de personen uit

, een boek van
Jan H. Eekhout
- Pastoor Benedictus Poncke (tekening: 17, 33, 103, 121, 157, 185, 211, 237)
-
-
hoofdpersoon
-
pastoor, priester, goede herder en paap
van Damme
(bladzijde 5, 6, 8, 35, 53, 91, 93, 117, 166, 171, 202, 225, 230, 256)
-
ook wel Dictus genoemd (bladzijde 50)
-
of Benedict (bladzijde 38, 58, 86 (4×), 90 (2×), 95, 105, 117, 206, 212, 221, 228, 257, 262)
-
houdt erg van wijn (bladzijde 16, 22-23, 30-31, 41-43, 60-62, 71-72, 75, 84, 125, 145, 189, 215-217, 231, 242-243, 247, 250, 257)
-
Franciscaan (bladzijde 241, 244)
-
heeft een hekel aan doctooren (bladzijde 34, 75, 116, 223)
-
meent dat dieren de hemel beërven (bladzijde 144, 181, 210, 255)
-
houdt erg van zwaluwen (bladzijde 180-182, 188, 239, 243, 248-250)
-
overlijdt den drij
-en-twintigste van Lente-maand
Anno Domini 1786 (bladzijde 258)
- Mijn-Heer Spiessens
-
- Pieter den Coninck (tekening: 17)
-
- Katrijne Celestine Houwaert (tekening: 237)
-
-
maarte
van Pastoor Poncke
-
door Pastoor Poncke
vaak Katrijne-dochter, dochter-Katrijne of Katrijne-kind genoemd
-
kan moeilijk uit bed komen (bladzijde 15)
-
'een rond menschke met de verbaasde oogen van een boreling
en een bruin kaproenke
glad over den schedel' (bladzijde 19, 237)
-
niet bijster
slim (bladzijde 19, 46, 127, 147, 216, 251)
-
erg op netheid gesteld (bladzijde 19, 124, 143, 152, 208)
-
brengt Pastoor Poncke
dagelijks een bottel
wijn en een roomer
(bladzijde 41, 145, 242)
-
heeft een eigen kamer op de pastorij
(bladzijde 55, 226)
-
heeft vaak woorden met Pastoor Poncke
(bladzijde 6, 81, 127, 130)
-
hangt (volgens Pastoor Poncke
) aan het materiële (bladzijde 152, 170, 182)
-
is bijgelovig (bladzijde 178, 224)
-
laat zich raden door veele dorpsgenoten (bladzijde 179, 189, 217, 220, 236)
-
zij vermag
nauwelijks te lezen en te schrijven (bladzijde 216)
-
krijgt per testament
alle meubelkens en al het keukengerief et cetera, en alle baar
geld plus de twee waardepapieren (bladzijde 255)
- Socrates (tekening: 3, 33, 103, 157, 185)
-
-
door Pastoor Poncke
vaak Socrates-vriend genoemd
-
den ezel van Pastoor Poncke
(bladzijde 16, 218, 243, 255)
-
zoogenaamd omdat 'hij niet gedoopt is' (bladzijde 77)
-
rijdier om op te brevieren
en vriend om mee te praten (bladzijde 16, 23-41, 90-106, 156-178, 180-208, 209-216, 222, 235)
-
dreigt verkocht te worden vanwege zijn vele 'vereeuwigingen' op latere leeftijd (bladzijde 180-208)
-
wordt per testament
onder de veilige hoede van de Baljuw van Damme, Mijn-Heer Hemerijck
gesteld (bladzijde 254-255)
- Corneel Caboor (tekening: 185)
-
-
grafmaker (bladzijde 18, 45-46, 155)
-
ook wel Cornelis genoemd (bladzijde 40)
-
'tuinman' van Pastoor Poncke
(bladzijde 40-41, 45-49, 51)
-
zoekt oplossingen voor de 'vereeuwigingen' van Socrates
(bladzijde 183-185, 189, 209)
-
spreekt regelmatig met Katrijne
(bladzijde 190, 209, 232, 236, 238, 248-250)
- Pruyck (tekening: 47)
-
- Melanie en Roozeke Ruttaert
-
- de nonnekes van het Heilige Hart van het Sint Jan
sgasthuis
-
-
wonen de vroegmis bij (bladzijde 21, 149)
-
verplegen de zieken en bidden voor hen (bladzijde 116, 118-119)
-
wonen uitvaarten van armen bij (bladzijde 119, 129)
-
helpen de armen (bladzijde 154, 170, 178)
- Mijn-Heer René Koeckaert
-
- Mijn-Heer-de-Baljuw Hemerijck
-
-
Baljuw van Damme
, ambtenaar die met de rechtspraak belast is (bladzijde 26-28, 40, 57-84, 256)
-
woonachtig in de Reigerstraat (bladzijde 44, 57, 256)
-
gehuwd met de Baljuwin
(bladzijde 28)
-
goede vriend van Pastoor Poncke
(bladzijde 26, 140, 155-156, 182, 191, 222-223, 240, 251, 255, 259, 260, 262-263)
-
ongodist (bladzijde 26-27, 43, 69, 142, 210, 251)
-
is machtig
gebuikt (bladzijde 7, 229)
-
krijgt per testament
Socrates
onder de veilige hoede en verder zijne boeken en zijne door zijn hand gewrochte geschriften (bladzijde 256)
- Me-Vrouwe Isabella ten Hoogdaele
-
-
Baljuwin, getrouwd met de Baljuw
(bladzijde 58)
-
pleegt een robijnenketen te dragen rond den hals (bladzijde 42)
-
viert haar naamdag
(bladzijde 57-84)
-
een schoone
vrouw (bladzijde 60, 63, 73, 80)
-
speelt clave-cimbel (bladzijde 73-80, 153)
- Eerste Schepene Alexander Fonteyne
-
- Mieke Musschenschrik
-
-
bijgenaamd 'de tooveres van Damme
' (bladzijde 29-30)
-
ook wel 'Mieke Marol' genoemd (bladzijde 111, 114, 116, 262)
-
een voormalige rijkemansdochter (bladzijde 116)
-
wordt ziek en gaat dood (bladzijde 112-119, 129, 262)
- Mijn-Heer Notaris Antonius Gerardus Vercuyck
-
- Lode
-
-
de belleman (bladzijde 35)
- Sanderken Teirlinck (tekening: 121)
-
- Cyriel Teirlinck
-
- Eulalie
-
- Cordulake van Melsen Broncke
-
-
jonge vrouw, waarover tijdens de oogst gesproken wordt: 'een djent dingske, zij bindt mij alsaan op de hielen en lonk-oogt als ik mij 't zweet uit de oogen strijk' (bladzijde 107)
- Meele
-
-
een vrouw die juist te midoogst op kindbed ligt (bladzijde 107)
- Nelle
-
- Mijn-Heere Laresse
-
- Jaak de groenselier
-
- Krimpaert
-
-
'de gierigste boer van het Damsche' (bladzijde 158-164, 167-168)
- Trienelle
-
- Schalle
-
-
zuinige boer (bladzijde 167-170)
- Treeze Luiskop
-
- Lamme Leene
-
- Sarel
-
-
een oudere man die een mes heeft opgeraapt van een doodgevallen leidekker (bladzijde 198-199)
- Tist
-
- Moorke
-
-
een 'verzworven katerke' dat 'de pastorij
kwam binnenwandelen' (bladzijde 229-235)
-
gebruikt door Pastoor Poncke
om de aandacht van hem af te leiden (bladzijde 229)
- Medardus
-