis. Een kerstene gelijk gij, dat spreekt, stoeft niet op zijne weldaden. Aalmoezen, welke naar de hand rieken, verliezen hun kracht voor den gever. En gedenk Ons-Heeren spreuk: Hetwelk gij den minste aan goeds onder u doet, hebt ge Mij gedaan. Geloof van mij, dat op de pastorij de kelder ijdel is aan vleezen en dat Katrijne erover jeremieert. Vrouwlingen zijn nu eenmaal zoo. Het is evenwel aldus, dat men den hemel wint. Valete. Gegroet.

En Pastoor Poncke reed henen, naar den volgenden hof. En ook hier bevocht hij de victorie. En eveneens op de andere hoven. En op de laatste hoeve snoerde hij zich het rugmandeke op en deed het den slot-buit behelzen. En als men hem aldaar ried, het rugmandeke eveneens op Socrates te bevestigen, zegde Pastoor Poncke:

— Héé, hoe kunt ge zoo scheef peinzen! Heeft Socrates niet genoeg te dragen?

Na veel moeiten troonde hij van her in het zadel en ging het op Damme aan, langs den kortsten weg, door het Geeraerdtsbosch en Pastoor Poncke bemijmerde het, hoe de Heer-God zijn tocht had gezegend. De armen zouden dansen en de ingetogen zusterkens van Sint-Jan kirrelen. Het priesterschap, bevond hij, is knechtschap en koningschap ineenen…

Tal van diergelijkheden overdenkend trok hij blijgezind het bosch door.

Vreugde maakt argeloos. En zoo kon het geschieden, dat Pastoor Poncke, in het hart van het bosch gekomen, beminnelijk als immer het zestal verlompte, zwarte venten, dat rondom een hoogbrandend houtvuur geschaard zat, zijn knikkenden groet bood en onverwonderd passeerde. Op hetzelfde moment trad een zevende havelooze vent van achter een eikstam en snakte Socrates bij den teugel.

Pastoor Poncke’s vreugde wankte niet. Hij dacht enkel: Héé, waarom doet die man dit nu? En in toegenegen verwijt uitte hij: — Héé, vriend, laat Socrates toch met rust…

Doch de vent — hij bezat slechts één oog — scheen dit niet in het minst van zin te zijn en hij hief de rechterhand nog wat hooger van onder zijnen voddigen mantel en Pastoor Poncke zag zich den loop van een pistool op de borst gemikt en ontwaakte eenigermate naar een onvermoede werkelijkheid.

— Héé, zegde hij zacht vermanend, — doe dat toch weg, mijn vriend, het moest eens losbranden, ge kunt nooit weten, en Socrates, ik ervoer het, kan niet tegen den klank van een schot. — Héé, zijt gij een móór?… Héé, zijt gij allen moriànen?, voegde hij er subiet aan toe, zich thans omringd ziende door zeven, allen met een pistool gewapende kerels, daar de zes het vuur verlaten hadden. — Ik bidde u, pas toch op dat Socrates niet verschiet.

— Geld of leven!, snauwde de één-oogige, den vinger aan den trekker.

Pastoor Poncke zuchtte.

— Vriend, hoe komt ge er bij, geld van mij te vergen? Een paap van Damme ìs niet rijk. Damme is Parijs niet…

Pastoor Poncke’s woord stokte, want hij zag een rabouw den goren klauw uitsteken naar één der met een baal overdekte manden.

— Afblijven!, zegde hij zoo scherp, dat de vent den arm weder introk. En zich weer tot den één-oogige wendend:

— …Damme is geen Parijs, gelijk ik u verklaarde. Gèld, mijn vriend: mocht ik op gèld bogen, gij ontwaardet mij op dit tijdstip hier niet vermits de reis van heden door mij nooit zoude zijn ondernomen.

— Uw beùrs!, eischte de één-oogige van her met vervaarlijke felheid.

— Héé, gij zijt bekwaam met puid te scheren, bevroed ik, antwoordde Pastoor Poncke. — Maar gij kunt schéren, er komt geen haar af… Ha, ha, gij doet mij lachen met u zoo dom te gedragen. Damme’s papen zijn sedert een eeuw poovere papen. Gij had u tweehonderd jaar vroeger te mijnent moeten melden. Alstoen bloeide de stede Brùgge en Antwerpen te boven. En buitendien ben ik nog Pastoor Poncke. Vernaamt ge nooit van mijn bestaan? Ik gis van neen. Eilieve, dan zijt gij kwalijk onderricht, want ik ben befaamd tot in de Abdij van Eecloo. Laat Socrates toch vrij, alstubelieft… Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij tot het rooversrot behoort… Het zij zoo. Doch zulks verleent u nog niet het recht een geestelijke te belagen. Koestert gij geen eerbied voor mijn kleed? Neen? Voor twee soutanen dan? Zie, ik heb er twee aan vanwege Katrijne heur zusterlijk inzicht… Neen? Voor mijn getonsuurde persoon? Evenmin? Voor twee toogen èn mijn gewijde persoon? Neen? Dat versta ik niet, dat versta ik niet…, hoofdschudde Pastoor Poncke.

— Saucìjzen!, zegde een der roovers, die zich spijts Pastoor Poncke’s verbod verstoutte den inhoud van een mand te ontblooten.

— Hèsp!, zegde een ander.

— Zwìjnskarbonaad!, ontdekte een derde verlekkerd.

— Afblijven, àfblijven!, sprak Pastoor Poncke straf. — Eerst kouten. Mijn vriend…, bad hij den één-oogige, — gij, die voorzeker de hoofdman zijt… Of hèbt ge als overste geen macht…?

— Afblijven!, beval de rooversleider, in het weeke aangetast, bondig.

— Danke, vriend. Ge hebt er den breidel in, bespeur ik. Tucht is wijsheid. Ik kan zeggen, dat wij beiden wijs zijn —, elk in den hem geëigende stiel. Nochtans, mijn vriend, ben ik een marodeur gelijk gij…

De één-oogige grijnsde.

— …gelijk gij, voer Pastoor Poncke welgevallig voort. — En betaamt het kameraden elkander den oogst te betwisten? Neen, duizendmalen: neen. Zwijg, het woord is aan mìj. Gij zegdet het éérste, ik nu, het twééde. Socrates — dat is mijn ezel — een dier vol zachtmoedigheid, evenals ik — draagt mìj en mijn roof naar Damme. Ik heb namentlijk de boeren beroofd. Mijn vriend, vrienden: gìj hebt daar blijkelijk pistolen en ponjaarden bij vannoode — mijn pistool en ponjaard is simpel mijne tong — hetgeen ik bereids uitlegde aan Socrates —. De spraak van mijn tong doemt gesprakigen tot sprakeloosheid. De boeren beefden vandaag onder het wapen mijns woords. Ik heb mijne schámelen binnen Damme, weet ge! En opdracht van den Heer-God, mij om hun lot te bekommeren en te beijveren. ’Laas, ze verkeeren, mijn schamelen, in hachelijker toestand dan gij. Ik, als hun hoofdman, mocht dit niet langer dulden. Honger, vrienden, ge weet het misschien, is een onaangenaamheid — duivel en dood omdansen een hongerige. De boeren van het omme nu vergaten het tweede der Tien Geboden bedoeld is: het derde, zie dit artikel: pleeg barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij beminnen en Mijne geboden onderhouden… De boeren, vrienden, pleegden puur barmhartigheid aan zichzelve. Toen peinsde ik: Paap Poncke, gord u aan ten heiligen roof, want gij vermoogt het, ’laas niet gelijk de Heer Jezus met vijf brooden vijfhonderd man te spijzigen… Waarom lacht ge, doorluchtige kapitein?

— Het waren er vijf duizend!, grinnikte de een-oogige lijze.

— Sst!, beaamde Pastoor Poncke haastig, en zich naar hem toebuigend: — Niet zoo luid, uwe onderdanen, aan hunne tronies te bespeuren, gelooven mij amper de vijfhonderd… (en hij vervolgde onverstoorbaar:) — …omtrent vijfhonderd man spijzigde. Goed, ik gìng — evenmin lijk gij uit overmaat van weelde door kaapzucht bevangen. En mijne mandekes vulden zich gildig. Ziet, ge moet het alzoo opvatten: gìj vormt een bende en ìk vorm een bende. Het is zede, mijns erachtens, dat de eene dief nimmer den anderen dief besteelt. Kwestie van eer. Eer moet geëerd worden. Bijaldien, vrienden, verafscheid ik mij van u. Allee, Socrates!…

— Ho, Paap, ge komt niet zoo vlot van ons af!

— Héé, waarom niet? Ik heb u toch alles uiteengedaan? En gìj, naar ik gewaarwierd, als kerstenroover

De één-oogige loech luidkeels.

— Broers, welk een kluchtige paap. Waarachtig ik ben bijkans bekwaam hem te laten loopen!

— Zulk malsch spek, ge zoudt wel zot zijn!, watertandde een schelm.

— Ik proef den smaak van de hesp in den mond, uitte hoopvol een ander.

— Mijn vriend, kaatste Pastoor Poncke, — dan hebt ge geen hesp meer noodig.

De één-oogige hield zich de zijden:

— Hàhaha! Hàhahaa!…

— Lach, vriend —, lach!, beleerde Pastoor Poncke. — De lach is een onschatbaar medicijn. Geheug u Erasmus van Rotterdam, die zich een helsche zweeragie te bersten lachte en op stònd was geheeld. Ik ga.

Maar de één-oogige, alsaan lachend, bleef hem het pad versperren en wierp er tusschendoor uit:

— Prééken, prééken moet ge… Haha! Broers, de paap moet eerst een sermoen leveren…

— Vriend, de Lieve Vrouwe rijst binnen Damme.

— Neen. Ge vertrekt niet alvoor gij een preek voor ons hebt afgestoken!, vergde de hoofdrabauw. — Broers, wat gij?

— Tja-a…, zegde Pastoor Poncke gerekt, en naderhand van her: — Tja-a… En tusschen beide „tja’s” smeekte hij Ons-Heer om vergiffenis: dat hij twee dingen kon doen — weigeren of toestemmen… Heer-God, niet alle bloed is martelaarsbloed. Ik kan mij verzetten en leven en goederen verliezen en ik kan die schelmen een sermoen schenken en mijne schamelen verrukken met de gewonnen waren. Heer-God, ik verkies het laatste!

— Vriend, ik zal sermoenen, sprak hij willig.

— Wacht efkes, paap. Wij wenschen niet door u gekapitteld te worden. Dieven roemen dieven…

Pastoor Poncke zuchtte, sloeg de oogen ten hemel, vroeg den hemel wederom vergiffenis, knikte.

— Koppen bloot, eischte hij.

De schelmen gehoorzaamde op een wenk van den één-oogige. — Gij bekomt uw sermoen, hernam Pastoor Poncke, — maar ge taakt met geen nagel aan mijne korven.

— Accoord, zegde de één-oogige.

— …en gij laat de boeren van het Damsche met vree — ik verwittig u er buitendien van: ze zijn gekend als vermaarde schutters, met één kogel doorboren zij op twaalf pas pieken-aasblad en zij, overtuigde ik mij, vormden van hun hoven wàre vesten —, waarmede ik slechts verdietschen wil, hoe het tamelijk ongeraden is beleg te slaan en ik u menschlievend gezind ben, ofschoon ik uw koente niet in twijfel trek —; nietwaar, gij verstaat mij? Beproef dies elders uw fortuin, bidde ik u…

— Accoord, wijl gij het zijt, gaf de één-oogige toe.

— Danke. Gaan wij thans dichter bij uw vuur.

En zij deden het, schaapachtig, en lieten zich op-zijn-snijders neêr rondom de vlammen en beidden Pastoor Poncke’s prediking.

— Welaan dan, ving Pastoor Poncke aan. — Ho, ik heb nog ééne geringe voorwaarde. Ik stemde erin toe u met rozen te bewerpen. Zaagt g’ ooit rozen zònder doornen? Eén enkele duidelijke doorn dient gij van mij te aanvaarden. Ik zal uwe doening vergelijken met Ons-Heeren omwandeling op aarde en men heeft Hèm duizend doornen niet gespaard. Dat eene duidelijk doornke voor ù dus…

— Accoord, uitte de één-oogige ongeduldig.

— Danke, vriend, ik begin.

En Pastoor Poncke schraapte de keel en stak van wel, breedelijk gebarend:

Pater sum, ergo cave. Qualis vita, finis ita. Furca vacua, et silva latronum plena.1 1 Ik ben pastoor, dus hoedt u. Zooals men geleefd heeft, sterft men. De galg is leeg en het bosch is vol dieren. dieven, zie dit artikel Uwe zonden hebt gij u op het aangezicht gemaald, hetwelk van menig kersten niet kan gezegd worden en, vrienden, dit is een punt tot uw profijt. En uit oorzaak van dit punt, schenkt de Heer-God mij oorlof in groote beelden tot u te spreken. Hoe diep heeft Ons-Heer geleden op deze wereld. Hij had geen steen om zijn hoofd op neer te leggen, en ù, gis ik, gaat het niet veel onkwalijker. Ons-Heer was een zwerver en ook gìj, schijnt het mij, zìjt het. Hìj zwierf verzeld door zijne Jongeren — gìj handelt vrijwel gelijkelijk, waar gij groepsgewijs ons Vlaanderen afketst. Hij schouwde de pharizeeën ongaarne — zijt gìj liefhebbers van schijnheilige schriftgeleerden? Lijdzaam duldde Ons-Heer alle wanweders, slagregen, donder en tempeest — aan diergelijke ongetijden zijt gìj eveneens blootgesteld. Barvoets toog Ons-Heer over de banen — spijts uw schoeisel kan men ù eveneens barvoets heeten. Hìj bezat slechts één kleed — draagt gìj mede niet gansch uw kleerkas op het lichaam? Zilver noch goud noemde Hij het Zìjne — kunt gìj-liên terecht stoefen op zilver- en goudrijkdom? Hìj werd door Satan in verzoeking geworpen — gìj zijt àlle dagen aan ’s duivels verzoekingen onderhevig, och-arme! De Satan voerde Ons-Heer op eenen hoogen berg — ik vermoed zoo, dat de Duivel ook ù bijwijlen de hoogte in stuwt, per exempel een boomkruin in, van waaruit gij het omme afspieden kunt naar onnoozele reizigers. Ons-Heer wierd door ontalligen veracht — verloopt het ù milder? Hij is door Judas verraden geworden — het eendere lot zal ook ù overkomen, daar één uit uw midden voor Judas spelen zal. Ons-Heer is gegrepen, geketend en gekerkerd geworden — bereidt u voor op hetzelfde. Ons-Heer werd genoopt Anas te woord te staan — ook gìj zult eenmaal den rechters bescheid bieden. Met roeden heeft men Hem gegeeseld — met roeden zult ook gìj, indien het niet reeds gebeurde, gestriemd worden. Hèm hing men aan den kruisgalg tusschen twee boosdoeners — mijne priesterlijke fantazij spiegelt mij vóór, dat ook gìj in ongeveer het eender geval zult belanden. Hìj daalde ter helle af en is nadien ten hemel opgevaren — gìj zult Hem hierin navolgen met dit verschil, dat gìj de hel niet verlaat, vermits gìj gedoemd zijt bij de duìvelen te vertoeven en den òpperste der duivelen — tot wien u — bekeert gij u niet rap — mogelijk spoedig, en voor alle eeuwigheid, verwijzen zal God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen!… Naar huis, Socrates!

En Socrates kwam naarstig in beweging als mistrouwde hij de affaire een beetje. En Pastoor Poncke, in den geest alsaan de verbijsterde tronies der boeven schouwend, monkelde zelfgenoegzaam. Geen moment rees er de vrees, dat de venten, zich bezinnend, rijzen en hem alsnog berooven zouden. : — Socrates-vriend, wij zijn gered. Zie, dit was nu wat men benamen mag „heìlige ketterije”! Korte sermoenen zijn altijd het hevigst. Wij tijgen in God Dammewaarts. Dum spiro, spero.1 1 Zoolang er adem is, is er hoop. Vooral wanneer de hoop in Ons-Heer ankert.

En onverlet aan lijf en have bereikte Pastoor Poncke Damme en ontlaadde Socrates op den binnenhof van het Sint-Jansgasthuis. En de nonnekes kirrelden, gelijk hij het voorzegde. En daarna trok hij ter pastorij, voederde Socrates, ditmaal in het ongemeene, en betrad Katrijne heur domein.

Katrijne, nu ben ik toch warelijk moew, en mij hongert, mijn dochter. Wat schaft er de pot?

— Wat kan men maken tegenwoordig?, bejegende Katrijne haren meester bits, — er is niets in huis, ’t is àl bij vreemden gegaan…

Katrijne, Katrijne!, misprees Pastoor Poncke. — een kerstinne taalt niet in dezer voege. Wat schort er u toch. Ik kom bìnnen. Gij groèt mij niet. Gij mòrt alleen. Gij moest mij eerder proficiat wenschen! Manden vol vleesch bezorgde ik bij de nonnekes. Héé, gij zijt toch niet dul, omdat ik niemendal voor de pastorij behield, Katrijne? Gij weet toch, mijn dochter, dat wij geestelijken zijn! Geestelijke devooren wegen zwaarder dan wereldsche… Ge dunkt mij een luttel zenuwachtig…

— Wie zou niet uit zijn lood raken als men u vertelt, dat in ’t korte de wereld vergaat!

— Wat verluidt ge me daar?

Elkendeen in Damme zegt het… Pruyck zegt: — Er zit ’s nachts een sterre in de lucht met een staart. Nu wéét ge ’t.

— Het einde van de wereld nabij…, zegde Pastoor Poncke traag. En balsemend: — Och, gij behoeft voorloopig niet vervaard te zijn. Nochtans — wèlk einde vermeent gij?

— Is er méér dan één?, vraagde Katrijne verbaasd.

— Héé, twéé zijn er—, twéé, sprak Pastoor Poncke diepzinnig. — Het groote wanneer ìk verschei, het kleine wanneer gìj sterft, Katrijn.

En monkelend om deze, louter door hèm gewaardeerde vondst stapte hij ter boekerij.

SOCRATES

Even onverhoeds als het wintertij bloed en aarde teisterde, kwam de groote smelting en tastte men weldra den aantocht der lente. Het volk herademde, lijk eindelijk ontwaakt uit een maredroom. De winterzaaite mocht verziekt liggen in den akkerschoot, het gansche jaar opterkwalijkst uitvallen — men hoopte op het zomerzaad en sprak met nieuwe stem en wist weder jokkernij uit te slaan. En kondde Pastoor Poncke niet van den kansel, dat Ons-Heer, navenant andere streken, het Damsche voor vele booze zaken had gevrijwaard? De Dammenaren golden God voorzeker nog Zijne devootste kinderen, al kon men hen vooralsnog geen engelen roemen. Men had van verwoestende krankten, elders, vernomen, van ratten- en muizenplagen en bloedige rooverijen. Dit al was het Damsche met eenen wijden boog gepasseerd en Pastoor Poncke had er het zijne aan gedaan. Nochtans zouden de Dammenaren er wèl aan plegen, krachtens hunne uitverkorenheid niet den hals te hoog te rekken. Ootmoed betaamde hun, thàns en ìmmer. God had den voorbijen winter gebezigd, teneinde elk schepsel te toonen, dat Hìj de baas was en nìemand-el.

Het was Pastoor Poncke zijnen regel, de breviergangen in den buiten niet te hervatten alvorens hij eigenoogs den terugkeer had waargenomen van het nachtegaalzusterken, de zwaluw. De zwaluw bewonderde hij het innigst van alle vogels. Hij vermeende haar uitwendig zoo schoon gelijk inwendig heur broerken van den nacht. Zoo rap en zoet als de nachtegaal zingt, zoo rap en zoet is de zwaluw in haar scheerlingsche vlucht, zegde hij. Elken dag tuurde hij popelend uit naar haar komst en volgens zijn inzicht wierp een sermoen nooit meerdere baat af dan wanneer tijdens de uitzegging een koppel zwaluwen het kerkschip door-ijlde: — en, verklaarde hij met kloeke stelligheid, — mocht het eens geschieden, dat de zwaluwen omtrent herfsttij niet zuidwaarts uitwijken, de winter zoude geen winter wezen, maar eeuwig ging er lente en zomer heerschen gelijk bij Ons-Heer in den hemel, alwaar het wemelt van zwaluwen en van nachtegalen, Katrijne-dochter.

En de dag daagde, dat hij den eersten vogel-van-geluk ontdekte, terwijl deze, in en uit vliegend, naarstig wrocht aan een nieuw nest binnen de Onze-Lieve-Vrouwe. Hij bracht er Socrates na de mis onmiddellijk relaas van. : — Socrates-vriend, de vogel-van-het-geluk is gearriveerd, verheugen wij ons! Heden gaan wij te brevieren, gij en ik! Nog een half stondeke patiëntie, bidde ik u. Want mijn maag is nog nuchter.

Katrijne mede maakte hij breedvoerig deelgenoote van de ontdekking, doch Katrijne bleek de eenige in Damme, die het voorbije leed niet vergeten kon en gansch het bericht terzijde porrend, beklaagde zij heur eigen dat zij zes ponden aan gewicht geslonken was en lat-mager nu.

— Waar hebt gij u gewogen, Katrijne?

— Op de bascuul van Jaak de groenselier, zegde Katrijne kort. Nog een reesem ponden lichter, Katrijne, schertste Pastoor Poncke, — en gij bekomt vleugels en zwaluwt boven gronden en waatren, want Jaak de groenselier’s bascuul begoochelt niet — Jaak-zelve evenwel acht ik een schalksche kwant, Katrijne… Anders uitgedrukt, indien mijne oude oogen mij niet bedriegen, zijt ge geen grein uitgeteerd en zie ik de knoopkens van uw jak nog steeds op de eendere stee vastgehecht…

Katrijne keek donkerder en klemde de lippen tegaar, hetgeen Pastoor Poncke het vermaan ontlokte, dat zij blijkelijk hare ziel verwaarloosde voor het lichaam. Zulks liep haar te ver en zij borst ratelend uit, dat Zijn Eèrwaarde háár had verwaarloosd door het beste eetbare weg te schenken en dat zij hun gebeiden niets dan vervrozen kool had overgelaten ofschoon hij beweerde, dat nevens de ziel ook het lijf het zijne dient te krijgen — en wat kunt ge bereiden van kool en zeenen? Hij moest wel gepeinsd hebben, dat zijn maarte de kunst van het koken kwijt was geworden, maar niet zìj was de schuldige!

Katrijne-dochter, ik verzeker u, dat ik niemendal heb gedacht.

— Dat zegt ge nù…

— …en zal ik op mijne stèrfsponde uiten. Gister nog gaf ik Mijn-Heer den Baljuw te kennen: in heel Vlaanderen bestaat er geen zoo voortreffelijke kokkin gelijk mijne Katrijne —, zij is tot miraculen bekwaam en bakt desnoods pasteien van zeezand, welke gij verorbert lijk roomtaart. Ziedaar, Katrijne. En thans ga ik brevieren.

En Pastoor Poncke zadelde en besteeg Socrates en droomde zich lente-bode gelijk de zwaluws. Na echter een paar boogschotlengten welgemoed te zijn voortgewandeld, hield Socrates eensslags halt.

— Héé, uitte Pastoor Poncke bevreemd, en efkes naderhand, daar Socrates zonder de minste oorzaak volharddde in den stilstand, wederom: — Héé!? — en hij rukte zacht aan den teugel. Socrates verroerde niet.

— Héé!, herhaalde Pastoor Poncke ongeduldiger, — wat hapert er aan u, mijn Vriend? Sliept ge deez’ nacht zoo lastig, dat de vaak u heeft bekropen en gij staanlings insuft? Socrates! Zijt ge steendoof geworden, zeg? Kom-áán, mijn Vriend! Of doorloomt u de vroegde lente — ik ken zulks: een zwaarte in de leden, ge zoudt u willen uitstrekken en ge zijt genegen te gapen…? Antwoord mij toch. Een doode kan zich niet stijver houden dan gij op ’t moment. God, de lente overvalt u — gij zijt zwak uit ongewente, maar dan gaat het voorjaar plots door uwe aêren gisten en ge zoudt bijkans bijzen lijk een beemdvolen. Dit moest bij u bereids plaatsvinden. Wat mij betreft, de drift tot brevieren doorvaart mij. Alléé, Socrates-vriend, er is genoeg gedruiloord. God beidt onze gebeden. Alla-toè, Socrates! Néén? Ik ben u niet rap gram, maar nu zoekt gij het buiten perken en zoudt u nog mijn Vriend willen heeten. Hùp, Socrates, en ontschud u deze onmanier-van-doen. Gij lijkt pront een hoofdig Hollander — Hollanders zijn buitengemeen hoofdig, geloof mij. Nochtans stamt g’ uit Vlaanderen, alwaar de geest minder lijdt aan verstarringen. Hoe làng nu nog. Socrates —, hoe làng nu nog alzoo, hervraag ik u? O onzalige kerstenheid! Cornéél! Jà, ù roep ik, Corneel!

— Wat belieft er Mijn-Heer Pastoor van mij?, vraagde de bultenaar, aanschrijdend met zijne eeuwige spade over den schouder.

Corneel, ge verschijnt lijk van Ons-Heer gezonden. Bezie mij toch Socrates eens. Hij draagt mij — ik ben aan het brevieren gelijk ge ziet — tot hìer en weigert verder te wandelen. En al mijne woorden is gekal aan doovemanspoorten. Een schànd’, zeg ik u, grafmaker. Duw gij hem eens aan den achterkant, dat hij voelt hoe het meenens is. Maar hem geen pijn berokkenen, Corneel —, enkellijk duwen.

— Als het dat maar is, Mijn-Heer Pastoor, het is in een amerij voorbij.

Corneel Caboor stelde zich achter Socrates in postuur en poogde, zijn alm dwars aan Socrates’ achterdeel, het dier in gang te nopen. Alle moeite was tevergeefs.

— Ge kunt gauwer, hijgde de grafmaker, — een heel huis verschuiven dan uwen ezel, Mijn-Heer Pastoor.

En gaf het op.

Pastoor Poncke schudde het hoofd:

Corneel, ik versta mij niet aan Socrates. Bedenk, jaren en jaren Vrienden, één van geest en één van wil — en nu dìt…

— Mijn-Heer pastoor, sprak de grafmaker wijs, — het is de ouderdom. De ouderdom heeft streken en mijn vader handelde al precies eender lijk uwen Socrates: hij stak zich entwat in den kop tegen alle draad in en kreeg het er maar eens uit… Ik schat Socrates omtrent zijn levens-ende, omtrent de vijftig… Ezels worden ouder dan paarden.

— Tja, zegde Pastoor Poncke peinzend, — ze worden oud, en zulks komt doordien zij al grauw zijn bij de geboorte…

— Wil ik u een raad geven, Mijn-Heer Pastoor?

— Ik bidde u erom, Corneel.

— Verkóóp hem, verkóóp hem, Mijn-Heer pastoor. Ge gaat naar Brugge en in een amerij

— Eh?, blies Pastoor Poncke. — Dat noemt gij een raad? Socrates verkóópen? Uw beste Vriend ter wereld versjacheren? Peinst ge, dat ik van het slag van Jozefs broêrs ben? Schaam u, Corneel!

Gelijk gij wilt, Mijn-Heer Pastoor —, gelijk gij wilt, verzachtte de grafmaker, — mijn raad was er eene van een eerlijk slag… Welhéére!, verbaasde hij zich.

Hij had recht zich te verbazen, want Socrates stapte almeteens gemoedereerd voorwaarts als had hij geen tel aan zijne plichten verzaakt. En Pastoor Poncke aanvaardde dien innerlijken ommekeer gelijk iets zeer natuurlijks en váág slechts speelde het door hem heen, hoe Socrates voorzeker verschoten was van ’s grafdelvers woorden en… Het brak hier àl af. Socrates en hij brevierden, brevierden gelijk jaar-in, jaar-uit. De zwaluwen bouwden in de Onze-Lieve-Vrouwe. De zon bakerde mild. De geringe wind zoelde. God was uiterst nabij.

Corneel Caboor adviseert Pastoor Poncke Socrates te verkoopen

Pastoor Poncke ademde diep en blijde, groette parochianen, monkelde, genaakte de huizing der gezusters Ruttaert, wìschte den heimelijken wrok jegens alle gekwezel, lichtte de hand naar den tik teneinde de gezusters Ruttaert niet on-zwierig te be groeten en…

De geheven hand daalde. Pastoor Poncke’s langwerpig aangezicht wierd langer en zijn mond drukte groote misnoegdheid uit. Er waren hem geen gezusters Ruttaert meer, daar vóór het venster, hem ter rechter: er bestond puur het òngeloofelijke. Een wijle sipte Pastoor Poncke omneer tusschen Socrates zijne gemelijk-slakhangende ooren. Dan opende hij den mond:

Socrates, Socrates, nu stroomt de kelk toch over! Hier staan wij wéder — lijk tot aan den Dag des Oordeels. Gij werpt mij in wanhoop. Weet ge niet meer, wat brevieren is? Verslijmden u de hersenen? Ik vorder naakt bescheid van u af. Verkeert g’ in malcontentement? Misdreef ik u iet? Voedde ik u deez’ uchtend te vrekkig? Néén. Integendeel. Hebt ge klacht in te brengen over Katrijne? Néén. Katrijne zoude geen vlieg bezeeren. Zijt ge wellicht krank? Néén — vermits krankten aan den appetijt knagen, en ùwe goesting laat niets te wenschen over. Waartoe dan dit getrunt en den schijn op u geladen, onze beklonken vriendschap te verwaarloozen? Ge kìkt niet. Ge stáát maar, één stuk nukkigheid. Warempel schóón van u, mijn Vriend! Vertelt het kruis op uwen rug u niemendal meer? Wierdt g’ uwen Schepper afvallig? Toè, Socrates! Néén? Néén? Ge doet mij warelijk wrevelen. Ge stelt u aan gelijk een nar. De menschen belachen u bijkans. Moet mijn wrevel zóó verwrangen, dat ik u den lieden presenteer: — Hunc deridendum vobis propono!—? In het Vlaamsch vertolkt: — Ziethier, gijlieden, dezen bespottelijken sinjoor!—? Is dit uw begeeren? Ach, gelijk gij hier mal mart, biedt gij der parochie een onstichtelijk schouwspel…

Pastoor Poncke voltooide het betoog niet. En àlles geschiedde als het ware tegelijkertijd: de deur der Ruttaert-huizing, welke openweek, de gedaante van de oudste der gezusters op den drempel, heur zoetige lach, heur vroom veinzende stem, waarvan Pastoor Poncke slechts een paar woorden vernam èn Socrates’ in een breviergang raken, zóó zuiver, dat zijn berijder onwillekeurig het getijdenboek tot dicht onder de oogen hief.

En wel een kwart uur leed Socrates’ plichtsbetrachting en zij ontlokte Pastoor Poncke zijne groote tevreeheid. : — Eindelijk bezont g’u, mijn Vriend. Nochtans hoop ik niet dat alleenlijk Mejoffer Melanie Ruttaert u ertoe aanspoorde… Ha-neen, daar is geen spraak van. Het was een wonderlijk toeval en niemendal anders. De vaak is van u afgegleden en gij weet u frisch lijk nooit tevoor. Een vakerig man is weinig heer over zijne daden; er hangt lijk nevel onder diens schedeldak. Hoe lentelijk brevieren wij, Socrates-vriend! Hoe één zijn gij en ik! Vriendschap is een soortement van twee-éénheid. Zij is gaaf of zij existeert gansch niet. Nimmer kan zij van één kant komen. De bal wil zijn keer, nietwaar? Hoor die wilderiken-van-musschen in dien vaarttronk! Het voorjaar bevangt mij zoodanig, dat ik kwalijk brevier. Alsof door het latijn niet steeds entwat van de lente waait. Hoor dìt, Socrates — gij beseft er immers mede een beetje van —?: Laudáte Dóminum, omnes gentes; laudáte eum, omnes pópuli! Quóniam confirmáta est super nos…1 1 Looft den Heere, alle heidenen, prijst Hem, alle natiën; want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons… Psalm 117.

Ai-mij! Daar staat ge weder star gelijk het wijf van Lot. Het is om horendul te worden. Zijt g’ uitzinnig? Begrijpt ge niet, hoe gij uwe voorvaderen, ten dage van Ons-Heeren leven op aarde, verloochent. Nee, ge begrijpt geen speldekop. Ge zijt mij een raadsel. Dit kan onmogelijk alzoo voortduren. Ik ben nijdig op u, Socrates —, bijt-nijdig, zeg ik u. Welke duivel lispelt u diergelijke tuimen in? Tja, nu kuiert ge weder, doch ik durf in mijn brevier niet te lezen. Ik beticht u ervan, Socrates, mij van God af te trekken! Gij kweekt u, blijkelijk, kettersche denkbeelden en kweekt u daarmee onkruid in de ziel. Goed, ik zal u nog één keer betrouwen, al laat ik den brevier uit achterdocht voor een poozeke in mijnen toogzak glippen. Het is aan ù, aan ù, Socrates, den boek er uit te halen.

Alevel Pastoor Poncke zou dien morgen niet brevieren. Socrates’ bestendig wangedrag stond het hem niet toe. Pastoor Poncke mocht toornen zoo hard en zooveel hij wilde, of fleemen — hij won er niets bij. Toen zij echter verre over de helft van hunne baanronde gekomen waren, beterde Socrates zich eenigermate : — Vermits gij u heem snuift, luiaard!

Vervuld van onlust kwam Pastoor Poncke aan de pastorij, steeg af, stalde Socrates en jonde hem intusschen geen syllabe. In huis zegde hij Katrijne spijtig:

— Een verloren uchtend, Katrijne. De zwaluws hebben mij geen fortuin gebracht. Wat Socrates vandaag in den kop heeft, de Heer-God moge het weten — niet ìk, niet ìk. Socrates had het vroeger ook wel eens — en alsdan teneinde een bete te snoepen langs den wegrand — maar nooit binnen de Damsche stede gelijk nu, en nooit zoo veelvuldig, en zinledig, in den buiten.

Corneel Caboor…, begon Katrijne.

— Wat Corneel Caboor…?, viel Pastoor Poncke kregelig uit, en dan milder, want zijn drift berouwend: — Wat meent ge met den grafmaker, Katrijne-kind?

— Hij zegde ’t mij van Socrates. De ouderdom, zegde hij. Met oude ezels kan men niets aanvangen. Mijn-Heer Pastoor moest hem naar Brugge doen, zegde Corneel. En het ìs zoo, Socrates wòrdt oud, Eerwaarde en dan…

— Dus ook gìj, Katrijne?

Zij zwegen.

Buiten ratelde een wagen.

Het geluid verwijderde zich.

Katrijne!, sprak Pastoor Poncke zonder de maarte aan te zien. — Luister. Spreek mij niet meer van Socrates’ oud-worden en van Brugge. Socrates is mij lief gelijk gìj mij lief zijt. Socrates blìjft op de pastorij. Brugge? Nooit-ende-nimmer. En lang mij nu mijn wijndronk op de boekerij.

Met deze uiting vermeende Pastoor Poncke de affaire betreffende Socrates voorgoed afgehandeld. De wijn evenwel smaakte hem niet en als hij zich later op den dag aan de studie wijdde, wilde zulks evenmin bijster vlotten, vermocht hij het niet, het denken uitsluitend bij de letters te bepalen. Vroeg strekte hij zich te ruste, kon zijne ligging niet vinden, wendde van links naar rechts, lag per slot ruggelings te glaren in de duisternis en dubde willens-nillens op zijne gevaarten met Socrates. Eindelijk indommelend hoorde hij ijl door zijn hoofd den ergerlijken stemklank van Corneel Caboor, wierd wakker en hoorde het alsaan doormalen: — Verkóóp hem, verkóóp hem, Mijn-Heer Pastoor! Pastoor Poncke vocht ertegen, want hij rekende het louter duivelstemptatie. Hij werd daar doodmoe van, sliep, eenige uren naderhand, dof in.

’s Anderendaags opgestaan, achtte hij zich een dwaze zelfkweller, die de dingen al te hakig had opgenomen. Gewis, gister gedroeg Socrates zich ongedurig en dwars. Och, wie uwer zonder zonden is, werpe… Nietwaar?

Na vroegmis en ate, zadelde hij Socrates en reed heen. Reed — tot het den eigenzinnigen Socrates beliefde weêrom Lots vrouw uit te hangen, wat de totale verstramming belangde. En de breviering mislukte van her schromelijk en Pastoor Poncke rocht er ten lest bijkans in vertwijfeling over. Doch hij wist zich een kamper. Verbeten zich beheerschend, hield hij zich aan de in hem opgewelde zinsnede: perpetus vincit, qui utitur clementia.1 1 Wie zachtmoedigheid betracht, overwint immer. Twee weken aaneen beoefende hij gelijk een goed kerstene dulder deze wijsheid praktijkelijk en pantserde zich tegen elk advijs.

Op een nacht, klaar waak liggend, brak zijn manhaftigheid. Hij werd heel treurig vanwege Socrates. Nergens ontwaarde hij uitkomst. : …Socrates, prevelde hij, — ge zijt Socrates niet meer. Ik ben diep bedroefd. Ik bestempel u als een apostaat. Hoe zouden wij nog kunnen accordeeren? De luyden zeggen: — Verkoop hem. De grafmaker zegt het, en Katrijne, en Pruyck, en Jaak en zelfs de Baljuw. Een afgrond gaapt thans tusschen u en mij en mildheid noch gramte bouwen een brug. Wanneer ik de mis celebreer, zijt gij daar plots gelijk een beletsel. In den biechtstoel dwaalt mijn brein ’t ùwaart en de biechteling taalt in de ruimte. Onder het sermoen dient gìj u aan en ik struikel over mijn woorden, en het brevieren is een duivelsrit en gìj vertegenwoordigt den Satan. Door ùw schuld, ùw schuld, voltooi ik steeds gebrekkiger mijne priesterlijke taak. Het kan alzoo niet langer. God wil Zijne volle maat. Al bloedt mijn hart, wij moeten scheiden. Ik ben sterk. Morgen spreek ik u nader.

Pastoor Poncke wentelde zich op de rechterzijde, schikte de dekens hooger en sliep, lijk bevrijd door zijn kloek besluit, na luttel tijds hecht in.

Den volgenden uchtend bevond hij zich, nog voor Katrijne heur polk verlaten had, in den stal en sprak Socrates toe:

— Mijn Vriend, vannacht ben ik tot eene beslissing gekomen. Gij stoort mij in mijne ambtsvervulling en zulks kan God noch ik gedoogen. Gij wáárt en zìjt hard — thans ben ìk het eveneens. Ik tel drie beweeggronden, welke mij ertoe drijven, op heden met u Bruggewaarts te reizen. Ten eerste: uw eigen onverwrikbare God verzakende houding — om van mijn erbarmelijk personagie te zwijgen —. Ten tweede: Vox populi, vox Dei1 1 De stem van het volk is de stem van God.gansch Damme vonnist u met ban. Ten derde — en ik zal de smart terwille van God dapper dragen —: Ons-Heeren kloeke uitspraak: Indien dan uwe rechter ooge u ergert/ trecktse uyt/ ende werptse van u: want het is u nut dat een uwer leden vergae/ ende niet uw geheel lichaem. Ende indien uw rechterhant u ergert/ houwtse af/ ende werptse van u: want het is u nut dat een uwer leden vergae/ ende niet uw geheel lichaem. De hel erachter verduik ik u als te bar klinkend. Nochtans trèk en hòuw ik, en beschrei het, dat zulks geschiên moet. Een ander zal u vervangen en, ik biecht het u zonder omwegen, nimmer zal de band, welke mij bindt aan dien ander, den beproefde, ’laas, thans geretene, ook maar in het minst evenaren. Doch ik word flauwhartig en dit betaamt mij niet. Bereid u voor op over eene stonde. God wil het, Vriend —, God wil het!

Pastoor Poncke draaide zich om en ging. Binnenshuis lichtte hij Katrijne in omtrent zijne plannen: — Katrijne, het stuit mij tegen het gemoed naar Brugge te gaan met zulk een zwart wit. Ik kan mij echter geen twee Socratessen veroorloven. Wat te wijken heeft, wijke. Pruyck luidt. Snij mij een boterhammeke voor onderweg, terwijl gij toch snijdt. Beleg het met een schelleken kaas. Maak nadien Socrates gereed. Dat is al. Danke.

Pastoor Poncke begaf zich ter Onze-Lieve-Vrouwe en misseerde zonderling secuur, welhaast kantig, gelijk beginnelingen hun mis verrichten onder het oog van een vlijm keurend clergie-overste. Hij kwam thuis en at al even kantig.

Hij rees, zegde Katrijne „goêndag” en liep met wijde schreden naar Socrates. Zwijgend leidde hij Socrates buiten de moeshofpoort, zwijgend zette hij den voet op den meteoriet, zwijgend kwam hij in het zadel en zwijgend vertrok hij. Vier werven halteerde Socrates alvorens zij de groote baan naar Brugge bereikten. Pastoor Poncke loste geen woord, liet Socrates betijen, bepeinzend, hoe diens gestok nu pas werkelijk zin behelsde. Zéér recht-op was hij gezeten en staarde over de baan vóór hem. De morgen blauwde. Tierend vlaagde zot een troep grauwaards laag over den weg. Het ontging Pastoor Poncke’s aandacht. Allengs pijnde hem zijn stakig zitten en hij versoepelde zijne houding ietwat.

Socrates-Vriend, zuchtte hij, — Socrates-Vriend

En een pooze naderhand:

— Het is de zwaarste gang van mijn leven…

De Halle van Brugge, in de verte, groeide.

— Mijn Vriend, ginder wacht ons de verafscheiding. Het is wreed, heel wreed. Ik ben vol weemoed. Mocht het wezen, dat ik ginds niet iemand vind, die mij eenigermate past — ik zou uwen remplacant nooit Socrates benamen, geloof mij, mijn Vriend! — alsdan benut ik niet de diligence van Brugge op Damme, doch voeteer het pad weêrom van ends-on-tends, spijts de martelie aan mijne teenen — uit rouw en, laat ik zeggen, uit boete, Socrates-vriend. Dit is mijne solemnele belofte en tevens eene degelijke vereffening. Geenerlei verwijt kan mij dan treffen, dunkt het mij.

Pastoor Poncke verstomde, tuurde met meer belangstelling naar het landschap weerszijds.

Twee en een halve stonde waren vergleden aleer zij de stad genaakten. Een eindweegs voor het eerste huis op stedegrond, leunde ruggelings aan een boom, een man, kennelijk van de orde der bedelaars, die zijn rijkdom aan munt becijferde, terwijl hij de geldstukken één na één in zijn voddigen vilthoed deed neertinkelen. :… Gèld, àlles ter wereld, ’laas, gaat om het geld!, dacht Pastoor Poncke, den man bemerkend. Na efkes het hoofd gelicht te hebben, klauwde de bedelaar jachtig in den hoedbol en deed de munt met rapte in de zak van zijn jas verzwinden en frutselde kwansuis wat aan de voering. :…Hij gaat mij vràgen, giste Pastoor Poncke, — hetgeen hij evenwel gerust verzuimen kan, daar mijn beurs op de pastorij verblijft —, anderszins schonk ik hem gaarne een solleke

Socrates stapte voort, stond op een paar passen afstands van den bedelaar voor de zooveelste maal stil. …Héé, waarom juist nù?, meende Pastoor Poncke. — Gij weet immers, Socrates, dat ik geen duit bij me draag?

Over den bedelaar scheen al het leed der wereld neergezegen. Zijn fletse oogen blikten Pastoor Poncke verslagen aan en de hand met den hoed, welke hij uit-stak, beefde. En zijne stèm beefde als hij zegde:

— Ach, Eerwaarde, de menschen zijn heden ten dage van ijzer. Ach, zie mij, ik…

— Zijt ge krank, Vriend?

— Mij-zelve tel ik niet, neen. Maar mijn wijf met zes bloeden van kìnderen… Om-de-liefde-Gods, Eerwaarde…!

Ze zijn dood, uw wijf en zes kinderen?, vraagde Pastoor Poncke meewarig.

— Dàt niet, Eerwaarde, bibberde de bedelaar. — Maar, om-de-liefde-Gods… Wat is u een schamel stuiverke? Gij-liê papen zijt de staf en de steun voor ellendigaards gelijk ik en mijn arm wijf en arme kinderen… Om-de-lie…

— Hm, zegde Pastoor Poncke. — Luister eens, mijn vriend. ’Laas, kan ik u niets geven. Ik acht mij niet veel geringer arm dan u. Maar kop òp, mijn vriend. Anderen zijn er kwalijker aan toe. Gij bevestigt mij, dat noch uw wijf noch uwe kinderen omgekomen zijn. Zie, bijaldien, zijt gij reeds een beetje minder rampzalig dan gij u belooft. Gestel eens, dat uw wijf en gij twaalf kinderen hadden en alle twaalf lagen zij in het uiterste en uw huisvrouw erbij — hoe aanmerkelijker ongelukkig zoudt gij u weten! En gestel, dat buitendien al uwe verwanten in het tuchthuis zuchtten. En gestel, dat daarbij uw heem afbrandde tot den bodem. En gestel: uwe moeder bekwam van verschot een geraaktheid en uw reeds lamme vader wierd ontwricht in het brein. En gestel: baanschuivers schudden u uit tot op het bloot vel, zoodat ge naakt waart lijk een bastlooze boom. En gestel — men kan het stuk uitspinnen, vriend, tot in het oneindige! Waarmede ik zuiverlijk betogen wil, hoe slechts hij, die doorleed wat op aarde kan doorleden worden, wàrelijk van zichzelve verklaren kan, een lijder te zijn. Natuurlijk mag er ook dan nog geen Pastoor opdagen met een vetten buidel, want een lijder lijdt nu eenmaal en doet niemendal anders dan lijden. Waarna ik veronderstel, mijn vriend, dat mijne wijsheid diep in u is nedergedaald. Lijd, mijn vriend, tot de aller-allerleste grens. Dan moogt ge bijstand verwachten. Totdusverre kunt ge u dus bijster behaaglijk in uwe palmen wrijven. (intusschen was Socrates in beweging gekomen) Goedenmorgen, mijn vriend. Gode bevolen!

Pastoor Poncke zag niet meer om. De ontmoeting had hem verfrischt. Het doel der reis verwaasde…

— Dat was goed van u, Socrates-vriend, prees hij, — goed van u, tijdig den tocht voor te zetten. Mundus vult decipi1 1 De wereld wil bedrogen zijn. — echter niet wij! Wij hebben elkander altijd doorpeild en… ’Laas, Socrates —, ’laas… Dubben wij er niet op. Het is falikant een afscheid in tranen te doen baden, ofschoon… Tra-la-la-la-la!… Daar tiegen wij de vorstelijke stede van Brugge binnen. Brugge is schoon, Socrates; meerdere werven bewonderdet gij haar schoonheid. Eene vorstinne onder de steden van Euroop, mijn Vriend! Het is buitengemeen genot te dooleeren langs hare grachten. Zij is de volstrekte, De Vénus, met permissie van Ons-Heer gezegd. Al te rap rolt van de trap. Ons oogmerk heeft geen haast. Kiezen wij daarom een omweg, mijn Vriend. Zie de huizingen couleurig weerspiegeld in het grachtwater, de muren aangevreten door water en wind — een wak wonen, mijns erachtens, maar niettemin excellent, daar eeuwen ademen uit elke voege. Tja, waarom zoudt ge niet stille staan, hier ter stee. Zwanen roeien door het stille water, dat, spijtig genoeg, ietwat onaangenaam riekt. Niets op aarde echter boogt op vlekkeloosheid — ìk niet, gìj niet… Gìj niet, Socrates. Ach… Dus ge wilt weder voorwaarts. Mij wèl. Het keien brugske òver. Zoo. Het keien brugske àf. Zoo. Het verluidt, dat deze brugskens van romeinschen bouw zijn… Ik stuur u dit steegske in, wanneer zulks u lust. Men bekijft elkaar ginder, hoort ge? Een onvreedzame doening, Vriend Socrates!

Socrates liep het steegske door, hetwelk was van een dusdanige smalte, dat, wanneer men beide armen wijd-uit spreidde, de vingertoppen de tegenover elkander staande, scheef verzakte huizingen taakten. En Pastoor Poncke had inderdaad juist gehoord als hij sprak ven een gekijf. Halverwege het steegske namentlijk hingen twee oude slonzige wijven over hun halfdeur en spuwden heuren gal op malkander uit en gebaarden met vuisten en nagels…

— Ik bidde u, passeer zonder mankeeren, Socrates-vriend, heur twist geldt niet òns. Wij spanceeren hier uit oorzaak van schoonheid en niet van ou-wijvekes-gesnetter. Houden wij ons bedaard doof en blind.

Doch evanals Socrates verstijfde in de nabijheid van den bedelaar, verstijfde hij op vier voeten van de onvredige vrouwmenschen vandaan, die geen seconde heure dadigheid onderbraken, blijkelijk onkundig van Pastoor Poncke’s verschijnen. Zij beschikten, constateerde Pastoor Poncke met duim en wijsvinger plukkend aan zijnen neustop, over vijf groenige snijtanden met heur gebeiden, waarvan de eene, de tanigste de meest verrimpelde, er twee, zeer lange, onderste bezat en de andere — zij kwijlde bestendig — ééne als benedenste en een spits koppel daar pal boven.

— Gij ziet niet voor niemendal Treeze Luiskop genaamd!, ratelde het. — Uwe beestekes joepen van uw jak op mijne schoêren! ’t Ligt aan ùwen kant en gìj moet het ruimen!

— En gìj niet voor niemendal Lamme Leene. Ge zijt nog te loom om uw bakhuis te kuischen. Men kan gras zaaien in het zwart van uw naden. Maar gij zult zien, dat het wegkomt of ik krab u de leste zes haren van uwen kop!

— De duivel aan uw uitgedroogde nek, kwijltronie. Haal uwen bessem! — … om ù er de ribben mee in te rammelen.

— Wáág het eens!

Verschooning, sprak Pastoor Poncke luidelijk.

De wijven zagen en verstomden. Treeze streek het kwijl van heur kin met den rug van haar hand.

Pastoor Poncke monkelde herderlijk.

Verschooning, hervatte hij. — Het komt mij voor, dat gij in òn-min verkeert. Indien ik vragen mag: waar schuilt de bron uwer veete?

— Dàt daar, wees de oudste naar het steegmidden. — ’t Ligt op Treeze heure zijde, zìj moet het wegvagen.

— Gij liegt waar ge staat!, kraste deze. — Ik heb mijn oogen. ’t Is ’t ùwe.

— Het ùwe. Meet het na.

— Meet zèlve, ik ben uw maarte niet.

Pastoor Poncke hief een arm.

De hageling stopte.

— Heb ik het niet scheef, ving Pastoor Poncke zijne bemiddeling aan, — dan strijdt gij vanwege het ontsierend hoopke vuilnis, daar. Nietwaar? Ja. En geen van u beiden vlijde het er neder. Nochtans rekent gij het een doorn in uw oog, maar noch gìj en noch gìj ervaart genoegzaam den drang het te verwijderen vermits gij beweert, dat het zich op ùw steeghelft bevindt en gìj het andersomme het geval acht. En daarover bedreigt ge elkaar en braakt venijnen, hetwelk voorzeker geen kerstene zede is. Tja, wat nu? Héé, ik zal het u uiteendoen. Is de steeg ùw persoonlijk eigendoom? Neen? Gij ontkènt dit dus. Is de steeg dan mogelijk ùw persoonlijk eigendom? Neen? Ook dìt ontkent gij dus. Van wie dan? Van de stad? Ja, ik dacht het mij reeds. Welaan, bijaldien is het nòch aan ù en nòch aan ù het hoopken te doen verdwijnen, maar een zaak voor den Baljuw. Danke. Alléé, Socrates! Socrates gehoorzaamde, dribbelde een deur verder, stònd.

— Alléé, Socrates! Vriend, gij grieft mij zonder ophouden… een afgrond, zeg ik, een àfgrond… (Pastoor Poncke keerde zich om naar de verstomde wijven:) — Voor den Baljuw, zeg ik —, voor den Baljuw… Het is toch simpel. Hò! Gij trekt van her op een ongelegen moment aan het loopen, Vriend. Ik berust… Ach, hoe kunt ge zoo jachtig zijn thans…

Zij verlieten de steeg, volgden wederom een gracht, dweerschten een klein rond plein met een steenen pomp, kwamen bij den hoek van een straat, alwaar menschen dicht bijeentroppelden en op entwat neerkeken.

— Er is daar iets gaande, Socrates. Dat is nu de stad. Warempel, gij maakt alweer een monument van u en mij — eene vereeuwiging op aarde, welke men roemruchte helden pas bij den dood op te richten pleegt. En zijn wìj helden? Ik vrees ervoor, Vriend. Uw vereeuwigingen zijn mij volstrekt onaangenaam, want des Satans. Wat daar gáánde mag wezen? Zij zoeken entwat, bevroed ik. Allicht iets verloren… Maar alsdan… hola, zíet gij het niet, mijn Vriend? Ziet gij dat mùntstuk niet, schuin zijlings van u, te linker… mijn blik taakte het per toeval… Ik verlaat u zonder dralen.

En Pastoor Poncke stond reeds op de aarde, bukte en greep de zilvermunt, die daarseffens in zijn oog flonkerde.

— Een baarlijke florijn, Socrates! Men moet een dommaard zijn, zulk een stuk te laten vallen en terug te willen vinden op een falikant andere stee. Kom, wij zijn rechtschapen vinders.

Socrates bij den teugel leidend begaf Pastoor Poncke zich naar de t’hoope staande halzenrekkende Bruggelingen.

— Héé, sprak hij, — zoek niet verder, het is gevonden door mij. Triomfantelijk stak hij den florijn in de lucht.

Men besteedde hem geenerlei aandacht.

— Héé, zoek niet, hìer-zie!, herhaalde Pastoor Poncke.

Een oude vent wendde zich tot hem, zegde haastig:

— Het mes. Zie. Sarel heeft het.

— Mès? Het belangt immers de munt!

De oude vent scheen hem niet te verstaan, rok den hals over den schouder van wie, vòòr hem, het gelijkelijke deed… Héé, dacht Pastoor Poncke, — het is niet vanwege den florijn. En hij liet het zilverstuk in zijn soutanezak slippen.

— Mès?, richtte hij zich tot den ouden vent. — Wat ìs er met een mes, vriend?

Hij bekwam geen antwoord. Doch een ander, eveneens een peeke, kwebbelde gedienstig uitleg:

— Wreed van de wereld, Mijn-Heer Pastoor, kom hier en ge schouwt het mes. Sarel raapte het op. ’t Stamt van dien leidekker, zegt Sarel.

— Leidekker?

— Ha, ge weet van niemendal. Voor een halve stonde stuikte er een leidekker van dat dak op de kasseien, dood, met gekraakten wervel. Ze hebben hem op een berrie weggevoerd naar ’t patersconvent in de Kruisslop. Och-arme, hij laat wijf en twee schapen zonder uitzicht op de wereld. Stijf wreed, Mijn-Heer Pastoor. Kom dichter bij mijnen kop. Nu kunt ge ’t treffelijk waarnemen.

— Inderdaad, beaamde Pastoor Poncke — een vlijme puntige knijf.

— Ja ’t, pront, zegde het peeke. — Ge rijdt gij op ’nen ezel, Mijn-Heer Pastoor?

Gelijk Onze Lieve Heer, knikte Pastoor Poncke en op mijmerenden toon vervolgde hij: — Héé, ik mag er niet op peinzen

— Wat vermeent Mijn-Heer Pastoor?

— Op dat mes, huiverde Pastoor Poncke, — De man had erin kunnen vallen… een geluk, dat hij eraan ontsnapte…

— Zeg zulks wèl, beaamde het ventje.

— Tja. Eh, mijn vriend, zijt ge sterk in de handen?

— Redelijk, nogal redelijk mag ik zeggen, Mijn-Heer Pastoor. In mijn jonkheid…

— Help mij, bid ik u, efkes op Socrates, alzoo heet mijn ezel. Ik moet voort.

Met stut van het peeke rocht Pastoor Poncke veilig in het zadel. — Danke, mijn vriend. De Heer-God krone u met honderd jaren — en, héé, met een blanken florijn, welken hij u bereids op voorhand jont.

En Pastoor Poncke plantte het peeke het gevonden muntstuk in den palm, en Socrates tord verder.

Na de straat een endeke te hebben door gereden, mende Pastoor Poncke Socrates een zijstraatje in, uit oorzaak van den geestelijken straatnaam: Jerusalemgang.

— Mediteer op Ons-Heeren incomste binnen de heilige stede, Socrates-vriend — de straten zijn er, naar ik las, niet minder smal en eender vol kronkels, alzoo vervaardigd teneinde de oostersche zon te weren — de koelte stort er u aangenaam over het hoofd… Héé!!

Pastoor Poncke verschoot scherp en Socrates bleef staan van den weêromstuit. Onverhoeds brak de Jerusalemgang af en voor hun oogen krioelde en tumulteerde het wit van de reis van Damme naar Brugge: de paardenmarkt.

— Heere! De Vinger Gods, Socrates! Beticht niet mìj u te hebben verschalkt, ik wist niet, dat het gangske ter markt leidde, ter stee alwaar uw vonnis voltrokken wordt. Ik ben diep treurig. God-zelve echter bestierde uwe hoeven. God ontkomt geen schepsel. ’Laas, mijn Vriend —, ’laas… De ure van het eeuwig vaarwel luidt. Hoe kortstondig blijken onze vele jaren van tegaar-zijn. Hier verlaat ik uw lichaam.

Pastoor Poncke steeg af.

— Kom. Toonen wij ons monter spijts alle bitternis.

Hij nam Socrates bij den teugel en ging het marktgewoel tegemoet. Boeren brulden. Paarden hinnikten hoog van onrust.

— Wijs van u, Socrates-vriend, dat gij uwe stem niet met deze dier rossen paart. Gij waart immer beschaafd en wij — alvorens g’ on-wijs wierd. (Pastoor Poncke’s stem verstrengde) On-wijs, herhaal ik. Met dwazen heb ik niets van doen. De dwaas sticht dis-orde en uit dis-orde spruit ramp voort. Gij hindert mij. Ik ruk u uit.

Pastoor Poncke drong met Socrates door het gewoel. Schier niemand lette uitzonderlijk op hem. Hij wilde een boer aanspreken, doch de man hief juist den mispelaar als antwoord op een roep naar hem en repte zich tot den roeper. Weer een andere boer handelde vrijwel op gelijke wijze. Pastoor Poncke ging zich hulpeloos bevinden en sprak tot Socrates:

— Hoe nu? Ik krijg op geen ziel vat. Weet gìj, hoe men het aanleggen moet, u te verkoopen? Ik zou toch bevroeden: een priester ziet men niet alle dagen op zulk een markt. Of geldt het uwe waardeloosheid? Eenige waardij zal men u toch toekennen, mijns erachtens. Ei, vriend, zeg mij… Alweder ernevens. Het is hier een woestijn. Uw klank vliegt verloren. En — ei, ik spied al eens onder de hand uit naar een vervanger, maar ik schouw wijd en zijd niemendal als paarden, ruinen, hengsten, merries. Waaruit volgt, dat ik Dammewaarts zal dienen te wàndelen, hetgeen mij, oprecht gesproken, luttel lokt. Socrates… Héé, gij… De boeren van het Brugsche zijn onhoffelijke gasten, wat gìj, Socrates! Ha-maar, ge bezit nochtans opmerkelijke goede hoedanigheden. Ik kan duiden op het verleên, hoe gij uwe devooren stipt betrachtet… Ho, vriend!, gelukte het Pastoor Poncke een steltbeenigen slungel van een kerel aan te klampen. — Kunt g’ uw hoofd niet ontblooten, ik ben Pastoor Poncke!

De slungel — zijn tronie had overeenkomst met een rattensnuit — frutselde vluchtig aan zijn hoedboord.

Schóón, knikte de paap van Damme. — Eh… (hij pierde den man vorschend in de pupillen), zoekt gij altemets een ezel? ’t Is te zeggen: om te kóópen?

— Neen-ik.

— Spijtig. Heel spijtig. Ge hadt u dezen kunnen aanschaffen, mijn Sòcrates. Tja, daar sta ik weêr.

Er sprong leven in den vent en entwat van gloed in diens oogen:

— Ge wilt uwen ezel van de hand doen?

— Ik wil zulks, beaamde Pastoor Poncke. — Ik wil zulks, tot mijn leedwezen. Maar niemand hoort naar mij. Hoe eigenlijk verkoopt men zijn Socrates, weet gij het wellicht?

— Zekerlijk, uitte de vent rap. — Laat het maar aan mij over, Eerwaarde. Efkes keuren.

Meteen draaide hij rond Socrates, stompte hier, tastte daar, bezichtigde op een stap afstands, onderzocht Socrates’ gebit.

— Hij is niet van de prilste, Eerwaarde…

— Neen, zegde Pastoor Poncke.

— Hij is op jaren.

— Ja, zegde Pastoor Poncke en hij voelde zich vermoeid.

— Hoeveel verlangt gij ervoor?

— Twintig Hollandsche daalders, zegde Pastoor Poncke mat.

— Teveel, achtte de man.

— De prijs is door Jaak de groenselier geschat. Geen solleke minder, zegde Jaak. Wij, priesters, zijn ook eenigermate kooplieden vriend. Niet voor niemendal wikken wij het geweten onzer parochianen.

— Dat zeg ik niet!, beweerde de vent rap. Twintig…

— Zonder zadel en zonder verder tuig, wierp Pastoor Poncke ertusschen. — Ik ben zinnens een anderen ezel te koopen. Ge wilt toch niet dat ik met mijne kwelduivelkens de mijlen heemwaarts voetelings meet?

— Zònder zadel, herzegde de vent, — en misschien maak ik nog een halven daalder meer.

— Die halve daalder is voor u.

— Accoord, sprak de man en greep naar den toom.

— Neen, patiëntie, zegde Pastoor Poncke. — Men verafscheidt zich van een levensgezel niet zonder een woord uit de diepte der ziel. Héé, Socrates-vriend, ge hebt nog niet gegeten. Ge krijgt mìjn rantsoen. Ik zoude geen brokske kunnen doorzwelgen. (Pastoor Poncke diepte een pakske boterhammen uit zijnen toog, maakt het open en bood Socrates uit de hand een der stuiten, door Katrijne met schellekes kaas belegd). Socrates, voormaals mijn kloekste kameraad, dit is de leste daad welke ik jegens u vervul. Ge lijdt blijkelijk honger. Ja, ge zijt steeds een lekkerbek geweest, een Lucullusgelijk ik. Hier, de twééde. Laat z’u eveneens smaken. Het is eenigszins uw galgemaal. Socrates, Socrates, waartoe sloot g’ uw hart voor mij en Ons-Heer? Hier, de derde. Jaren van genegenheid jegens elkander hadden zich nog kunnen aaneenschalmen. Ik beklaag ù en beklaag mìj. Neen, het papier is ijdel, mijn Vriend, zie, het fladdert te gronde en ik klop de kruimels van mijne handen. Thans is het ellendig moment aangebroken. Ach, Socrates! Duizend dingen zoude ik willen zeggen en ik weet er geen één. Vaarwel, mijn Vriend! Cura ut valeat.1 1 Zorg, dat het u goed gaat.

Pastoor Poncke wendde zich ruklings om vanwege de bewogenheid en verwijderde zich. Er was een vreemd ruischen in zijn hoofd en in zijn borst woog een zwaarte. Alsaan stiet hij in het gekriel tegen dezen en genen boer. Hij merkte het niet. Noch vernam hij het rond-omme lawijt. Allengs vermeesterde hij zich. Zijn mond vormde zich tot een verbeten streep. Een dienaar van Ons-Heer wankelt niet. Hij dient en houwt af wat nood doet. Socrates was voorbij. Vivat Leve. Socrates!, vermeende hij vermetel en schouwde uit naar den remplacant.

Hij sprak een ouden boer aan:

— Mijn vriend, waar staan hier de ezels te koop?

De boer lichtte hem in. Mijn-Heer Pastoor zou de ezels niet in veelvuldigheid ontwaren ter markt. Maar wanneer hij deze root paarden tenden liep, zou hij een boerke vinden met ’nen ezel.

Pastoor Poncke bedankte met een benedictie, drumde boud door een troppeling luidruchtige kooplieden, bereikte de aangeduide plaats en sloeg met het boerke aan het onderhandelen.

— Mijn vriend, die hier stelt ge te koop, nietwaar? Eens grondig bekijken. Hm, lager dan Socrates, hetgeen zijne voordeelen heeft. Hm, kruisloos. Een ongunstig omen, alhoewel… Leeftijd?, vraagde hij het boerke.

— Twaalf, zonder liegen, Mijn-Heer Pastoor. — Natuurlijk zonder liegen. Een man Gods beliegt men niet. Twaalf. Hm. Ik ben een kenner, weet ge! Twaalf. Zal mij rijkelijk overleven… Hoe heet hij?

— Pier, zegt mijn wijf.

— Gìj zegt het niet?

— Ja. Mijn wijf zegt het.

— Ik weet er alles van, mijn vriend. Ik versta u ten volle. Ik heb mijn Katrijne. Pìer. In recht roomsch. Petrus. Eenerzijds de rots. Socrates liet geen ruimte voor uitgletsen… wìjsheid, zònder meer… nochtans, het is niet al goud wat blinkt… Help mij op deze petra,1 1 petra: rots. vriend. Geen katten in zakken. Ik ben gezeten. Danke. Hm. Niet onbehaaglijk. Minder breed dan de voorganger. Mijn brevier. Ei, ik liet het op de pastorij. Spijtig, want een keuring verrichtte men tot in het subtijle. Ik geloof echter… Mijn vriend, het rechteroor hangt slutser dan het linker. Hóórt hij uitmuntend? Ja? Dan is zulks geen bezwaarnis. Help mij eraf. Danke. Ik ben, denkelijk, tevreden. Ei, ik vergeet nog iet. Lóópt hij bekwamelijk?

— Lóópen, Mijn-Heer Pastoor? Dràven bedoelt gij. Hij draaft in één asem van Brugge naar Sluys!

— Héé, dat is spijtig, verklaarde Pastoor Poncke ontgoocheld. — Wat moet ik in Sluys doen! Neen, alsdan kan ik hem niet gebruiken. Vale1 1 Blijf gezond; vaarwel..

En Pastoor Poncke liet den ezel staan waar hij stond en beende heen, op speur naar een gerieflijker beest. Ezels bleken evenwel uiterst karig aanwezig, wellicht, die eene uitgeweerd, in het geheel niet. Hij stelde overal vragen en ontving telkens een vruchteloos antwoord. Hij dubde erop, voor heden van een nieuwkoop af te zien, hield zich reeds bezig met het probleem: per diligence of voetelings huiswaarts te keeren, als hij, pal vóór zich, een soutane zwarten zag. Héé, voorzeker een priester, evenals hij uitschouwend naar een brevier-ezel.

— Goêndag, ambtgenoot!, sprak hij den geestelijke galmend in den rug.

De aangesprokene wendde zich om. Hij bezat een kwabbig aangezicht en donkeren, stékende oogen. Hij monsterde Pastoor Poncke van top tot teen en bescheidde nadien met barsche minachting:

— Kènt ge mij, dat ge mij groet? Ik ben mij niet bewust u ooit ontmoet te hebben. — Héé!, stootte Pastoor Poncke pront weêrom. — Neen, ik zag u nooit tevoor, doch uwen tik en toog schouwend, heb ik u voor mij-zelf gehouden en gegroet. ’Laas, vergiste ik mij!

De geestelijke wees met den wijsvinger op zijn voorhoofd, draaide Pastoor Poncke van her den vetten rug toe en vervolgde zijn pad. …Alzoo zijn nu de stedelingen, concludeerde Pastoor Poncke, — ze mogen borger of priester zijn. Hij heeft mij herkend voor een buitenpastoorke en zijne stedelijke fierheid verbiedt hem zich met mij te moeien. De liefde Christi dunkt mij hem verre te wezen. Geen wonder, dat Ons-Heer die van te lande het meest bemint, gelijk Sint Franciscus ergens verklaart. Och, ik wilde, dat Brugge achter mij lag… Heer-God, bestel mij, uwen nederigen knecht, een Socrates —, ontferm U mijner, alstubelieft!

Amper had hij de smeeking beëindigd of hij vernam, boven het marktgedruisch uit, een schreeuwende stem:

— Wie heeft er goesting in dezen ezel? Hij mèlde zich voor het te laat is, ik had hem al honderd keeren kwijt kunnen zijn! Ah, welk een machtig beest! Sterk lijk een hengst! Willig lijk een lam! Gezond lijk een snoek! En tegen geringen prijs! Liefhebbers, hìer moet ge zijn —, boeren, mulders, haast u! Welk een machtig beest! Welk een machtig beest!!

Pastoor Poncke dwong druistig een paar boeren opzij. De Heer-God verhoorde zijne smeeking zóó onmiddellijk als ware hij, Benedict Poncke, Hem uitzonderlijk welgevallig. Welk een fraai dier zou het door den Heer-God aangeprezene zijn! Socrates, Socrates, hoe zult gìj erbij in het Niet belanden — al zal de heugenis aan u innig voortleven. Zwijgt de roeper nu ineenen! Goddank, ik hoor hem nog. Maar het klinkt wijder weg. Een Teeken Gods herhaalt zich nimmer. Nochtans trekt het gelijk zeilsteen. De roeper roept nog…

Gesmoorder klonk het roepen thans.

Gejaagd spoedde Pastoor Poncke zich voort, mompelde duizend „Verschooningen” vanwege zijn ruig baanbreken en zijn blik zocht rusteloos.

En daar klonk het geroep, hetwelk hij „een psalmodieeren” roemde, wederom nabijer en heller op. Pastoor Poncke’s puntige ellebogen porden in ribben en lenden en er wierd gevloekt. Het raakte hem niet. Een groot geluk golfde hem door de ziel. En dan stond hij eensklaps voor den roeper en den ezel van dien roep, stond zoo star gelijk Socrates te staan placht… vóór Sòcrates!

— Héé!, slaakte hij een zweem onthutst.

En toen trok over zijn gelaat een lange monkeling en het geluk golfde grooter en onstuimiger door hem heen.

De roeper riep hartstochtelijk door, zong Socrates’ lof in alle toonaarden, zag Pastoor Poncke, klapte den muil toe, wilde alsdan uitleg bieden omtrent het feit, dat Socrates nog niet verkocht was…

Doch Pastoor Poncke liet hem er geen tijd toe, vatte Socrates bij den teugel:

— Héé, de verkooping wordt geschorst, mijn vriend. Het zoude waarlijk een schande zijn, van een Socrates met zulke puike kwaliteiten afstand te doen. God zegene u. Danke. Kom, Socrates-vriend!

En Pastoor Poncke voerde Socrates uit het gedrang en besteeg hem kort naderhand vanop een hoogen stoepsteen. En sukkelde Brugge uit en bevond zich op de baan Dammewaarts. Hij had de gewaarwording van iemand, wiens vlucht uit het gevang rijkelijk slaagde. De monkeling week niet van zijn gezicht.

Socrates-vriend, wat God vereenigd heeft zal de kleine mensch niet scheiden. Ons-Heer heeft u mij slechts dierbaarder willen maken. Vergeef mij mijne menschelijke zwakheid, bidde ik u, mijn Vriend! Nu kan alleen ùw of mìjn dood ons scheiden. Vereeuwig ons zooveel het u lust, Socrates, wij hebben den tijd. En wij zullen altoos den tijd hebben, alhoewel wij gezamen in het toekomende minder dikwijls zullen brevieren. Gìj bekomt alzoo het uwe en de Heer-God het Zìjne. Hoe ik dan brevieren zal? Op mijne eigen onderleden, Socrates! En uwe duivelkens?, vraagt ge. Denk aan de heilige martelaren, mijn Vriend: Sint Jacob, wien men de handen en de voeten afhakte met een aks; Sint Petrus, die met het hoofd naar de aarde gekruisigd wierd; Sint Stefaan, den gesteenigde; Sint Sebastiaan, wiens lijf men teisterde met pijlen; Sint Cyriacus, den met heet pek overgotene; Sint Laurentius, den geroosterde… Wat beduiden mijne duivelkens daarbij vergeleken? Een kinderachtige speldeprik, Socrates-vriend! Buitendien is het niet strikt noodwendig, dat ik onze ronde voortaan ganschelijk voeteer. Lange wandelingen zijn geen wet, nietwaar? Wanneer men maar brevìert, zeg ik u — en zulks kan op alderlei manieren geschieden. En gìj zult goê-lever worden. Ach, Socrates, het was niet bijster schoon van mij, met u naar Brugge te tijgen. Ik handelde al te overijld jegens u — en zag hierdoor uwen leeftijd over het hoofd. Vergiffenis, mijn Vriend, van her: vergìffenis!

Tegen den nanoen, en na ontallige grif gedulde „vereeuwigingen”, arriveerde Pastoor Poncke ter pastorij, stalde Socrates onder menige liefkoozing en stapte binnenshuis, alwaar hij Katrijne, de gangkareelen dweilend, aantrof:

— Ik ben weder hier, kondigde hij geneuchtelijk. — ik heb Socrates reeds pront in den stal verzorgd, gij kunt dus kalm aan uwen arbeid blijven.

Katrijne richtte heur overeind met de dweil in beide handen:

Sócrates?

Sócrates!, knikte Pastoor Poncke. — Wie anders dan Socrates? Ge peinst toch niet, dat ik Judas ben, Katrijne-dochter…?

KATRIJNE

De reis naar Brugge had in Pastoor Poncke’s dagelijksche doening een aanmerkelijke kentering teweeggebracht. De breviering, voetelings thans, beperkte zich tot een endeke buiten Damme. En zulks veroorzaakte hem al martelisatiën zat, vermeende hij, om in het Hiernamaals door Ons-Heer van het Vagevier te worden vrijgepleit. Bijwijlen deed hij zich door den ongezadelden Socrates vergezellen en Socrates drevelde nevens hem gelijk een getrouwe hond en had geen neiging tot „vereeuwigingen”. Diergelijke „vereeuwigingen” rekende Pastoor Poncke, bondig, tot de kwalen des ouderdoms te behooren — en grijslingen noopt men niet tot arbeid — bijaldien had Corneel Caboor het bij het rechte. En wanneer de likdorens Pastoor Poncke eens heel verwoed plaagden, verzuchtte hij grif:

— We worden oud, we worden beiden oud, Socrates-vriend!

Het gebeurde wel, dat, als Pastoor Poncke binnen Damme weerkeerde van de breviering, hij het aangezicht pijnlijk vertrok en de voeten vreemdig hoog van de bolle kasseiden oplichtte. Alsdan kwamen zijn parochianen compassieus met raad en remedie. Doch hiervan wilde hij niemendal hooren en zelfs kon hij bijkans uitvaren:

— Vriend, gij zijt met de priesterlijke ziel kwalijk op de hoogte. Moet ìk u niet een exempel zijn van kruisdraging? Zwijg mij over de weldaad van netellapkes, vlaspluis en afschilferingen. Ik heb hun veege gunsten niet van noode. Geestelijk Archimedes nagezegd: Noli turbare circulum meum.1 1 Wil niet mijn kring verstoren.

En den Baljuw beleerde hij:

— Mijn Vriend, ge moogt on-godist zijn — ik verklaar u, dat de Heer-God mij eene teistering zond, welke ik voorzeker verdiend heb. Nimmer was ik een heilige. Ik bezit er de talenten niet voor. En ik geloof, dat ik mij aan menige ketterije bezondigde en allicht nog bezondigen zal. Zulks lokt straffe uit. Vandaar mijne kwelduivelkens, die mij, uiteindelijk, ten goede zullen komen. Gij meet tè veelvuldig met aardsche maten — ìk blik door de materie heen en ontwaar een schemer van de Goddelijke Drie-Eenheid. Tja, mijn Vriend, aldus is het gesteld en niet anders.

Het was midzomer geworden.

Het koren stond oogstbaar.

Pastoor Poncke roemde zich een „minnaar” van rijpe koornstukken. Een ruischend graanveld gold hem het schoonste ter wereld. Hij kon zich, zegde hij menigwerf, den hemel niet verbeelden zonder koorns en mocht het zijn, dat er aldaar geen spoor van te bekennen viel, ahwel, alsdan mocht Ons-Heer hem gerust ievers elders zenden, alwaar men ze beluisteren kon.

Ook nù beluisterde hij innig het zingen der rijpe vrucht. Hij was, even noordwaarts buiten Damme, laag aan een dijkglooiïng neergezeten en staarde wazig voor zich uit. Het brevier lag toegeslagen in zijnen toogschoot. Socrates drentelde terzij van hem, speurend naar kervel, op welke plant hij verzot was. Voorheen sloeg Pastoor Poncke de koorns steeds gade vanop Socrates. Thans was het zich verlustigen erin een tegelijkertijd gedwongen laveien uit oorzaak der teenen. Maar hij voèlde de kwelduivelkens niet meer, noch dacht hij aan Socrates, verzonken als hij was in den aanblik van het gleisterend veld. Het suiselen en gleisteren der aren veroverde hem allengs gansch. En toen een pimpampoentje zich neerzette op zijn toogmouw, hield het koren hem evenzeer gevangen als voordien, als vestigden zijne oogen zich op het bloedrood, zwart bestippeld schildje. Het liep door zijn brein, dat het beestje rechtstreeks van Ons-Heer gekomen was en hij vòlgde het stilkens verheugd in zijn wandeling over zijnen pols ten knokel van zijn rechterwijsvinger. Daar vouwde het de vleugelkens open en verhief zich en vloog naar Ons-Heer weêrom, teneinde Hem melding te doen van zijn, Benedict Poncke’s, aanwezigheid ten rand van een gouden akker. Het was of het koren fijner musiceerde, docht het Pastoor Poncke en zijn ziel luisterde er met nog meerder overgave naar en dieper nam hem het ruischen op. Hij rocht wakend in droom. De wereld was één eindeloos koornveld het het begrip „mensch” een dwaze waan. De eenige levende wezens waren pimpampoentjes. Ze vlerkten, geruchtloos, alhier, aldaar… En de Heer-God had wijs gehandeld met niets dan koren en pimpampoentjes te scheppen. Al de overige scheppingsmogelijkheden hadden toch niemendal om ’t lijf. De aarde was permintelijk zuiver gelijk God-zelf. En hij, Poncke, was Poncke niet —, hij was kóren en ruíselen, waarop en waarin zich pimpampoentjes neerlieten om een wijlken te verademen van hun sidderende vlucht. Ja, van hèm, Pòncke, restte niets dan zijn ziel, die zich volkomen vereenzelvigde met het veld. En dit beduidde een zalig geluk.

Pastoor Poncke breviert en geniet van het koorn

Ergens onder zijn schedel zat het weten weggescholen van een van allen droom ontdane wezenlijkheid, doch angstvallig hoedde hij zich, het uit zijn hoek te halen. En het koren wierd Gód, hij werd één met God, hij ging in God teloor, maar niet vèr-loren, want in zijn verrukking heemde, een zekere bewustheid. Namen kwamen hem — van Ruusbroec, Thomas a Kempis, Sint Franciscus, Böhme en zij waren méde het ruischen, ruischen…

En de tijd stond stil.

De Eeuwigheid suiselde, ruiselde, goudgeele subtijl…

De werkelijkheid keerde — vermits het dènken keerde: de bevreemding vanwege de waarheid, hoe koren per slot bróód was en de eigenaardigheid, dat brood rijmde op dood. En dan, God weet waarvandaan gekomen, vertoonde zich daar almeteens de man met de bloote zicht.

— Héé, zóó algelijk nìet!, riep Pastoor Poncke en in zijn verschot krabbelde hij schielijk overeind.

— Dàg Mijn-Heer Pastoor, groette de pikker, de zicht lichtend. Pastoor Poncke’s verrukking verijlde in het Nergens.

— Héé, zegde hij, — ik vermeende warelijk, dat gij mij afmaaien wildet!

— Gij zijt toch mijn vrucht niet, Mijn-Heer Pastoor…

— Ik wàs het, zegde Pastoor Poncke ernstig. En òmziend naar Socrates: — Héé, waar is Socrates?

— Had g’uwen ezel bij u, Mijn-Heer Pastoor? (de pikker kwam tot bij hem, bukte) — Hier, uwen boek…

— Waar is Socrates?, verhaalde Pastoor Poncke. Daarseffens bevond hij zich bìj mij…

— Ik pikte al een pooze in uw buurt, Mijn-Heer Pastoor. Ik ontwaarde u, maar niet uwen ezel. Hij zal voorzeker ievers bachten den dijk uithangen.

— Natuurlijk, natuurlijk is het dàt, beaamde Pastoor Poncke en met den pikker beklom hij den dijk en voelde zijn duivelkens hunne taak naarstig hervatten.

— Níemendal, kondigde de pikker, het eerst op den dijk staande.

Pastoor Poncke, nevens hem gekomen, schudde onthutst het hoofd:

— Geloofde ik in tooverije, ik zoude zeggen: hier is tooverij gepleegd.

— Hij zal gestolen zijn, terwijl gij aan het dutten waart, Mijn-Heer Pastoor. Er dooleert somtemets alderlei scheef volk langs de baan.

— Gij zègt… ?

— Gestòlen, Mijn-Heer Pastoor.

— Tja, uitte Pastoor Poncke en ving te neuriën aan.

— Maar Mijn-Heer Pastoor, verweet de pikker, eerst waart g’uit den haak omtrent uwen ezel en nu zìngt ge. Men zingt toch niet, wanneer men zijnen ezel kwijt is!

— Héé, mijn vriend, wees Pastoor Poncke naar de verwijderde dijkbocht, — achter den dijk, ginder, blijft mij nog een nagel hoop. Tref ik hem daar niet aan, dan zult ge mij, geloof mij, in groot treurnis zien.

Samen liepen zij zwijgend de bocht toe.

Na een wijle sprak de pikker:

— Roèp eens, Mijn-Heer Pastoor, misschien antwoordt hij.

— Een uitmuntend gedacht, achtte Pastoor Poncke halt houdend en zijn roep galmde: — Sócrates!! Sócrates!!

Entwat lijk een kort, dof, vibreerend gebrul bereikte hunne ooren.

— Hij ìs er, Mijn-Heer Pastoor, en ik trek weêrom aan het wrochten.

— Doe, bescheidde Pastoor Poncke. — En dànke. Socrates zou mijne stem uit duìzenden herkennen! Nochtans…

Met wijde passen tord Pastoor Poncke verder. Als hij ter stee van Socrates kwam, stak deze juist zijnen kop boven den dijk en maakte blijkelijk aanstalten zich bij den meester te voegen.

— Schànde, Socrates!, sprak Pastoor Poncke. — Kom rap mee. Ge hebt mij danig verschot op het lijf geworpen. Snaaksheden van dit slag ben ik bijster ongezind, verstaat ge?

Pastoor Poncke was oprecht verontwaardigd.

Een tijdlang liep hij met op elkaar geklemde lippen voort, barstte naderhand los:

— Ja, schànde, Socrates! Ge heb mij de breviering totaal vergald. Ge vingt aan met uwe vereeuwigingen — en nu dìt erbij. De ouderdom schijnt trouweloosheid te verwekken. Ten minste: bij u, mijn Vriend. Oog om oog, tand om tand. Ik sluit u voortaan uit van de breviering. Ik baken u uw domein secuur af: stal en kerkhofweike. Een bannissement, zoo ge wilt. Mijns erachtens: eene pronte verbanning. Vrijheid in gebondenheid. Neen, ge zult niet te klagen krijgen. Aan haver en hooi zal het u niet ontbreken. In het weike kunt ge wandelen waarheen gij het verkiest en er luieriken volgens uw believen. Een minnaar van de natuur waart ge toch nooit. Trouwens, de natuur van het weike is niet te versmaden. En ik zal dikwijls bij u komen en met u kouten. Maar de Heer-God telt vòòr al. Vandaar mijne maatregelen.

Hij verstomde weder, hernam, nabij de pastorij, milder:

— Ja, Socrates-vriend, oud-worden is een verdrietige affaire. Ik zegde het u bereids: wij worden beiden oud. En oud-worden is: weerstand verliezen. Ik kan er zoetjes-aan van meespreken, ge weet het. De duivelkens dansen lijk naalden in mijne pinkteenen, zoodat ik er soms van knersetand… En wijders: mijn maag, Socrates-vriend! Het is met de maag niet in orde. Mijn ate smaakt mij niet gelijk vroeger. Ik worg het veelal naar onder, want aan Katrijne moet het verdoken blijven. Het liefst zoude ik echter een deel ervan op de teljoor laten. Zulks zou Katrijne smartelijk affronteeren. Bijaldien volhard ik in het worgen. Mijn wijnke, daar niet van, bevalt me nog immer ten volle. Overigens zou ik het een kwalijk teeken vermeenen, proefde mij de wijn minder aangenaam: het begin van het einde, mijn Vriend —, het begin van het einde… Wij zijn er.

Hij stalde Socrates, en keek daarna toe op Katrijne heur doening aan den steenput. Toen Katrijne haaren emmer gevuld op den putboord had, vertelde hij haar:

— Niemand, Katrijne-kind, weet wat hem het volgend moment kan geschieden. Het eene oogenblik verkeert men in zoete mijmering, het andere zijt ge bijkans rats verdwenen. Zulks gebeurde mij deez’ uchtend. Ik blik òp uit mijn gemijmer en zie Socrates niet meer. Ik spied her en der. Geen Socrates. Alsof de aarde hem verslonden had, Katrijne. Héé, hadde ik mij op zijnen rug bevonden, ik ware eveneens verdwenen geweest. En vermits men niet uittijgen kan zichzelve te zoeken en te vinden, had ik met Socrates voorgoed weg kunnen zijn. Mijn engelbewaarder echter verhoedde zulks. Ik was bekwaam te zoeken en ik vond. Katrijne, ik mag er niet aan denken!…

Eenigszins verwilderd schouwde Katrijne naar hem op en haar mond gaapte half open.

— …niet aan denken, voer Pastoor Poncke voort. — Entwat bizonders tijdens mijne afwezigheid, Katrijne?

Katrijne antwoordde niet dadelijk. Te zeer was haar geest verstrikt in Pastoor Poncke’s gedachtenweefsel. Pastoor Poncke zag haar vechten om eruit verlost te raken: haar voorhoofd rimpelde en ontrimpelde zich bij beurte. Ràmp tastte zij en òn-rede en wierd er niet uit wijs. Eerwaarde was diep geletterd. Zij, Katrijne, vermocht nauwelijks te lezen en te schrijven. Wanneer Eerwaarde zegde, bijkans verzwonden te zijn geweest, moest dit op werkelijkheid berusten, al vermocht zij het niet den draad te volgen.

De worsteling was tenden.

Haar voorhoofd effende zich geheel.

— Jáák, bescheidde zij op Pastoor Poncke’s vraag.

— Waarvòòr?

Jaak zegde: ’t Is zonde, zegde Jaak, nevens uwen ezel te terten instee van erop te rijden. Ik kan het niet langer áánzien, zegde Jaak en hij zegde, dat hij van her komen ging zoorap Mijn-Heer Pastoor terugkwam van de breviering. Jaak zegde: Ik zal dien ezel eens tusschen de tramen zetten en alzoo temmen, zegde hij, het is een middel, dat voorzeker baat brengt, ik heb er lang op zitten zinnen, zegde hij.

Pastoor Poncke schraapte de keel:

Katrijne-dochter, ik heb met Jaak den groenselier niemendal vandoen. Ik schik de zaken mijns levens naar mijne inzichten en niet naar Jaaks advijzen. Wat weet hij af van Socrates zijne ziel? Socrates tusschen de tramen! Socrates als slaaf! Hij bezit geen slaafsche ziel, mijn Socrates —, heden nog ervoer ik het, gelijk ik u verhaalde. Hebt ge dien bottel bourgogne uit den kelder gehaald en op de boekerij besteld gelijk ik het u vanmorgen vraagde? Ja? Danke, Katrijne. En wanneer Jaak zoo vermetel is zich ongewenscht ten onzent te melden, zeg hem, dat ik niet thuis ben.

En Pastoor Poncke trok naar de boekerij en teugde er geneuchtelijk van den wijn. Hij had zich een tweeden kelk ingeschonken als de klopper rammelde en hij Katrijne uit de keuken naar de voordeur hoorde slefferen. …Een negotie-vent, bevroedde hij. …Katrijne zou weer knoopkes koopen voor een stuiver. Zij kocht altijd knoopkes, Katrijne. Het leek lijk een krankte van haar, dat knoopkes koopen. Och, eenelk zijne liefhebberijen… Ha, neen: het was geen negotie-vent! Het was warempel Jaak de groenselier. Efkes luisteren, hoe djent Katrijne hem de pastorij uitloodst! Er rees plotseling erge wrevel in Pastoor Poncke. Jaak liet zich niet afschepen. Zijn stem wierd al luider en elk woord helder verstaanbaar.

Katrijne, Mijn-Heer Pastoor is wèl thuis. Tist de smid zag hem een kwart uurke verleên de smisse voorbijgaan met zijnen ezel. Hoe durft gij het zoo leelijk volhouden, Katrijne. Mijn-Heer Pastoor is thuis en ik verg hem op slag te spreken. Het betreft een zaak van gewicht.

— Eerwaarde is niet hier!, verweerde Katrijne heur schel.

Katrijne, geen larie-kal. Hola, daar heb ik u! De ezel balkt! Geen beter bewijs!

Inderdaad, Pastoor Poncke vernam het eveneens: Socrates balkte uitbundig…

Er viel een stilte in den gang.

Pastoor Poncke duwde zich kregel uit den zetel omhoog, stapte naar de boekerijdeur, rukte deze op een breede kier open en stak zijn hoofd in de gang.

— Zoo, snauwde hij den verbijsterden Jaak in ’t gemoed, — wanneer ik niet thuis ben, bèn ik niet thuis. En schaam u, een ezel te gelooven en niet mij, ouden, bezadigden paap!

En de boekerijdeur knalde weer dicht.

Pastoor Poncke bekortte zijne brevieringen steeds meer. En in de nazomer waren zij allengs ingekrompen tot breed een halve stonde. Katrijne, die er heur over verwonderde, zette hij de oorzaak ervan wijdloopig uiteen:

Katrijne-kind, becijfer eens hoeveel jaar ik nu al den buiten heb gedaan met het getijdenboek. Gij komt dan tot een kloeke jarenreeks, nietwaar? En bepeins nu het landschap waarover ik zulk een reeks van jaren het oog liet weiden. Het is alleszins schóón, voorzeker. Bestendig hoordet gij het mij roemen. Evenwel kan er een oogenblik in uw bestaan komen, dat ge ontdekt, wat ik heeten wil: de herhaling. De seizoenen herhalen zich in eendere regelmaat. Op de lente volgt de zomer, op den zomer volgt de herfst, op den herfst de winter, op den winter van her de lente, enzoovoorts, enzoovoorts. Ge gaat u dan op zeker tijdstip eens afvragen, waarom het, bij wijze van variatie, niet zomert pàl op den winter, ge zoudt, om zoo te zeggen, Katrijne, de tarwe-aren willen weten rijzen en rijpen vanuit de sneeuwlaag — enzoovoorts, enzoovoorts… En daar u zulks op den duur evenmin bevredigen zou, zijt ge genegen nog andere herhalingen te stremmen. Bijvoorbeeld, mijn dochter: de sneeuw is eeuwig wit en het gras eeuwig groen. Waarom, zint ge ten leste, wordt, voor de aardigheid, de sneeuw niet eens groen en het gras wit? En waarom moeten de boomen altoos groen zijn? Ge zoudt warelijke blauwe boomen willen of roode, opdat ge u versch verlustige, weet ge! En nu kunt ge vlot tegenwerpen, hoe de Heer-God het aldus verordineerde, dat het gras groen van verve is en de sneeuw blank en men aan Zijnen Wil niet tornen mag — goed, ik beaam u dit gaarne, doch hiermede zijn mijne ervaringen niet weggewischt. Zoek er van mijn kant geen rebellie in, bid ik u. Mijn zintuigen ontvangen het uitzicht en mijn zintuigen worden vermoeid vanwege de eentonigheid der dingen. En deze zintuigen acht ik evenzeer van den Heer-God stammend als de ordeningen en couleuren van den buiten. Beiden, boud getaald, Katrijne-dochter, zijn mij vanlangsom gaan vervelen. De buiten verveelt mij, ziedaar. Begrijpt ge mij?

Katrijne zegde te begrijpen, doch voegde eraan toe, dat zij niet begreep, waarom Eerwaarde tegenwoordig zoo luttel at: — Ik heb mijne oogen, Eerwaarde en ik geloof niet, dat ik kwalijker kook dan voordezen, al maakt gij, dat ik geen geneucht heb aan mijne keuken…

— Dat is een verwijt, Katrijne —, een onrechtvaardig verwijt… Wat nu, Katrijne! Uw voorschoot neer! Ei, huilt ge, Katrijne?

— Vannacht, hikte Katrijne, — droomde ik, dat gij krank waart… ik zie het wel, dat gij vermagert en Pruyck zegt het, en Corneel Caboor zegt het en gansch Damme

In Pastoor Poncke’s keel klokte een lach.

Katrijne, Katrijne, ge doet mij lachen. Zeggen, Katrijne, vliegt over hillen en heggen. Zeggen is wind. Niemand heeft er houvast aan. En droomen, Katrijne, vliegt over bermen en boomen. Het is insgelijks wind. Begoocheling. Bedrog. Ik voel mij leven lijk kwik en ik waardeer uw keuken gelijk nimmer. Ik eet minder. Héé, waartoe zou ik méér eten. Ben ik een gulzigaard? Zegde ik niet steeds: O Sancta Sobrietas!?1 1 O, Heilige soberheid. Ben ik niet een man van matigheid? Vergat ik ooit de verwittiging van den Heiligen Gregorius: dat er door gulzigheid velen zijn gestorven en nog dagelijks sterven, niet enkel naar het lijf, doch ook naar de ziel!? Neen, Katrijne. Ho, hoe ik lachen moet! Spits uw brein, Katrijne en pleeg logica. Ha, het eene spruit simpel uit het andere voort. Ik eet luttel. Natùùrlijk eet ik luttel. Immers heb ik mijne lichaamsbewegingen beperkt, zijn de breviertochten niet meer zoo uitgebreid. Bijaldien wierd mij de maag minder nooddruftig, volstaat zij met een geringer portie. Nietwaar? En dat van het vermageren? Zaagt ge mij ooit vetlijvig? Alle vet is weelde, en weelde verderft den mensch. Wilt ge, dat ik verderf, Katrijne? Ik had altijd een hekel aan vette priesters. Vet verwijdert u van Ons-Heer. Ik draag nog teveel vet, geloof mij. Ge zult mij nog meer vermageren zien. Bekommer u er niet om. Ik voel mij elk etmaal gezonder. En dan zoudt gij, Katrijne, u muizenissen in den kop roepen. Ge doet mij lachten, zeg ik u. Wat bekom ik straks op mijn avondbrood, mijn dochter? Ik heb goesting in kaas. Kaas verleent de maag kracht en bevordert den appetijt.

— Er is geen kaas in huis, zegde Katrijne met een allerlaatste veeg over hare oogen. — Ik wilde vlieskens broodspek bakken…

— Ook wèl, Katrijne. Want kaas verzwakt de maag en beneemt u uw appetijt.

— Eh?, vraagde Katrijne.

— Wat meent ge, mijn dochter?

— Eerst zegdet gij, dat kaas…

Katrijne, onderbrak Pastoor Poncke de maarte beleerend, — het eerste geldt voor het geval, dat er wezenlijk kaas aanwezig is, het tweede voor het andersomme.

Omtrent een week lang gelukte het Pastoor Poncke met de leugen aan Katrijne betreffende zijn lichamelijke gesteltenis mede zichzelve te beliegen, klampte hij zich fel eraan beet. Ei-lieve, er mangelde hem niets! Lustig brevierde hij de uitgestippelde rond. Warelijk monotoon was hem het landschap geworden. En dachten zijne duivelkens, dat zij kleineerende macht over hem bezaten? Contrarie, hij, Benedict Poncke was de machtige èn zijn engelbewaarder. En de maag? Heere, de fantazij van een mensch is bekwaam tot allerhand uitzinnigheden. Lig, per exempel, eens in uw polk en peins ik wil krieweling voelen aan mijn linkerkuit, pront in ’t midden: de krieweling dient zich onmiddellijk aan en naar willekeur vermoogt gij het haar te verplaatsen naar uw rechterkuit, uw bil, uw zijde… Nietwaar? Dit heet men in deftige, schimzuchtige Walloonsche kringen: suggestie. Dat met de maag stond gelijk aan de krieweling. In waarheid waart ge zoo gaaf lijk een lavoor.

Alzoo betoogde Pastoor Poncke, tot hij, aan het einde der gezegde week, genoopt wierd zijn inzicht te wijzigen en hij Socrates, op wiens zwijgzaamheid te betrouwen viel, filosofisch veropenlijkte, hoe hij zich ’laas, een suggestie gesuggereerd had, want dat er van welke suggestie ook geen spraak was. : — Sedert geruimen tijd, Socrates-Vriend, prest mij eene groote loomte. Ik ben vol onlust. De klank van het latijn verspeelde, althans voor mij, zijn statige gedragenheid. Mijne leden wegen mij lijk lood. Dit al vindt zijn bron in mijne maag — een bittere bron, mijn Vriend… Er muikert mij daar entwat. Ik zeg niet, dat ik zéér heb. Ik kan het niet benamen. Het is er en is er geenszins, maar het ìs er. Hebt gij uw de maag wel eens overladen? Ge loopt rond in danig misbehagen. De ate weigert het proces der vertering te volvoeren. De eendere ondervinding is de mijne terwijl ik — eigenaardig genoeg, Socrates — honger lijd, mij den beer grolt en ik den drang mis, mij te zetten aan een mondenden disch. Zonderling, nietwaar? Ja, we zijn aan het oud worden. Ik waan mij ineenen twintig jaren ouder, lijfelijk dan. Natuurlijk is mijn toestand van beïnvloeding op den geest, dien ik er, gelukkig slechts lichtkens, door getaakt gis. Och, Socrates, de loop van het leven gaat ringvormig. Ge vangt het aan met verbruik van weinig levensmiddelen en ge besluit het met verbruik van weinig levensmiddelen — ge merkt het aan mij. Zaak is, uwen geest brandend te houden. Men moet zich heroïek weten te gedragen!

En Pastoor Poncke gedroeg zich heroïek en verheugde zich kort nadien als van ouds in de muzikaliteit van zijn geliefd latijn. : — Mijne zolen tijgen van her op vasten bodem en mijn leven kent van her zijnen koers, zegde hij zich. En des uchtends in den spiegel zijn schier zienlingsche vermagering keurend, betitste hij somwijlen een na een zijne pokke-putten met den wijsvingertop en uitte wijsgeerig nadrukkelijk en in tegenstelling met eertijds: — Dàt ìs Pòncke àlgelijk wèl! En eens, brevierend door den milden herfst, wèndde hij halverwege en verklaarde ter markt den Baljuw, die zijn bevreemding uitsprak over het feit, dat hij Pastoor Poncke immers toch een tien minuten verleên het Raadhuis had zien passeeren:

— Mijn Vriend, metterdaad brak ik ditmaal mijne ronde halverwege af. Wat wìlt ge? Ge ziet een oud man voor u. Héé, de heele ronde doen zoude mij al te bijster vermoeien…

De Baljuw lachte.

— Eerwaarde Vriend, gij zijt onverbeterlijk! Maar, in ernst, gij hebt sedert de laatste maanden uiterlijk een nadeelige verandering ondergaan. Neen, laat mij gewaren. Gij schijnt mij te kranken. Het is niet alleen mijne meening. De Baljuwin denkt er evenzoo over. Zij noemt het: een slepend lijden. Het heeft er waarachtig veel van. Kortom, gij moest een doctoor raadplegen.

— Mijn Vriend, bescheidde Pastoor Poncke zakelijk, — ik ben volkomen monter, en kraak-ijs is geen breekijs. En wat uw doctoor belangt: begeef u, bid ik u, naar het kerkhof aan den voet Onzer-Lieve-Vrouwe. Bezie de graven en bezin u erop, hoe onder elke hoop aarde en onder elken zerksteen een patiënt ligt van heelmeesters. Vraag een eerlijk doctoorken naar zijnen oogst en hij duidt u zonder aarzelen het kerkhof aan. Ik voor mij wil niet anders zijn dan een patiënt van God. En nogmaals: ik ben monter. Katrijne is er brokken kwalijker aan toe dan ik. Zij kermt waar zij staat van de tandpijn. En haar kop ziet koortsrood. Heere, mijn Vriend, als zij spondekrank moet worden, geve God dat ìk in háár plaats moge lijden. En, héé, monkelde hij, — wanneer de tijd opdaagt, dat ik sterven moet, geve God, dat zìj deze beslommering van mij overneemt… Vale. Blijf gezond; vaarwel.

Gemeenlijk looft men het vrouwvolk als de uitgelezenste pijnduldsters. Katrijne echter deed hierin haar kunne geen eer aan. Geteisterd door tandpijn gelijk nooit tevoor, verviel zij in „och’s” en „ach’s” in alle toonaarden en onderbrak telkens de keukenwrochting om op een stoel neer te zijgen gelijk een wrak. Zij toetste praktijkelijk ontallige volksche remedies, zonder verstilling te verwerven. Zij lette er zorgvuldig op, ’s uchtends het eerst de linkerkous aan te trekken en des avonds weêr het eerst uit; zij beschikte over een dozijn tooverformulen; zij knipte alle Vrijdagen hare nagels; in haar bandzak droeg zij bestendig vier mollenpootjes en zeven verschrompelde kastanjes; zij papte op de kranke wang, spoelde den mond met lauwe melk; zij roosterde kruiden op een vuurtest en ademde er gulzig den damp van in… Thans wendde zij de remedie aan van Eulalie van den Baljuw: zij maakte een breipriem gloeiend aan het einde en hield de hitte bij het oor aan den geplaagden kaakkant. Drie dagen bereids was zij ermee doende.

— Ik beklaag u diep, geloof mij, Katrijne-dochter, bemeewarigde haar Pastoor Poncke, thuiskeerend van de jongste breviering. — Wanneer ik u bezie en u verneem, constateer ik, dat mijne duivelkens kinderkens zijn bij de uwe.

— Ai-ai… !, kreunde Katrijne met den rooden priem bij het oor.

— Vermildert het nog niet, mijn dochter?

— Oei…, steunde Katrijne.

— ’Laas, ’laas!, stemde Pastoor Poncke met haar in. — Het is wederom de kies, indien ik het wèl heb?

— Ja-i, uitte Katrijne en zag haren meester aan gelijk een schaap, dat men kelen gaat.

— De naald dooft uit, wees Pastoor Poncke. Hij kuchte en hernam op egalen toon: — Katrijne, ik heb eens doorgedubt op die naaldremedie. Het dunkt mij, al zit gij honderd jaren alzoo, het zal niet loonen. Ik vergeleek daarseffens mijne duivelkens met de uwe. Ik koester namentlijk de meening, Katrijne-kind, dat de duivel u in de macht heeft en u voorzeker deerlijker molesteert dan mij. De teenen vormen slechts den drempel tot den persoon, dien de duivel te belegeren beoogt. Bij u vocht hij zich reeds doortocht tot in het hoofd. Ik ga verder, luister. Het menschelijk lichaam, het stoffelijk gedeelte dan, geldt den duivel of zijne trawanten als een kostelijk slagveld. : Heb ik het vleesch, ik breek de ziel, luidt zijn leuze. En daar is veel van waar, Katrijne. Ei, gij denkt, nietwaar? : Eerwaarde ontsluiert mij eene theorie en theorieën verzweven vlot. Neen, Katrijne. Het is geen theorie van mij, doch wetenschap — wetenschap, welke ik alsvolgt exact baseer: alle vleesch, alle stof bijaldien, bestaat alleenlijk bij de gratie van geestelijke krachten. Vandaar de macht dier geestelijke krachten, witte of zwarte, over de stoffelijkheid. Geestelijke krachten bezorgen u wèl of wéé, naar gelang. Alle vleeschelijke pijn wordt gemeenlijk door een zwarte geestelijke kracht bewerkstelligd. Een der zwarte krachten heeft u overweldigd, willende een aanslag plegen op uwe ziel. Niet uw stoffelijke hand plus een roodgehitte naald is daarom bekwaam den juisten weerstand te bieden, maar de ziel, mijn dochter, de zìel! Met mijne ziel betoom ik mijne teenen, gìj moet met de ùwe uwe tanden breidelen. Anders gezegd, dochter Katrijne: gij moet bidden. Gebed redt, nietwaar? Hebt g’ al eens de onderhavige remedie beoefend? Neen, zeg ik u, — neen. De pijn verhinderde het u: de duivel, Katrijne. Het valt mij op, dat gij, lijdend, geen naam van eenige Heilige op de lippen neemt. „Ai!”, stoot g’ eruit en: „Oei!”. En dit hoorende, is er één, die grijnzende lacht: Lucifer, de helle-overste. Katrijne van Pastoor Poncke van Damme in uwe netten — welk een fraaie triomf! Ha, maar gij en ik zijn er nog, Katrijne! En Ons-Heer, niet te vergeten! Bid, mijn kind en de Booze zal wijken. Belooft ge mij te zullen bidden…?

— Ja-i…, kermde de maarte.

Den avond van dienzelfden dag verdiepte zich Pastoor Poncke tot omtrent middernacht in de boeken. Toen hij zich naarboven begeven had hield hij op den overloop naar zijn slaapkamer plots den schred in. Uit de richting van Katrijne heur slaapvertrek bereikte hem een gesmoord gejammer. Behoedzaam tord hij tot aan Katrijne heur deur en luisterde fel. Katrijne litaneerde warelijk nog immer heure „achs” en heure „ochs”…

Katrijne, zijt gìj dat?, riep Pastoor Poncke gedempt.

Katrijne kloeg luider.

— Och-arme, mijn dochter, ge hebt zonder twijfel te karig gebeden. Gij badt toch, Katrijne?

Katrijne kloeg en heur sponde kraakte.

Katrijne, hoe lijdt ge! Overmachtig op u is de duivel. Bid, roep Ons-heer aan en de Moeder-Gods, en de Kwade zal u verlaten. Bid, ik gebied het u om uwe zielswille. Ik hoor op u toe, mijn kind.

Katrijne scheen aan het bidden te slaan temidden der tormenten.

— Braaf, Katrijne. Bid voort, rusteloos voort!

Katrijne bad, klagelijk.

Pastoor Poncke wachtte een geruime pooze, riep dan:

— Helpt het al, Katrijne?

Entwat als een ontkenning volgde.

— Tja, mompelde Pastoor Poncke. — Hm… Katrìjn!, verhief zich zijn stem, — Katrìjne! Bid voort, alstublieft. Gebed alleen echter is in dit geval niet voldoende. Terwijl gij bidt, ga ik ijlings naar Mijn-Heer Spiessens en vraag hem een amfioenbolleke. Amfioen komt uit het land van China, alwaar, bevroed ik, schrikbarend geleden wordt aan de tanden. Hoe zouden de chineeskens anders deze medicijn ontdekt hebben? Ik ga. Tot seffens, mijn kind.

Pastoor Poncke daalde met de kaars de trap omneêr, zette in de gang het licht op de plavuizen, schoof de nachtgrendels uit de krammen, na den geduchten sloter van den muur te hebben gehaakt en zijnen tik te hebben opgezet, opende de deur en schreed den nacht in en den nevel.

Zwaar hing de smoor over de stede.

Het was alom zeer stil.

…Een weerken voor dieven en flericijn, bevond Pastoor Poncke, en hij rilde vanwege de kleffe kilte.

Hij monsterde de bijkans gansch versluierde huisgevels. Ho, hier heemde de Apothecarius

De klopper rammelde onder Pastoor Poncke’s hanteering.

Pastoor Poncke wachtte, hoorde tevergeefs op eenig gerucht binnenshuis. De Apothecarius sliep blijkelijk gelijk een beer te winter. Apothekers moesten er eigenlijk een hazeslaapke op na houden, krachtens hun stiel

Van her en gestaag nu lawijtte de klopper.

Niets. Mijn-Heer Spiessens had warelijk een goddeloozen slaap — zulks kwam door Voltaire

Driftiger alarmeerde Pastoor Poncke, staakte plots de doening.

Boven zijn hoofd geschiedde er entwat, wierd, ja, een raam opgeschoven. Ons-Heer had gewonnen van Francois Marie Arouet, dacht Pastoor Poncke grimmig.

En toen, boven zich, ried hij, meer dan hij het, verdoezeld, ontwaarde, een mènschenhoofd — een hoofd waaraan iets bungelde, hetwelk hij Mijn-Heer Spiessens slaapmuts schatte te zijn. Schóón, nu kon hij zijn boodschap veropenlijken.

— ’Navond, ’navond, begon hij minzaam. En stokte — want Mijn-Heer Spiessens’ stem snerpte door de mist naar beneden:

— Wìe daar? (beidde geen bescheid en venijnde verder:) — Het verscheelt mij geen duit, wie ge zijt! Kom morgen weder. Ik slááp, hoort ge? Ik slááp!

Het hoofd en de muts van den Apotheker verzwonden.

Het raam bonsde toe.

— Héé… !, uitte Pastoor Poncke langgerekt, mompelde dan:

Verschooning, verschooning

En aanvaardde den terugweg.

Tjá…, mijmerde hij al gaande luid-op.

Even later stak hij den sloter in het pastorij-slot.

De kaars op de gangplavuizen brandde nog.

Hij grendelde de deur op het ontij en beklom de trap.

… Tjá.

Hij stond voor Katrijne haar deur.

Hij tikte met den knokkel op het hout:

— Katrìjne!

Katrijne bad voorzeker, hij hoorde haar murmelen.

— ’Laas, Katrijne, ik ben niet geslaagd met den amfioen. De Apothecarius sliep. Ik hoorde hem droomen.

Het gemurmel leed voort…

— Katrìjne!…

…Héé, dat wàs geen bidgemurmel!

Hij bracht het oor dicht bij de deur.

— Héé, zegde hij tot zichzelve. — zij slaapt, warempel! Zij snurkt! Tja, het is schrander van haar! Slaap is de medicijn der medicijnen. Slaap is genade van God. Ik heb mede zucht naar slaap. Goênnacht, Katrijne.

En hij ging zich eveneens te slapen strekken.

En ’s anderendaags was Katrijne genezen.

De dagen verguurden en onthieven Pastoor Poncke, tot zijn geneucht, van de breviering buitenshuis. Een tijd van rust, vezelde hij zichzelve voor, zal mijne algeheele herstelling beteekenen. Ik ben uitgeput gelijk een pyramide-slaaf ten tijde der pharaonen en dun gelijk een molik. Ik weet warelijk niet, hoe Katrijne mijn toestand nog langer te verheimelijken. Een geluk, dat het verzworven katerke Moorke de pastorij kwam binnenwandelen. Zij verwent het gelijk een kindeke en het heeft zulks geducht noodig. Het ìs bijkans geen katerke, docht het rif ervan en ìk ben er van baljuwschen omvang bij. Alweer een punt in mijn profijt. Een mensch moet niet te rap klagen. Evenwel, Katrijne heur keukenkost kan ik niet meer verduwen.

Hij ontbood Katrijne op de boekerij.

Zij verscheen met Moorke aan heur hart.

Katrijne, zet u, bid ik u, gebaarde Pastoor Poncke. — Ik heb een affaire te bespreken. Uw Moorke

— Is ’t over Móórke?, vraagde Katrijne in ongemak. En zij aaide het katerke gestaag over het vel.

— Ten deele, Katrijne-dochter. En in overdrachtelijken zin. Koester geen angst, dat het dierke mijn misnoegen heeft opgewekt. In het land van Egypte wierd, eeuwen voor Ons-Heer op aarde, de kat vereerd als god of godesse. Waarom zoudt gìj uw Moorke dan niet vereeren, nietwaar? Ik wilde vragen: zijn Moorke zijne ribbekes nog niet gekussend, Katrijne? Neen? Spijtig, spijtig. Maar dat komt nog, het is u toevertrouwd. Ge wéégt hem elken dag?

Katrijne knikte, aaide.

Pastoor Poncke glimlachte. Moorke had hem, Benedict Poncke, op den tweeden rang gedrongen. Vrouwen zijn onberekenbaar. Nochtans had Katrijne wellicht gelijk. Moorke immers was aanzíenlijk magerder dan hij…

— Terzake, Katrijne: uw Moorke is verschrield door honger en zal in ’t korte onder uwe zorgingen verzwaren. Katten zijn van nature geen asceten. Maar ìk ben het, Katrijne-dochter en daarom wil ik in de toekomst slechts pap verorberen…

— Pàp?, schrok de maarte.

— Pap, Katrijne en niemendal anders dan pap. Pap uit puur geestelijke schikking. Sedert lang voel ik talent, aanleg voor pap. — En de lever, de coteletten, al mijne braadsels en baksels? Dus ik ben bij u maarte om pàp te bereiden!

— Uitsluitend, Katrijne.

— Ha-maar! Katrijne sloeg de handen tegaar en merkte niet, dat Moorke van haar schoot rolde.

— Van u af aan ziet ge in mij een asceet, Katrijne.

— Ja, ge zegde zulks reeds, maar was is dat voor een ding…?

— Alle heiligen waren asceten, Katrijne. Uit boetedoening, Katrijne. Boetedoening voor u, voor mij, voor een ander, voor zichzelf. Zij verachtten wereldsche pleizieren en lekkernijen. Sint Franciscus at droog brood met assche bestrooid. : — Dat geeft klaarte in de ziel, zegde hij. Ik wil gestrengelijk leven, Katrijne. Enkellijk vermits ik jaren-aaneen te danig van uw keuken, en dies wérelds, genoten heb. Ik wil in den hemel komen, weet ge.

Katrijne verschoof overentweer op haar zate.

— Bedaard, Katrijne. Ik beticht u niet, gij zijt geen verleidster. Héé, hoe zoude ik asceet kunnen worden zonder vooraf de genietingen uwer weergalooze kunst te hebben gesmaakt. Hoe kan men licht zijn zonder het bestaan der duisternis. Uw kunst was mij de nacht, Katrijne. Eilieve, de nacht is schoon. Hoog ruischt de wind door de stilte onder de sterren, Katrijne —, de stèrren… Nu echter is de periode aangevangen van den dag. Gij verrichttet het uwe tot mijn heil, thans moet ik het mijne verrichten. Dat is helder lijk dauw. Niet dat ik van zin ben mij heiligheid te verwerven. „De Heilige Poncke” — welk een mallepraat. Een doodsimpel Pastoorke van Damme, acht ik mij. Het lust zijn eike nog des uchtends…

— Eike?

— Ja, Katrijne. De keizer wil immers het zijne?

— Een vischke ’s Vrijdaags…

— Vischke?

— Ja, Katrijne. Ook het vischke blijft. En mijn wijnken… Heere, men kan niet alles klakkeloos over boord smijten. Maar van zoogenaamde zware spijs, vleezen en diergelijke, wil ik niemendal weten. Niet dat ik ook u mijne onthouding opleg. Verre van daar. Gij smult gelijk voorheen. Gij zijt Poncke niet. Elkendeen heeft nu eenmaal zijne bizondere devooren. Moorke dreelt u rond den rok, Katrijne!

— Och-arme!

Katrijne bukte heur en greep het katerke en vertroetelde het:

— Mijn tjoefelke, zijt ge van mijnen schoot gestuikt en hebt g’ u wee gedaan? Kom maar bij ’t vrouwke, mijn weezeke! Een pluimke gewicht zijt gij, niemendal meerder. Maar ’t zal gebeteren, poezeke!

— Gij kent nu mijn spijskaart, Katrijne?

— Ja’t. …Och-arme, zoo verschopt te zijn, mijn dierke. Kende ik den wreedaard, ik zou hem krijgen!

— Danke, Katrijne.

— Ja’t, zegde Katrijne, recht-rijzend. — Ik heb nog melkske voor u, mijn lieveke…

En met Moorke weder hecht aan heur hart verliet zij de boekerij. Pastoor Poncke wreef zich in de handen. Behendig had hij met het woord gelaveerd en Katrijne in argeloosheid gelaten. Moorke zou nog maanden haar aandacht op-vergen en ondertusschen zou hij… Neen, hierover gezwegen. De geest is heerscher. De geest — begoochelde hij Katrijne wezenlijk? — is meester over alle lichamelijkheid. Waarom zou hij, Poncke, géén ascese betrachten? Ik ben asceet, besloot hij.

En hierop nam hij bedachtzaam een snuifke.

Het geschiedde in dezelfde week, dat Katrijne zwaar in gramte rocht op Moorke. Pastoor Poncke, al lezend voor het haardvuur gezeten, hoorde haar schrollen op het katerke — schrollen zonder einde.

Héé, daar moet ik het mijne van hebben, zegde Pastoor Poncke opstaand, — Katrijne mag geen falikanten koers vatten, ik moet haar blind houden, haar de duizelingen van den asceet Poncke verhelen. Van uchtend zwijmelde ik wederom. Ik ben, ’laas, een wrakke asceet.

Hij stapte Katrijne heur keuken binnen.

— Wat schort er, Katrijne, dat gij zoo tekeergaat?

— Ah, die leelijkaard van een Moorke!

— Leelijkaard, Katrijne-dochter? Waarom?

— Omdat hij ’ne halve schellevisch heeft gestolen, brieschte de maarte, en op een schotel duidend: — Of is dit soms een hééle schellevisch? Alsof ik hem tekort doe, alsof ik hem niet van de straat heb opgeraapt, alsof ik hem niet lijk een lieve-bloed behandel. Corneel zegde de waarheid. Corneel zegt: — Gij kunt een kat verknuffelen zooveel gij het verkiest — ze blijft een kat, een geniepigaard, een valscherik, zegt Corneel. Maar ik wilde daar niets van hooren. Moorke is geen kat gelijk alle katten, zegde ik Corneel. Maar Corneel zegde: — Een kat is geen hond, ik verwittig u! Ah, leelijke schellevischdief!, dreigde zij het op een stoelzate knip-oogend Moorke.

Katrijne, mijns erachtens beticht gij Moorke op bijster lossen grond. Strijk niet re rap vonnis. Stond dat venster alsaan open? — Ik ben geen seconde uit mijn keuken geweest. Ik ga efkes naar den kelder, keer weêrom en vind dìt. Geen ander dan Moorke heeft de diefte gepleegd. Het is om zot te worden.

Katrijne, hebt gij Moorke deez’ morgen op de schaal gezet?

— Ja, en ik weeg hem nooit meer. Ik trek mijn hand van hem af.

Katrijne, hoeveel wóóg Moorke?

— Zeven onsen, als gij het weten wilt. Maar wat heeft dat ermede te maken?

— Mogelijk veel, Katrijne. Zeg mij eens: hoeveel woog de schellevisch?

Pront veertien onsen, zegde Katrijne vol onwil.

— Héé, sprak Pastoor Poncke verrast, — de helft van veertien onsen behelst zeven onsen. Lang mij de schaal, beval hij. Schóón. Danke. Ik bied u een experiment, dochter-Katrijne, van het zuiverste water. Moorke is voorzeker onschuldig. Een vreemde kat is de roover, profeteer ik u. Lang mij thans de overgebleven helft van de schellevisch. De helft weeg zeven onsen, nietwaar?

Peinst ge, dat ik niet wegen kan?

— Niet zoo onstuimig, mijn dochter. Heeft Moorke recht op een pleiter of niet? Lang mij Moorke, Katrijne.

De maarte gehoorzaamde stuurs.

Katrijne, ge gedraagt u onrechtvaardig, geloof mij. Zie, ik doe Moorke op de andere schaal. Moorke van zeven onsen. Ei, wat geschiedt er, Katrijne. De schaal balanceert, de naald wijst het middenste cijfer. En nu vraag ik u in gemoede: is Moorke schuldig of niet schuldig? Nìet schuldig, Katrijne. Want wanneer dit uw Moorke is, waar is dan het verdwenen schellevischstuk? En wanneer dit het verdwenen schellevisch-part verbeeldt, wáár wijlt uw Moorke?

De fantazij baarde Pastoor Poncke wederom slechts gering nut. Al dieper vatte het besef wortel, dat het lichaam-Poncke den asceet-Poncke deerlijk overmocht. Het kostte of koste, zie de verschillende uitgaven hem danig inspanning, op den kansel een sermoen gaaf te voleindigen. Het kwam hem voor, hoe hij vanlangsom zijn greep verloor op de parochianen. Hij kon soms beven op de beenen, zoodat hij, midden in een onderlijnende geste, de gewaarwording had, alsof hij elk moment in elkander zoude zijgen. Dan stutte hij zich schielijk op den kanselboord en voor zijn oogen wemelden de hoofden van zijn gehoor zot dooreen en de ramen rochten in zwaaiende beweging en de kerkpijlers wankelden.

Doch dit alles, men mocht het hachelijk heeten, telde hij geenszins erg, want licht verklaarbaar. Er mangelde hem entwat aan de maag. De maag weigerde haar taak. Zij toonde heur zelfs de mildste meelspijzen ongenegen en alsdan raakt g’ als maagdrager in hongersnood en er komt flauwte over u. Alle flauwten ten spijt echter, was zijn stem tot voor kort onaangetast gebleven, sermoende hij even geducht als voormaals, beheerschte zijn geest haar volstrekt, en het is eene natuurlijke zaak, dat de geest de stem beheerscht en eene onnatuurlijke, wanneer de maag invloed op haar uitoefent en haar geniepig ondermijnt, hetgeen thans plaats vond. Hoe gaarne liet hij haar lijk een onweer woeden over zijn parochianen, haar schudden aan hunne ruige gewetens, zoodat zij ’s avond zich de borst beklopten in overmaat van zonde-begrip! Ha, welk een faam verwierven zijne sermoenen! Zij hielden de wildste gasten in toom. Zijn woord wierd alom gevreesd. En alom bemind. ’Laas, vrees en minne begonnen te tanen. Zijn stem vulde het kerkgewelf niet langer, zij miste den noodigen klaren klank, zij reikte bij-lange-na niet meer tot de achterste rooten hoogmisgangers, die dikwijls deden gelijk de dooven en de hand aan het oor legden en den nek naarvoren rekten of entwat van onverschilligheid aan den dag legden. En in de achterste rooten bevonden zich uiteraard de zwartste zielen, de zwaarst te vermurwene. Na de jongste hoogmis, toen de kerk leeg lag, had hij, bij wijze van overtuigende proeve, Pruyck doen posteeren aan den westelijken kerkwand, had den kansel beklommen en gepoogd tegen Pruyck — wien hij last gaf de ooren af te sluiten met de palmen — in het kwansuis te donderen gelijk in een waarachtig sermoen. Het was altijd een gekend feit geweest, dat zijn stem dezen toets glorieus verduurde. Hij had zich danig ingespannen. Doch Pruyck verklaarde hem nadien, geen woord te hebben opgevangen, louter een dof lawijt. Het verdroot hem en van de de Onze-Lieve-Vrouwe begaf hij zich naar Socrates en kloeg Socrates zijn leed: — Het is gedaan met mij, Socrates-vriend. Poncke is Poncke niet meer. Mijn priesterschap loopt tenden. Tja, wat zal men er aan veranderen, Socrates? Niets. Niemendal. Sindsdien ontweek Pastoor Poncke het samenzijn met Katrijne zooveel mogelijk. Wanneer het niet te verhoeden bleek, gelijk tijdens de morgen-ate, babbelde hij voortdurend over Moorke, die snel groeide aan gewicht en grootte. Zoo hield hij Katrijne argeloos — tot hij haar, een wintervoornoen, voor het aanrecht stillekens aan het schreemen aantrof.

Hij trad op haar toe.

Katrijne, wat is dat nu met u. Ge schreemt?

Katrijne snikte.

— Waarom schreemt ge, Katrijne? Boos bericht bekomen van één uwer verwanten? Of entwat met Moorke? Of van her die kies?

Katrijne hoofdschudde.

— Tja, ik heb nu alles opgesomd, hetgeen als aanleiding betracht zoude kunnen worden. Men schreemt toch niet zoomaar, Katrijne? Spreek toch. Is ’t — hm — om mij? Ja? Wat heb ik dan misdreven? Niets? Spréék toch, Katrijne.

De maarte verzichtbaarde hem een weinig het wezen en zegde gesmoord:

— Ik ben slècht…

— Slecht? Gìj, Katrijne? Ik wilde dat ik zoo slecht was gelijk gij, de hemel zoude mij gewis zijn.

Corneel…, uitte Katrijne.

— Wat is er met Corneel. Nu bevat ik er geen draad meer van… Komaan, Katrijne, biecht mij precies, wat u op het hart drukt.

Met horten en stooten kwam Katrijne eindelijk los. Corneel had haar gevraagd, of zij niets aan Mijn-Heer Pastoor gemerkt had? Op haar verwonderde ontkenning, verklaarde hij met stelligheid, dat zij dan blind moest zijn of harteloos. Mijn-Heer Pastoor stak tegenwoordig in een kwalijk vel, ziedaar. Een gevaarlijke krankte moest hem bekropen hebben. Een geraamte met ’nen toog aan, dat was Mijn-Heer Pastoor. Ge kondet hem door de huid kijken. En zijne oogen lagen zoo diep in de kassen verzonken. Vroeger kaarsrecht, liep hij thans met gebogen schouders. En zijn stem had een scheur en de bloei was uit mis en preek. Dat Katrijne zulks niet was opgevallen! Onbegrijpelijk, meende de grafmaker. En des te onbegrijpelijker, waar gansch Damme erover taalde. En waarom haalde Mijn-Heer Pastoor er geen doctoor bij? Er was toch niets geestigs aan, u maar te laten doodgaan gelijk Mijn-Heer Pastoor het met zijn eigen deed? En Corneel had niet gelogen, had zij ontdekt. En zij wàs slecht. Maar zij wist niet, hoe zij zoo blind kon geweest zijn en àl Eerwaarde’s sussingen voor geldige munt aanvaardde. O, zij was zoo slecht…

En van her begon zij onstilbaar te schreien.

Bemoedigend legde Pastoor Poncke zijn hand op haar schouder. — Katrijne, wat weet de grafmaker af van ascese, van boetepleging, van versterving? Corneel overdrijft. Hij heeft immer overdreven, muggen tot olifanten opgeblazen. Zoo is zijn geaardheid. Zaagt gij ooit een asceet van weelderigen lijve? Zij waren allen om zoo te zeggen gratig van gedaante. Het is alsof zij zich zweefree maakten, hemelree, Katrijne. En er zijn er, die metterdaad zweefden, van de aarde losraakten uit heilige geestdrift. Het eendere gevoel onderga ook ik bijwijlen. De aangenaamte ervan moet ik nog leeren. Maar dit is van later zorg, weet ge. Corneel Caboor beweert, dat ik krank ben. Tja, wat wilt ge van een asceet? Dat hij een athleet is, Katrijne? Dat zou toch mal zijn, nietwaar? En mijn ascese zou nu mede op mijn stem zijn overgeslagen, volgens den grafmaker. Er is iets van aan, ik loochen het niet. Ik had mij ten aanzien van mijne boetepleging perken gesteld. De ascese was sterker dan ik, overschreed de perken… Maar, nogmaals, wat zal men er aan veranderen? Ik ben moedig, Katrijne-dochter. De moedige zegeviert altijd. Héé…

Pastoor Poncke wordt een beetje raar en glijdt uit Katrijne heur armen

Pastoor Poncke’s betoog stokte en zijn hand liet Katrijne heuren schouder vrij en ging aarzelend naar zijn hoog voorhoofd.

— Héé, ik word een beetje raar, Katrijne!

De keuken wentelde en hij schouwde Katrijne’s aangezicht lijk door een ruit, waarlangs water stroomt.

— Héé!…

Zijn handen zochten dwaas naar steun en toen voelde hij zich glijden — uit Katrijne heur armen glijden in eene vreemde leegte. Het wierd heel donker.

PASTOOR PONCKE STERFT

Pastoor Poncke zou vóór zijn verscheiden zijne sponde niet verlaten. Hij wist zulks heel stellig, als het ware met entwat lijk een hoogere zekerheid. Hij verdook het Katrijne niet. Hij zegde haar:

Omnio caro foenum. Alle vleesch is hooi, Katrijne. Ik lig hier stil-aan te sterven. Ho, verschiet niet. Ik rek het tot de zwaluwkens opdagen; dit is bijaldien nog eenige maanden. Neen, geen ontsteltenis, bid ik u. Ik ben immers gereed voor den hemel. Daarom moet ge blij zijn, Katrijne. Ziek, ik besefte het nimmer wèl, waarom de menschen treurnis vertoonen, wanneer iemand van hunne naaste magen of vrienden — ik ben uw Vriend, Katrijne — te sterven gaat, zoo te sterven gaat, dat hij of zij gewis kan wezen van Ons-Heeren volledigste genade. Alsdan moest men, dunkt het mij, eerder een bescheiden festijn aanrichten… Neen, Katrijne-kind, ik wil geen tranen schouwen zoolang ik aan het uitdooven ben — en evenmin naderhand. Weigert ge het mij nu te bewilligen, dan zult ge mij gram op u maken. Laat mij nu alleen, Katrijne.

En als Katrijne de deur achter haar had gesloten, ondervond hij een gevoel van bevrijding en beveiliging. Men kan nooit genoeg alléén sterven. De wereld — en Katrijne vertegenwoordigde haar per slot — had daar niemendal mede noodig. Het was een kwestie puur tusschen God en de ziel, die zinnens was hare ketenen te slaken. Sterven gold de innigste vorm van leven. In het uiterste verkeerend, leefde men stil, en geweldig — en wellicht mystieker dan de geestelijk opgetrokkenen, dan de extatici. Hier geen soortement van kramp, doch enkellijk een wonderbaarlijk Zìjn. Sterven was schóón, alleszins schóón! En deze toestand leed bij hem, Poncke, alsaan voort, door uren, door dagen… De geluiden van de straat, het dokkeren van een wagen, het speelschreeuwen van een kind — zij waren vèr geworden en nabìj tevens. En het luiden van de Onze Lieve Vrouwe verkeerde in een soortement van licht zingen, de logte was eruit, de klanken vleugelden, verkregen overaardschheid. Het denken aan Damme en de parochianen en aan de Vrienden was geen denken meer, maar een droomend zich herinneren en dit deed u bijwijlen blijde monkelen.

Wie sterven, zijn zieners met de ziel — wanneer zij sterven gelijk ik, achtte Pastoor Poncke.

Eén geluid had hij kwalijk kunnen verdragen: het lawijt van den klopper. Het stóórde hem in zijn geleidelijk sterven en in zijn overpeinzing. Het stamde lijk van den duivel. Het randde hem kletterend aan. En daarom had Katrijne den klopper moeten verwijderen. Wie weten wilde, hoe het met zijn krankte gelegen was, kon door het moeshofpoortje de keuken en Katrijne bereiken. En van bezoek aan zijn sponde wilde hij niets weten. Zelfs de Baljuw bekwam geen toegang tot hem. : — Wanneer de ure naakt om mij van mijne Vrienden te verafscheiden, Katrijne, zal ik hen verwittigen.

Het speet hem slechts half — en hij bekende het zich een zonde —, dat niet langer hìj de missen in de Onze Lieve Vrouwe celebreerde, maar Pater Medàrdus. Geducht echter verdriette het hem, dat Pater Medàrdus tot de orde van de Dominicanen behoorde en dik was. Waarom had Brugge juist een Dominicaan naar Damme gezonden en niet een Franciscaan? Monseigneur de Bisschop wist toch, dat paap Poncke de Dominicanen maar schamelkes vereerde, vermist zij àllen zwaarlijvig waren? Méérderbroeders waren zij instee van mìnderbroeders en vette geestelijken vermeende hij het ongeestelijkste wat men zich voorstellen kan. Daarom had hij Pater Medardus, zijn noodremplacant, onbijster hartelijke begroet, afstand tusschen zich en hem geschapen door hem „ambtgenoot” te benamenPater Medardus mocht nòg zoo’n goedaard van een vent zijn, welke feitelijkheid hij, Poncke, niemand betwistte.

Pater Medardus bezat wezenlijk lijk de bruine oogen van een trouwen hond en Pastoor Poncke had zich uitzonderlijk moeten volharden, teneinde zijn oude grief niet prijs te geven en hij betrapte zich er soms op, den pater van her, en in het màgeren!, op te bouwen en hem te bekleeden met het Franciscaansch habijt. Pater Medardus had fel gefaald met geen discipel te worden van Gods joculator. Voorzeker bepaalde zijn zucht naar overmatige maaltijden zijn keuze. Dat er mede buikige Franciscanen bestonden, Pastoor Poncke wenschte het nu eenmaal niet te gelooven. Die van Franciscus: aan hen hadt ge kerels uit één stuk, pioniers van Ons-Heer bij uitstek en wier gestalte het pionierschap pront weergaf.

Nooit polste Pastoor Poncke Katrijne omtrent het mislezen en preeken van Pater Medardus. Hij wist hoe het verloopen zou. Pater Medardus was geen Poncke. Allang zouden de parochianen het verschil ervaren hebben. Gelukkig ging Pater Medardus niet eeuwig in de stede blijven. Na zijn, Poncke’s dood, komma moet vòòr dood kwam een andere pastoor. De Dammenaren moesten efkes door den zerpen appel heen-bijten. De nieuwe pastoor zou zich in elk geval redelijk van zijn taak kwijten. ’Laas, met redelijkheên kan Damme zijnen voormaligen bloei niet weêrom verwerven. Zes Poncke’s achtereen — reken een decennium voor iederen Poncke — en Damme was Antwerpen voorbijgestreefd en op het Belfortplein, deftig gezegd, had de statue van Jacob van Maerlant gepraald, bij wijze van schutspatroon. Nu ging het verval Damme verder aanvreten. ’s Heeren Wil geschiede. Amen.

Aldus denkend wierd Pastoor Poncke steeds ietwat weemoedig. Doch dan greep hij naar zijn brevier en bedwelmde zich aan het orgelend latijn. Hard-op las hij, pogend weder zijn stem forsch te doen klinken, hetwelk in den aanvang meestal placht te gelukken. Hij beluisterde zichzelve, hield efkes op en knikte tevree. Maar kort naderhand schudde hij het hoofd, daar hij moew werd in de keel en zijn stem schielijk in-zonk. Tja, de dood scheen geluid-schuw, liet zich niet lang door hem verschalken en antwoordde op zìjn beurt met verschalking.

En zoodoende las Pastoor Poncke al minder in den brevier en zocht solaas in de oude veronderstelling, hoe in het Paradijs voorzeker het latijn de gangbare spraak zoude blijken en hij er terdege zijn tong zou roeren. Van Maerlant, Ruusbroec, Böhme — zij taalden allen latijn en hij zou hecht makkerschap met hen sluiten en wijsheid uitwisselen al wandelend door de hemelsche dreven. Wist Pastoor Poncke voor de aangelegenheid betreffende het latijn eenigen balsem te vinden, voor een andere, eender gewichtige aangelegenheid, welke den wijn belangde, vond hij geenerlei troost. Twee keeren per dag schonk Katrijne hem een half bokaalken. Hij hunkerde naar deze momenten. Maar altijd werd hij diep teleurgesteld. Even voor Katrijne heur komst, concentreerde hij zich gemeenlijk op den in aantocht zijnden wijndrank en hij ver-beeldde zich dan den smaak van den wijn in den mond en werd onrustig van verlangst. En dan meldde heur Katrijne en jonde hem zijn rantsoen. Nauwelijks echter had hij genipt of de ontgoocheling vermeesterde hem. Was dit zuivere wijn of een aanlengsel? Argwanend richtte hij den blik op de maarte, wier aangezicht hem heur rein geweten verried. En hij teugde het bokaalken leeg gelijk hij het een heelmiddel van Mijn-Heer Spiessens zou gedaan hebben en zegde nadien:

— De ziel mag er in-zitten, Katrijne —, voor mij is zij vervlogen. Nochtans zal ik den wijn niet verzaken, hij houdt mij in leven, of liever: hij houdt mij aan ’t sterven. En ik sterf zoo gaarne als ik leefde. Ware het niet, dat ik de zwaluws in het hoofd had, ik verkortte mij het verscheiden misschien. Ligt er nog veel sneeuw, Katrijne? Ja? Ik beid op de groote smelting, Katrijne. Hoe vergaat het Socrates? Gij vergeet niet hem te verzorgen? Heeft Jaak haver gebracht? Doe nog een paar blokskes op den haard. Danke, mijn dochter.

Veelvuldig hield Pastoor Poncke’s brein zich bezig met Socrates. De Heer-God had het hem niet toegestaan dat hij Socrates in persoon vaarwel zegde. Hij laakte den Heer-God hieromtrent een beetje. Maar het weten, dat Socrates niet wijd van hem vandaan heemde, stemde hem toch weer dankbaar. En steevast, sinds drie weken, tegen den midnoen, balkte Socrates hem zijn groet. Het wàs een groet, een teweegbrengen van eene dadige verbinding en Katrijne kalde, wanneer zij beweerde, dat het gebeurde uit begeerte naar den voortreffelijken haver van Jaak de groenselier. Wat kende Katrijne van Socrates? Niemendal. Maar hij, Poncke, doorkende Socrates’ ziel tot in de verborgenste roerselen. En als Socrates hem zijn groetnis gezonden had, sprak hij hem toe: — Danke, Socrates. Ik groet u weder, mijn Vriend. Mijne gepeinzen toeven staag bij u als ik dood ben — ja, gij hoort goed, Socrates: dóód — als ik dood ben, zult gij uw leven voortzetten zoo schokloos als thans, dit zweer ik u. Ik heb mijne plannen daartoe al genomen, weet ge. Een stervend man heeft den plicht diergelijke dingen vooraf en secuur te bedisselen, nietwaar, mijn Vriend?

Mid-advent liet Pastoor Poncke Pater Medardus bij zich roepen. Hij bood Pater Medardus geen zate aan en sloeg den Pater eene tamelijke pooze gade aleer hij een woord uitte. Pater Medardus wachtte geduldig, de handen zedig in de wijde mouwen verscholen, en zijne oogen verpinkten niet onder Pastoor Poncke’s eigenaardige vorsching. Het prikkelde Pastoor Poncke een beetje, den Dominicaan zoo bedaard te zien; hij was welhaast genegen entwat van uittarting in diens houding te ontdekken — waren er daar niet die honden-oogen geweest…

Onverhoeds begon Pastoor Poncke te monkelen en hij sprak:

— Ei, ei!… Tja, ge zijt nu hier en ik moet uit mijn knop piepen. Zet u, bidde ik u. Zie, mijn waarde, bereids gedurende een etmaal voel ik mij uitzonderlijk monter.

— De genezing!, meende pater Medardus goedig. — Gij zult genezen. Ik bad voor u en de parochie bidt voor u. Mij wordt uwe genezing alsaan zekerder. Een straf gebed…

— Danke. Fraai van u, mijn waarde. Alevel, gij liet mij niet tenden spreken. Ik voel mij op heden danig monter, gelijk ik daarseffens verklaarde… de goesting bekruipt mij, mijne sponde te verlaten… Maar ik doe het niet. Te schel ben ik mij ervan bewust, dat mijne beenen mij niet zouden kunnen torsen… ge zoudt mij ineenzijgen zien gelijk een sneeuwvent bij dooi… Natuurlijk, genezen zàl ik: de Heer-God en de dood zullen mij genezen.

Pater Medardus schudde het groot hoofd.

— Ik versta mij er niet aan, dat gij…

— …u tot geen heelmeester wendt. Nietwaar, dit wildet gij mij zeggen! Och, mijn waarde Pater, heelmeesters — duizend werven bracht ik het te berde —, heelmeesters zijn halfmeesters. Gij waant toch niet, dat men Gods raadsbesluit kan ontloopen? — Dat niet, beaamde de Pater, — maar…

— Welnu dan! Het is Gods raadsbesluit, dat ik, in déze kamer, op déze plaats, héé, levend te verhongeren lig. De maag groeit mij dicht. Het mes van de chirurgijn zou eraan te pas moeten komen. Er zou een genie lijk Boerhaave van Holland voor vannoode zijn teneinde het vlijm er in te zetten en mij dan nog twee dagen te doen ademen. De maag is een broos punt. Usque adeone mori miserum est?1 1 Is sterven zulk een jammerlijke zaak? Neen. Daarom: Dum licet obducta solvatur fronte senecus,2 2 Dat de grijsheid vroolijk weze zoolang zij het nog vermag. ook al telt het dum spiro, spero3 3 Zoolang er adem is, is er hoop. niet voor mij. Mijn hoop heeft zich ganschelijk naar de ziel verlegd — eene niet te onderschatten verandering. Ik zegde: ganschelijk. Een gezond man is immers een gebondene aan de aarde, min of meer! Denk op u-zelf. Niet dat ik u gispen wil — maar gij zijt met den refter uitnemend op de hoogte. En hier hebt ge meteen mijn grief jegens u-liên Dominicanen. Gij betracht geen mate. Neen, láát mij het woord. Ik kreeg intusschen van u al een gunstiger gedacht — vermits uwe ziel bloot uitschouwt door uwe pupillen. Gij zoudt een Franciscaan hebben kunnen zijn. Felleren lof kan ik u, dunkt het mij, niet toebedeelen. Hier hebt ge mijn hand, mijn Vriend. Zij is bijkans doorschijnend, mijn hand. Neen, ge bezeert mij niet. Danke.

Er ontstond een stilte.

Pastoor Poncke staarde voor zich uit.

Pater Medardus vingerde aan zijn lende-koord en hij pufte efkes alsof hij het zwaar heet had.

Al glarend zegde Pastoor Poncke lijk tot zichzelve:

— Men kan zich geen schoonere dagen droomen dan deze van den Advent… dagen van fijn-zinnige meditatie… grootsche dagen…

Hij wendde het aangezicht naar Pater Medardus:

— Gij zijt dit met mij eens, bevroed ik?

— Ja, zegde Pater Medardus gedempt.

— Ja, nam Pastoor Poncke van hem over en zijn oogen gingen glanzen. — De Geboorte is iets ontzaggelijks… de Heer-God schept de aarde lijk van her èn den mensch, vooral den mènsch, mijn Vriend! De erfschuld verijlt gelijk rook… de witte gloed van het Kind wil onze zielen kuisch branden… de heilige Kans is gekomen… hosannah! ’Laas, het menschelijk schepsel heeft de klok hooren luiden, maar wist niet waar de klepel hing… : Goed, zegt de Heer-God, dan red Ik u willens-nillens! Wederom: ’laas, mijn Vriend, de mensch wenschte niet gered te worden… de zonde lokt zoo schoon… zij taalt zoo zoet… Ach, het kuddeke kerstenen zal altoos gering in getal zijn… idealisten zijn zeldzaam, nietwaar? Maar ìk ben een idealist, mijn waarde. En gij eveneens. Meen niet, dat ik mij thans vlekkeloos roem… héé, ge hebt Katrijne maar naar mijne beide togen te vragen… er zitten daar rijkelijk smetten op… van bìnnen bij mij is het algelijk niet zoo hachelijk. Nochtans, roet is roet. Ik was een strop van een jongen in mijn jeugd: in boomen klauteren vanwege de vogelnesten en de eikes kapen, boogaards plonderen tot schrik van de boeren — onrijpe appels zijn lekkerder dan rijpe, mijn Vriend! —, groote menschen plagen binst zij noest aan het wrochten waren… Och, mogelijk hebt ook gij diergelijke perten uitgehaald — en God deed het u subiet becijnzen: met buikkramp, een gescheurde hooze, een vlammenden oorklikker… Neen, daarin steekt de zonde niet. Maar ge wordt ouder, mondiger… Ge gaat zelfstandig aan het denken. Ge rebelleert aleens tegen den Hemel. En ge wordt priester en vermeet u nòg zelfstandig te denken en, ho, dan hangt het gevaar aan uw hals! Tja, ik heb mijne vlekskes, mijn Vriend. Ik heb er grondig over nagedubd. Ik zou heel zuiver willen zijn op den dag van de Geboorte. En daarom wil ik Ons-Heer ontvangen. Ik ben nu eenmaal in extremis. Neen, geen tegenspraak. Vanavond, tegen den schemer, verwacht ik u. En ik wil nu probeeren een uurke te sluimeren.

En op den gestelden tijd ontving Pastoor Poncke Ons-Heer en prees Pater Medardus nadien:

— Danke, mijn Vriend, gij kent uwen stiel. Eh, kom eens met uw oor bij mij…

En Pastoor Poncke, als vreesde hij, dat een buitenstaander hem beluisteren mocht, fluisterde hem den raad in, zijne sermoenen niet op fluweelen voeten te doen tiegen: — Mijne kinderen, mijn Vriend, zijn ruig van aard, ik ben bang, dat gij ze te zachtzinnig aanvat… schudt ze bij den kraag, raad ik u — en gij schudt ze Godwaarts. Verstaan?

Met schier bovenmenschelijken wil hield Pastoor Poncke zijn hartslag in gang, teerde op dagelijks een paar lepels meelspijs en een luttel wijn en schertste in dit verband wijsgeerig: — Pront teveel om te sterven en pront te weinig om te leven, Katrijne. Alzoo bied ik het Leven en den Dood elk het zijne, is er balancement. Sterven, Katrijne-dochter, acht ik een kunst — het sterven puur harmonisch te bedrijven, vermeen ik. In mìj reiken Leven en Dood elkaar gelijk kompanen de hand en ik ben hun bijaldien geen slagveld. En Ons-Heer glimlacht over mij, Katrijne. Stervers gelijk ik liggen niet in menigte te grijp. Ik heersch als het ware een aasjen over Dood en Leven — voor zooverre het mijn persoon betreft dan. Ik verkondig zulks niet uit verwatenheid. Ik ben uiterst deemoedig. Ik betwijfel het niet, of de Heer-God is bekwaam met eene pink-beweging aan mijn spel slot te maken. Zijn genade echter laat mij betijen. Ik was Hem nimmer een mokkende knecht. Met overgave diende ik Hem, Katrijne. Ik beschouw het als een soortement van belooning, dat Hij mij toestaat de lente te verbeiden. Mijn begeerte wortelt geenszins in zelfzucht. Verreizen als de volgelkens van het geluk gearriveerd zijn, als de grassen zich vernieuwen en schuchter alle bloeiïngen aanvangen — het is symbòlisch verreizen, dochter Katrijne. Doodgaan gelijk ik het verrichten wil — het heeft warm deel aan de lente. Want ik zal zóó sterven, Katrijne, dat men het méde een ontbloeien benamen moet. Zegdet gij mij gister niet, dat buiten de groote dooi aan het gebeuren is? Ik hoor de goten loopen en het geluid is mij muzijk. Ik bevind mij behaaglijker dan ooit. Ik haak naar de komst der zwaluws. Ik tel als het ware de stonden af — gelijk kinderen het plegen in de weken voor Sint Nicolaas, maar niet eender ongeduldig. De wijsheid weet te wachten. Ge peinst toch niet, dat ik ijl-klap uitsla, Katrijne? Ik hoorde een stonde weêrom de Onze Lieve Vrouwe luiden. Wie ligt er over-aarde, Katrijne?

— Eene der Ruttaertgezusters.

— Toch Roozeke niet?, schrok Pastoor Poncke.

— De oudste, zegde Katrijne.

— Godlof, zuchtte Pastoor Poncke. — God erbarme zich over haar. Hoe is dat zoo gekomen?

— Een gerochtheid, zegt Corneel.

— De dood verschijnt lijk een dief in den nacht. Ik ben content dat hij Roozeke met rust liet. Roozeke is een braaf meiske. Van Melanie zoude ik zulks niet met de hand op het hart durven zweren. Ik zal seffens voor haar bidden. Nochtans vrees ik, Katrijne-dochter, dat zij er niet zonder felle schrobbering zal vanaf zal komen en dat zij opterminst een kwart eeuw in den Voorhof des Hemels het vagevuur zal moeten anti-chambreeren. Gelukkig beduidt een kwart eeuw in de eeuwigheid slechts een tel of wat — maar toch nog lang genoeg om gildig te wroegen over uwe kwezelarijen en na-ijver. Ho, ik zou bijkans uit de biecht spreken. Vergeef het mij, Heer. Ge kunt gaan, Katrijne. Danke.

Het werd Maartmaand 1786.

Nu zouden de zwaluwkens, zon Pastoor Poncke, langzamerhand, ginder, in de Zuidersche landen, vergaderen, teneinde den tocht naar Vlaanderen onderling te beramen. In den geest zag Pastoor Poncke hen nevenseen snoeren op de dakranden van oriënten en hoorde hij hen twisten op het stuk van het vertrektijdstip. Hier in Vlaanderen had de vriezing algeheel uit. De wind woei uit een zuid-west, volgens Katrijne, en ge voeldet de zon duidelijk door uw vel bakelen. Ei, wellicht wàren de zwaluws reeds onderweg, zwermden zij boven de blauwe zee der middellanden. Tja, en alsdan zoude het maar enkele dagen meer lijden eer Katrijne hem de blij-mare bracht.

— Nòg niets?, vraagde Pastoor Poncke de maarte telkens wanneer zij op de kamer kwam.

En Katrijne’s ontkenning ontwrichtte hem niet. Het lag in het vaste bestel der dingen, dat de zwaluws zich op zekeren uchtend vertoonen zouden aan Katrijne heur oog. En ook Pruyck en de grafmaker waren door haar tot uitspieden opgevorderd. En dat hij zich al sneller te verzwakken wist, hij legde het zich ten beste uit. Verzwakken was niet: zwichten. Hij zou het voorzeker uithouden.

En tegen het einde van lentemaand boodschapte Katrijne hem op een uchtend:

— Ze zìjn er, Eerwaarde!

Pastoor Poncke duwde zich overeind:

— Ge zegt, Katrijne? Ha!

Uitgeput zeeg hij terug.

Katrijne boog heur over hem:

— Eerwaarde, wat ìs er, wordt gij niet wèl?

— Er is mij niets, Katrijne-kind. Uw bericht overstelpt mij een weinig. ’t Is subiet in orde. Blijf, en laat mij efkes bekomen.

Pastoor Poncke had de oogen gesloten. Hij ademde jachtig, herwon de beheersching, monkelde, opende de oogen, zegde zacht:

— Het is mij zeer loom te moede, Katrijne. Niet in het rampzalige, maar in het gelukkige. Het zal nu spoedig met mij voorbij zijn. Ik zeg Horatius na: Age nunc, finis meorum annorum…1 1 Kom thans, einde mijner jaren…

Zijn stem wierd luider:

Katrijne, ge moet, op drie ure te noen, Mijn-Heer den Notarius Vercuyck te mijnent ontbieden. Het is vanwege mijn testament. Neen, laat het u niet beroeren. Ik lééf nog, Katrijne-kind —, ik lééf nog. Als ik weg ben, ga dan uw gang en lucht de borst. Aan vrouwen is dit geoorloofd. Feminis lugere honestum, viribus meminisse. Dat is, in betrek tot den dood: der vrouwen gevoegt treurnis, den mannen herinnering. Hetgeen in het latijn vervat is, is wet. De wet wil gehoorzaamd worden. Héé, ik word vroolijk, Katrijne. Het is bijkans, alsof ik een tikkeltje teveel van den wijn ingeladen heb. Een testament is een djente zaak. Het is het besommen van uwe bezittingen, waarvan gij u wenscht te ontdoen. Het is het breken van de laatste aarde-banden. Ge weet u hemel-rijp geworden, nadien. Zou men dan niet vroolijk worden? Zend Pruyck als bode, Katrijne. Of den grafmaker. Zulks is mij egaal. En wanneer Pruyck of Corneel zijn taak bij den Notarius vervuld heeft, moet hij naar Mijn-Heeren de Schepene Fonteyne, Spiessens en Koeckaert gaan. Zij dienen te vier ure zich hier te vervoegen. Zij waren mijne Vrienden en ik wil hen vaarwel zeggen. Katrijne, geef mij uw hand. Katrijne, mijn eerste vaarwel geldt u. Gij waart een Vriendin voor mij, gij hebt recht op mijne uitzonderlijke erkentelijkheid. Héé, zonder u was ik al jaren eerder verhongerd! Nietwaar? Nietwaar? En hoe nobel wist gij de spijzen te bereiden! Het vocht loopt mij in den mond als ik peins op een door u geroosterd kapuinken. En gij waart eene getrouwe maarte. Gij hadt uwe lastigheden. Och, ik eveneens de mijne. Doch uw getrouwheid en uwe keukendaden bleken onberispelijk. Bovendien toondet gij u bijwijlen niet onschrander. Gij hebt veel van mij begrepen. En hetgene gij niet in mij te doorgronden vermocht, ge kweldet er u niet over, ge schooft het vernuftig terzij. Drie wezens waren mij het liefst op de wereld: gìj, Katrijne-dochter, Sòcrates en de Bàljuw. Het zal uw aandacht getrokken hebben, dat ik den Baljuw niet laat nooden. De Baljuw namentlijk zal mijne laatste oogenblikken beleven, weet ge. Hij is een on-godist. Het zoude kunnen zijn, dat mijn sterven hem tot beter inzicht brengt. Maar ik dwaal af. Ik wil u niet te lang folteren, alhoewel gij u moedig houdt, Katrijne. Gij waart een excellente vrouw. Relegentem esse oportet; religiosum nefas. Men moet zich godvruchtig gedragen, niet femelachtig. Femelarij weerdet gij steeds vàn u. Ik prijs dat in u —, hoogelijk, Katrijne. Ik had altijd een afschuw voor kwezels gelijk Melanie Ruttaert-zaliger. Geloof mij, dat Ons-Heer van dezulken niet gediend is. Gìj echter komt in den hemel, Katrijne —, zoo vast gelijk ik er kom. Ik zoude u vlot het bewijs van mijne hemel-zekerheid kunnen leveren, had ik een kersouwke hier. Ik zoude de bladjes ervan uitplukken, één na één, gelijk gelieven het bedrijven. Ik zou er bij litaneeren: Hemel; hel; vagevier; hemel; hel; vagevier… Het leste blaadje zou den Hemel profeteeren. Is er een kloeker bewijs, Katrijne? ’Laas, bloeien er nog geen kersouwkes. En bovendien riekt een diergelijke doening ietwat naar bijgeloof, naar ketterij — een liefelijk bijgeloof, een liefelijke ketterij, geloof mij. Ons-Heer maakt zich er niet kwaad op, integendeel… Ik dwaalde alweder af, Katrijne. Katrijne-dochter, ik zegen u uit Naam van den Heer-God. En ik dank voor al wat gij voor mij deedt. Gij hebt immer, nietwaar, de verlangst bezeten, Uwe levensdagen te beëindigen bij de bagijnen. Nu kunt gij er heentrekken, want mijn testament zal uw faam boekstaven in een vorm, die u de gelegenheid schenkt uwe verdere jaren in aangename devotie te slijten. Ei, gaat ge nu tòch aan het schreemen, Katrijne? Héé, ìk heb toch meerdere reden ertoe dan gìj en ik laat geen traan. Laat mij dan maar alleen en ga naar beneden, Katrijne.

Op noenstonde van drie week de deur van de krankenkamer open en Mijn-Heer Vercuyck, in ambtsgewaad, effen zwart lakene mantel en gladde blanke bef, tord binnen. Onder den arm klemde hij een gewichtige map en hij halteerde steil op de vloermat, boog vervolgens waardig, richtte zich weêr recht, kuchte droog en sprak gedempt:

— Hier ben ik, Eerwaarde Heer Pastoor. Uw verzoek bij u te komen was mij een heilig bevel. De bescheiden draag ik met mij.

— Héé, mijn Vriend, waartoe zoo dor getaald. Ben ik u een vreemdeling in Jerusalem? Zijt gij den avond ten huize van den Baljuw vergeten? Verkeerden gij en ik niet steeds op voet van vriendschap met elkander? Ik bevat u niet bijster. Ontsmijt u voor drie vierendeel den Notarius. Bejegent gij uwe uiterstewille-cliënten altoos op deze wijze? Tut-tut, gij zijt toch geen doodbidder? Kom nader, mijn Vriend.

Verschooning, zegde Mijn-Heer Vercuyck, — een krankensponde is geen festijndisch. De Notaris in mij wil het zijne. Hm, ik wist niet… ik wist niet… Verschooning

Zijn houding versoepelde eenigermate en hij trad op de sponde toe, kuchte van her en sprak:

— Hoe vaart u, Eerwaarde?

— Héé, mijn Vriend, voor den wind wat de ziel belangt, en wat het lijf betreft — permintelijk het andersomme. Vandaar dat ik u riep. Poncke blijft niet lang meer in uw midden. Quid sine pectore corpus?1 1 Wat is het lichaam, waar geen kracht meer in is? Maar mijn geest is courageus, mijn Vriend. Wanneer ik mijne handen van de sargie licht, is het alsof ik een loggen boomtak moet verzeulen. Nochtans berust ik. Héé, wat kan ik anders doen dan berusten! Affaires gaan voor de minne. Schuif de tafel wat dichter bij mij. Het spreken vermoeit me rap. Vindt gij, dat ik helder spreek?

— Merkwaardig helder!, achtte Mijn-Heer Vercuyck.

Helder, doch niet zwaar luidelijk, nietwaar? Dat is de stem van den Dood. De Dood zou nooit een sermoen afsteken. Ik ben van den Dood, mijn Vriend —, een geteekende, een verkorene, naar mijn ongewaagd bevroeden. Danke. Veder en inkt staan vóór u. Ik zal u mijn testament dicteeren, al zal men op mijn schrijn den sloter niet moeten leggen. Poncke’s ponke heeft niet veel bedied. Ik verheerlijk, met Franciscus van Assisie, de armoe als heel heilig. Het oog van de naald zal mij vlot door-laten. Ik vang aan, mijn Vriend!

Mijn-Heer Vercuyck haalde omslachtig een grooten, breed omhoornden bril uit een geel-beenen doos, plantte hem boven den smallen neuswortel, schikte de haken achter de ooren, doopte de ganze-pen in den inkt, effende het maagdelijk papierblad en schraapte de keel en knikte:

— Ik ben vaardig tot de acte, Eerwaarde.

— Welaan dan. Tja, efkes zinnen; het is voor de eerste maal, dat ik testamenteer. Ik zal traag dicteeren, mijn Vriend. Hoor toe.

Ik, Poncke, Benedictus, Pastoor binnen de Parochie Damme in Vlaanderen (hebt gij ’t?), Bedienaar des Altaars in de Onze Lieve Vrouwe-kerk aldaar, zijnde krank ten doode, maar niettemin nuchter bij zinnen als wellicht nimmer tevoor en deshalve in het volledig bezit van mijn geheugen — ik geheug mij mijn pastoraal bedrijven tot in de fijnste bijzonderheden vanaf mijn eerste sermoen tot mijn leste, ’laas, mijn leste! —, doe op heden vanuit mijne sponde mijn uitersten wil kennen en eisch, dat na mijnen dood, de hieronder te openbaren schikkingen zonder hapering worden uitgevoerd:

In primis, Ten eerste. wat mijn stoffelijk hulsel betreft, men bedde het na mijn afsterven in een ruw houten schrijn na het mijne beide soutanen te hebben aangedaan, opdat de spreuk vervulde worde: Omnia mea mecum porto.1 1 Mijn gansche have draag ik met mij.

Item. Het volgende punt. Mijn graf worde gedekt met een naakten, effen zerksteen, opdat de wandelaar mij gemelijk passeere als lag het lichaam van Benedictus Poncke nìet daaronder, want wat is het lichaam eens menschen? Aarde van de aarde en niemendal meerder en niemendal minder. En nimmer was ik per slot ijdeltuitig. — Hebt gij ’t? —

Mijn-Heer Vercuyck hief het hoofd:

Verschooning, ik heb het. Het komt mij echter voor, Eerwaarde, dat gij deze beschikking… hm… valschelijk baseert. Gij wenscht, dat uw graf niemands aandacht trekt. Op deze wijze bereikt gij zulks — verschooning — slechts lastig. Uw zerksteen zal de eenige zijn zonder inscriptie. De wandelaar raakt hierover in verbazing. Hij klampt den grafmaker aan en hij verneemt, dat de steen de uwe is. Dies houdt hij uw naam heftig in leven, spijts uwe oogmerken.

— Héé, dan geschiedt het volkomen buiten mijn schuld en jaag niet ìk op roem, maar de roem op mìj. Tegen zoo entwat kan ik mij niet verdedigen, Mijn-Heer Vercuyck. Ik ga verder.

— Ik luister, Eerwaarde.

— Item. Ik schenk Katrijne Celestine Houwaert, mijne maarte, die mij heure kostelijke dienstbaarheid uitermaten gaaf toewijdde —, ik schenk Katrijne alle mijne meubelkens en al het keukengerief et cetera, en al mijn baar geld plus de twee waardepapieren, welke te vinden zijn op het schab in mijne librije achter de root boeken… — Ja, mijn Vriend, ik ben rijker dan ik vermoedde. Die actes erfde ik voor jaren van een nonkel van mij. Ik was ze vergeten. Ze lagen al dien tijd op het schab. Ik ontdekte ze eenige maanden her. Ze zijn van een scheepvaartsociëteit — wèlke is mij ontglipt. Ik dacht, dat ze waardeloos waren geworden, maar de Baljuw zegde mij het tegendeel. Och, ik hechtte nooit aan munt. Het is een demonieke uitvinding. Wat hebt gij zooefkes neergeschreven, mijn Vriend?…

— …twee waardepapieren, welke te vinden zijn op het schab in mijne librije achter de root boeken…, las Mijn-Heer Vercuyck stijvelijk.

— Danke. …opdat zij — de maarte, mijn Vriend —, opdat zij heur inkoope op het bagijnhof en een wit leven leide tot aan haar stervenszucht.

Item. Ik stel mijn weergaloozen Vriend Socrates, dien ik in den hemel zal wederzien — de dieren belanden allen in het paradijs, mijn Vriend, vermits zij schuldeloos zijn. Toefden zij niet reeds in den Hof van Eden, den Tuin der Gelukzaligheid door den Heer-God oorspronkelijk als bestendig bedoeld? Hebben zij hun recht op den hemel deels verbeurd, gelijk de domme mensch? Neen, nietwaar! — …zal wéderzien, onder de veilige hoede van den huidigen Baljuw van Damme, Mijn-Heer Hemerijck, woonachtig ter stede in de Reigerstraat, opdat mijn Socrates goê-leve tot aan zijn einde en ik schenk Mijn-Heere Hemerijck, na Katrijne en Socrates mijn genegenste Vriend, mijne boeken en mijne door mijn hand gewrochte geschriften, welke laatste hij echter geenerlei bekendheid geven mag — hij vermeie zich erin en hij zal er voorzeker God in gewaarworden. — Ge hebt het, Notarius?

— Ik hèb.

— Item. Ik laat den Eersten Schepene Fonteyne van Damme mijn gaanstok met elpenen bol na, opdat hij zich mijner beminnelijk heuge gedurende zijnen gang vanaf zijn huizing naar het Raadhuis en omgekeerd, want ik acht den Schepene hoog uit oorzaak van zijn rechtschapenheid en zijnen smakelijken lach.

Item. Ik schenk Mijn-Heer René Koeckaert, Stadsschrijver van Damme, te mijner gedenkenis mijne zilveren snuifdoos met Katherina-van-het-rad erop uit gehamerd, welke Heilige, volgens mijne ervaringen, de kracht van de snuif schijnt te verdubbelen, of ik zoude mij al bijster moeten vergissen —, schenk den Schrijver onderhavige snuifdoos mìts hij het eenzaam geworden Roozeke Ruttaert na verstrijking van den rouwtijd wegens het afsterven harer zuster Melanie, huwe, want het is mij, Pastoor van Damme, niet verborgen gebleven, hoe Mijn-Heer Koeckaert en Roozeke Ruttaert eene heimelijke minne onderhielden, welke de snoodaardesse van een Melanie — Ons-Heer erbarme Zich over haar — poogde te vermoorden. — Hebt gij dit, mijn Vriend? Tja, daar kijkt ge van òp, nietwaar. Damme heeft zoogoed zijne tragedies als Brugge. Ik evenwel verander het treurspel in een blij tooneel!

— Wanneer u het te fel aangrijpt, Eerwaarde, kunnen wij een moment pauseeren…

— Mijn Vriend, mij grijpt niets aan dan de Dood. En de Dood is begoocheling, is niemendal. Kan niemendal u aangrijpen? Hoor toe.

Item. Ik schenk Mijn-Heer Spiessens, Apothecarius binnen deze stede, mijn boog en pijlen, opdat hij niet langer schiete met de wapens van Voltaire, doch met het wapen van mìj, Benedict Poncke, hetgeen hem stellig van zijne dwalingen heelen zal en zijne wankelingen voorgoed uitroeien.

Item. — Pastoor Poncke monkelde verstolen — Ik schenk Mijn-Heer Antonius Gerardus Vercuyck, Notarius van Damme, mijnen voorraad wijnen. — Voltòòi, mijn Vriend! En verheug u! Voor slechte wijnen had ik nummer ambitie, gelijk ge weet. Peinst gij, dat ik niet bemerk, dat er een blos op uwe kaken bloeit, welke mij verraadt, hoe gij mijn advijs van indertijd praktijkelijk hebt volbracht? Proficiat, mijn Vriend. De wijn leve! ’Laas, ìk ben thans gìj, gìj mìj. De wijn verloor zijne lokking voor mij gelijk hij destijds geen bekoring had op u…

Mijn-Heer Vercuyck hoestte, tastte naar zijnen neusdoek.

— Een valling, een valling…, prevelde hij verward.

— De lente heeft hare tuimen; zij doet, per exempel, mìj sterven, bevestigde Pastoor Poncke. — Wij zetten voort…

Item. Ik schenk mijnen tijdelijken plaatsvervanger Pater Medardus van de Dominicaner orde mijn brevier, welke verlezenheid, waaruit mijn noest bestaan ademt, hem uitzonderlijk stichten en het inzicht bij hem wekken zal, dat een simpel pastoorke in devotie zelfs een Dominicaan evenaart en buitendien vormt mijn brevier mijn muzijkboek, want zingend is alle Latijn.

Item. Ik schenk der Heilige Moederkerk… — Gij schrìjft niet, Mijn-Heer Vercuyck! Ah, schrijf gerust verder, dat gedruisch, beneden, stamt van de overige Vrienden, van wie ik mij seffens verafscheiden wil — : …Ik schenk der Heilige Moederkerk — hebt gij ’t, Notarius? — …der Heilige Moederkerk niemendal, daar ik Haar reeds mijn gansche leven gaf, hetgeen de Liefde is waarvan Sint Paulus spreekt.

Item. Ik geef mijne geliefde Parochianen mijne innige groetenis en de verzekering van mijn gebed voor hen, hierna, in het Rijk der Eeuwigheid.

Dit is mijn uiterste wil, ten getuige waarvan mijne naamteekening strekke, hieronder gedeponeerd op den — hoeveelsten hebben wij, mijn Vriend? — — Den drij-en-twintigsten, zegde Mijn-Heer Vercuyck.

— Alzoo: op den drij-en-twintigste van Lente-maand Anno Domini Het jaar onzes Heeren. 1786.

De veder gribberde over het papier.

— Gedáán, zegde Mijn-Heer Vercuyck, en hij zaaide een handvolleken fijn zand over het geschrevene en beidde.

— Een schóón testament! Nietwaar, mijn Vriend? Gij vervaardigt ze dusdanig niet elken dag…

— Neen… neen, antwoordde Mijn-Heer Vercuyck verstrooid en liet behendig het zand weêrom in het glazen potteke riezelen.

— Dróóg, keurde hij.

— Tja, sprak Pastoor Poncke op mijmerenden toon, — tja, mijn Vriend, ik heb zonderling gelééfd en ik stèrf zonderling en ik kan het begrijpen, dat de Kerk zich een tikske voor mij schuwde. Héé, ware ìk de kerk, ik beleed het eender standpunt.

Mijn-Heer Vercuyck was opgerezen en bood met een hoofsch gemeende nijging Pastoor Poncke het op de map rustend testament ter onderteekening aan.

— Bij dìt streepke, alstublieft, Eerwaarde.

Moeizaam krabbelde Pastoor Poncke zijn naam neder:

— Och, het kàn zoo wel, maar het is schrikkelijk leelijk gelukt. Mijne vingeren zijn niet meer van mij. Het geschrift van den Dood zal wel altijd sierloos zijn. Ik ben content, dat het achter den rug is, mijn Vriend. Wanneer gij thans onze Vrienden boven wildet verzoeken.

De Notaris bewilligde en luttel naderhand trad hij van her binnen, op den voet gevolgd door den Schepene, den Stadsschrijver en den Apotheker. Schepene Fonteyne stapte ras op Pastoor Poncke toe, loech gelijk een zon, poogde zijn aangezicht strak te krijgen, loech niettemin, vatte Pastoor Poncke’s witte hand en zegde met het hart:

— Ik ben zoo gaarne gekomen, Eerwaarde!

Danke, mijn Vriend. Ik weet het, ik weet het, zegde Pastoor Poncke. En den blik richtend op den langen, schuchteren Stadsschrijver: Treed vrij nader, mijn Vriend. En ook gìj, Mijn-Heer Spiessens. Ei, het lijkt wel alsof gij u achter Mijn-Heer Koeckaert versteekt. Voltaìre, Mijn-Heer Spiessens? Het stekelig gewéten, Mijn-Heer Spiessens? Uwen tijd verdeeld tusschen den Franschman Voltaìre en de Evangeliën?, schertste Pastoor Poncke.

Mijn-Heer Spiessens bloosde.

Tja, mijn Vriend, mijn blik spiedt nog terdege!, voer Pastoor Poncke voort. Eh…, héé, zijt gij allen aanwezig? Danke. Gij peinst op den Baljuw? Hìj komt apartelijk.

Mijn-Heer Koeckaert bewoog nerveus.

Mijn-Heer Spiessens keek terzij op den bodem. Mijn-Heer Fonteyne voelde zich heet worden, duwde zijn paruik entwat achterover, zuchtte, loech. Mijn-Heer Vercuyck stond achter het door hem gebezigd tafeltje, steunde met beide vuisten op het mahonieblad, als zoude hij eene vergadering gaan openen.

— Mijne Vrienden altemaal, zegde Pastoor Poncke hel, — het is mij een geneucht u hier te weten. Op mìj is, ’laas zoetekes-aan het morituri te salutant1 1 Zij, die gaan sterven, groeten u. der Romeinsche gladiatoren toepasselijk. Ik zeg: ’laas. Want ik heb gáárne geleefd, ik hield er zelfs hartstòchtelijk aan. Ik was een groot minnaar voor den Heer, van Damme en Vlaanderen, en ik was diep erkentelijk voor de genegenheid jegens mij van de Dammenaren en voor uwe vriendschap. Er moge zich, wat het laatste aangaat, al eens eene hapering hebben voorgedaan — nietwaar Mijn-Heer Spiessens? —, maar wat zoude ons het licht zijn zonder de schaduw! En mede in den hemel, vertrouw ik, zal het licht kenbaar blijken aan de schaduw, al zullen er de contrasten minder scherpelijk schrijnen. Ik verheug mij op den hemel, mijne Vrienden. Mijn-Heer Vercuyck — het zal u niet ontsnapt zijn — op de vensterrichel staat een bottel bourgogne met vijf kelkskens. Schenk de kelkskens vol, bidde ik u, uitgeweerd het mijne — ik wensch slechts voor de leus bescheid te doen, een volwaardige dronk is mij namentlijk te machtig geworden.

Pastoor Poncke verstilde.

Mijn-Heer Vercuyck schònk, reikte allen hun glas.

Pastoor Poncke tilde het zijne. Zijn gebaar was onzeker. En zijn stem wankelde:

— Mijne Vrienden, dit is, gemeten met aardsche maat, een afscheid voorgoed. De Dood waart door deze kamer — ook gìj ervaart zulks. Mijn puike Vriend de Baljuw zegde mij eens een variant op de uitspraak van den filosoof Toxaris, een uitspraak omtrent Solon en Athene: Viso Poncke vidisti omnia: Hebt gij Poncke gezien dan hebt gij alles (te Damme) gezien. De Baljuw wilde te kennen geven, dat ik, Poncke, Dàmme ben. Geestelijk geredeneerd zal mèt mìj Damme zijn ondergegaan. Met eenig voorbehoud en zonder te willen ijdeltuiten, geloof ik, dat onze Vriend de Baljuw niet gansch falikant mikte. Nietwaar? Danke voor uwe beaming. Teneinde Damme nu te redden, heb ik gemeend te trachten mijn afwezigheid te herstellen door u in mijn testament te gedenken. Gij allen zult na mijn dood een voorwerp ontvangen, dat allengs vervuld is geworden van mijn geest, mijn sfeer. Poncke mag in den loop der tijden bij velen in de vergetelheid raken, bij u zal dit niet zoo wezen. Het u door mij toegedacht voorwerp zal alle vergetelheid verhinderen tot heil van Damme en — vergeef het mij — van u-zelf. Echter heb ik aan elk voorwerp een gebruiksaanwijzing of eene voorwaarde verbonden, maar het één noch het ander valt zwaar uit te voeren. Mijn-Heer Vercuyck kan u zulks getuigen. Nietwaar, Mijn-Heer Vercuyck? Danke. En thàns, Vrienden — ai, gij kijkt allen zoo sip, zelfs gìj, Schepene! Vrienden: tetrica sunt dissipanda jocularibus! Verdrijf de droefenis door opgeruimdheid. Ad fundum! letterlijk: tot den bodem; gezondheidswensch. Bibe laete cum pastore tuo!1 1 Gezondheid. Drinkt vrolijk met uwen herder!

Pastoor Poncke had zijn glas hooger getild en de laatste woorden sprak hij eenigszins schril uit. En terwijl de Vrienden van den wijn teugden, daalde zijn hand met korte zwaaien, bijkans gelijk een herfstblad, en als zijn hand de sargie bereikte ontspanden zich zijne vingers rond den kelkvoet en het glas kantelde zijlings in een dekenholte. Pastoor Poncke’s hoofd leek dieper in de peluw te pressen en hij look langzaam de oogen.

En toen sprak iemand in het vertrek — geen der vrienden wist, wie er sprak en wist tevens dat hij de spreker had kunnen zijn — het woord: dóód.

Pastoor Poncke vernam het en de lijnen weerszijds zijn mond plooiden zich in een monkeling en zijne oogleden kierden. En hij zegde:

— Héé, nòg niet, Vrienden —, nòg niet. …Valete. Gegroet.

Hij sloot de oogen van her. Hij hoorde de Vrienden ondereen fluisteren, hoorde hoe zij zich stilkens verwijderden. En daarna wierd alles heel vreemd met hem, of al wat aarde was wijd van hem vandaan gleed. Hij besefte, waak te zijn en nochtans te droomen. Beelden kwamen, werkelijk en onwerkelijk ineenen. Hij zag lijk een rechtstandig ovaal gat in een zwarten wand en in dit gat verscheen de gedaante van Mieke Marol en zij bewoog de lippen en Pastoor Poncke verstond hare zegging, hare konde: — Mijn-Heer Pastoor, het is hier héél goed! En Mieke trad achteruit om stee te bieden aan Sanderken Teirlinck. Sanderken keek Pastoor Poncke ernstig aan, maar niet verdrietig en ook hij zegde: — Mijn-Heer Pastoor, het is hier héél goed! En Sanderken trad achteruit, verwaasde en het ovaal gat verwaasde en de wand wierd grijs, zilverig grijs. …Hola, dacht Pastoor Poncke, dat zijn rare visioenen! En hij ontschudde zich het eigenaardig gevoel, dat hem overmande en opende moeizaam de oogen. …Tja, dit was de kamer van de pastorij en toch bleef entwat de totale herkenning stremmen. Het afscheid heeft mijn einde verhaast, dacht hij —, de dood is resoluut aan mij begonnen… En: Niet langer peinzen, soesde hij —, niet langer peinzen

Hij lag en hij had de ondervinding, alsof hij zwévend en zwévend roèrloos lag en buiten den tijd. Soms meende hij, dat Katrijne de kamer binnen tord, heur tot bìj hem begaf en dat zij hem iets vraagde en dat hij heur antwoordde: — Niets, Katrijne —, heelegaar niets… En dat hij haar eenmaal antwoordde: — De Baljuw, Katrijne

Och, dit kon alles waarheid, maar het kon evenzeer begoocheling zijn. Doch op een moment schouwde hij den Baljuw inderdaad en de Baljuw legde zijn hand op de zijne, hij bemerkte het duidelijk. Maar het moest toch reeds ver met hem, Benedict Poncke, gekomen zijn.

— Eerwaarde Vriend, zegde de Baljuw.

…Tja, ditkeer was er geen twijfel aan. De Baljuw wàs er. Nog éénmaal, en voor het laatst, de áárde.

Het docht Pastoor Poncke, dat hij zichzelf omhoogstuwde tegen de peluw en het docht hem, dat hij klaar taalde:

— Mijn Vriend, het loopt rap met mij af… Denique coelum…1 1 Eindelijk de hemel. Zie toe, hoe ik sterf… leer er van… mijn kruiske, bidde ik u…

Iemand, een donkere gedaante — niet de Baljuw —, wist hij, gaf hem het glad, houten kruis in de handen. Hard verstrengelde hij de vingeren errond, staarde erop, bad voor den eigen goeden dood…

Er er was niets dan deze dood.

…Héé!, dacht Pastoor Poncke plots. Hij zwijmelde en neep de oogen toe, daar hij viel… víel…?

Het crucifix helde naar zijlings over…

De Baljuw bekruiste zich.

Pater Medardus murmelde.

Pastoor Poncke lag daar gelijk een waarachtig kerkvorst, zoo verheven streng en mild.