Boeken van een bekroond auteur
Nederlandsch of Vlaamsch?
Het ontleenen van motieven
De waarachtige historie van Tyl Uilenspiegel
in Vlaanderen door
Jan H. Eekhout
, uitgave der Uitgeversmij Holland te Amsterdam (z.j.)
Leven en daden van Pastoor Poncke van Damme
in Vlaanderen door
Jan H. Eekhout
, uitgave G.F. Callenbach te Nijkerk
(z.j.)
Hart van Holland, een keur uit
onze historische zee-lyriek door
Jan H. Eekhout
, uitgave N.V. Uitgevers Mij. „De Tijdstroom” te
Lochem (z.j.)
Jan H. Eekhout
heeft dit jaar van
het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten
den Meesterprijs 1941
ontvangen en ongetwijfeld heeft men
dien prijs aan een productief schrijver
toegekend. Bij de uitreiking heeft dr J. van Ham
,
hoofd van de afdeeling Boekwezen
van het Departement
uitdrukkelijk
verklaard, dat Jan Eekhout
den Meesterprijs
heeft gekregen om zijn meesterschap
en deze prijs bedoeld is als de hoogste
letterkundige onderscheiding, die de
Staat vermag te geven. Bovendien voegde
hij er aan toe, dat het niet de bedoeling
van het Departement
was om één litterair
genre, de streeklitteratuur als het
troetelkindje te beschouwen. Wanneer
men dit weet, vraagt men zich met eenige
verbazing af, met welken prijs het Departement
dan zou bekronen het werk
van een Henr. Roland Host-van der Schalk
,
een P.C. Boutens
, een Arthur van Schendel
,
een A. Roland Holst
, een
M. Nijhoff
om er enkelen te noemen.
Maar, zal men hiertegen aanvoeren, zoo
veelzijdig als Eekhout
zijn ze geen van
allen. Toegegeven, maar in hun genre
staan ze onbetwist hooger. Wat niet een
persoonlijke meening is van mij, maar
ieder onbevooroordeelde zal erkennen.
Dat mijn meening over het werk van
Eekhout
niet pas gevormd is kan ik bewijzen
uit een bespreking van 21 Juli 1935 in dit blad
van zijn boeken „De
boer zonder God”, een Zeeuwsch-Vlaamsche
roman en „Patriciërs”. Ik schreef
toen o.a. dit over zijn taal:
„De streekroman is in ons land vroeger veel geschreven. Onze voorouders hadden een groote liefde voor de Over Betuwsche vertellingen.
„Eekhout
, die in Zeeuwsch-Vlaanderen
geboren is, kent het land daar goed. En
niet alleen het land, maar ook de taal.
Hij moet van die taal een studie gemaakt
hebben, want wat hij in zijn boeken
schrijft is geen Nederlandsch meer. Daar
zit een gevaar in, dat niet denkbeeldig is.
Zelf zegt hij in een Verantwoording vóór
in zijn Roman De boer zonder God
geplaatst, het volgende:
„Dit boek draagt, althans onmiddelijk
ten aanzien van het erin aangewend taaleigen
méér dan een Zééuwsch, een
Vláámsch karakter. Toch meen ik den
voor u liggenden roman als Zééuwsch-Vlaamsch
te mogen kenmerken. Het door
mij gebezigd idioom, klaarblijkelijk merkwaardig
nauw aansluitend bij het (Belgisch-)
West-Vlaamsch van bijvoorbeeld,
en inzonder, een Stijn Streuvels
, vormt
het resultaat eener decennium lang
volgehouden opteekening van woorden
zoals ik, bovendien zelf Zééuwsch-Vlaming
van origine en hart, ze door de
bevolking van den uitersten Zuid-Westhoek
van het Zeeuwsch Vlaanderen vermonden
hoorde.
„Inderdaad vinden wij in de romans
van Eekhout
tal van Vlaamsche zinswendingen
en woorden, maar Eekhout
had
er zeker ook op moeten wijzen, dat de
Vlaamsche schrijvers een kunsttaal gevormd
hebben en tal van woorden uit
het Middelnederlandsch hebben overgenomen.
Zelf maakte Eekhout
zonder twijfel
ook tal van woorden, die teekenend
zijn, maar hij gebruikt er vele, waarvan
de beteekenis ons geheele ontgaat. En dan
vragen wij ons als Nederlandsche lezers
af: wat nut heeft dat? Gaat niet door die
vele vreemde woorden de couleur locale
juist verloren? Is het niet beter om één
karakteristiek woord te gebruiken dan
heele zinnen met die gewestspraak vol te
proppen? Ik sla Patriciërs op goed
geluk open en vind „is niet mijde”; „eene
schravende blijheid”; „weer is Frederiks
schrijding naast haar”; „een zekeren muikerenden
twijfel”. Ook zijn taal is dikwijls
onzuiver en dit verbaast mij juist
van een dichter, die toch geleerd heeft
om zoo indringend mogelijk te schrijven.
(volgen voorbeelden).
En aan het slot herhaalde ik, dat het lezen van zijn boeken voor mij een teleurstelling was.
Ditzelfde bezwaar, wat de taal betreft,
geldt nog. En in nog grooter mate in zijn
twee romans, die hier thans besproken
worden. Ze zijn voor een Nederlander
moeilijker te lezen dan een boek van
Stijn Streuvels
of Herman Teirlinck
, om
van verzen van Jan van Nijlen
en den
pas bekroonden Hedwig Hensen niet te
spreken, die bijna zuiver Nederlandsch
schrijven. Wanneer ik Eekhouts
nieuwe
boeken nu doorblader, vind ik tal van
streepjes en vraagteekens en het groote
bezwaar is ook thans, dat vaak een
woordenboek me niet verder brengt.
Op zichzelf is het een gewaagde onderneming
om een verhaal te gaan schrijven
als De waarachtige historie
van Uilenspiegel
in Vlaanderen
na het imponeerende werk van
Charles de Coster
en „De nieuwe Uilenspiegel
”
van Herman Teirlinck
, dat evenwel
lang niet het beste boek is van dezen
Vlaming. Maar ik wil graag en gul bekennen,
dat Jan Eekhout
er in geslaagd
is in zijn bijna 400 bladzijden dik boek
ons niet te zeer teleur te stellen. Hij
heeft ons vaak vermaakt, rake bladzijden
geschreven, en alleen verveeld als hij
pagina's achtereen grappen van Tijl vertelt,
waar ik althans niet om heb kunnen
lachen. Daartegenover staat, dat het
hoofdstuk over Tijls dood tot de beste van
het soms wat wijdloopige boek behoort.
Zoo zijn de figuren van Maayke-moêr en
Pastoor Voghels ook geslaagd en er is
wellicht meer te waardeeren. Maar een
meesterwerk is het m.i. niet.
. . .
Dit kan men evenmin van het tweede
boek Pastoor Poncke schrijven. Ook
deze roman speelt in Vlaanderen en wel
te Damme
, evenals Tijl
. Over het algemeen
laat dat boek zich vlotter lezen, al
blijven de bezwaren over de taal ook
hiervoor gelden. Pastoor Poncke
is een
zeer gemoedelijk en vermakelijk man.
Maar waarom heeft Eekhout
zijn huishoudster
ook Katrijne
genoemd, want nu
worden we onweerstaanbaar herinnerd
aan een der goede boeken van Herman Teirlinck
,
nl aan „Mijnheer Serjanszoon
orator didacticus”. Daar spreekt Mijnheer
Serjanszoon zijn huishoudster aldus aan:
„Een boek, Katrijne, mijn kind, is een
weergaloos kleinood en, gelijk het lichtenspel
binnen de vuurkantjes van een briljantjuweel,
een spel van gevoelens en gedachten”.
En Pastoor Poncke
zegt (op bladzijde 42): „Ha,
Katrijne
, zie! Welk een kostelijk geschenk
is de wijn! Ha, Katrijne
: zon met wijn
vermengd! Ik teug ervan. Hoe goed het
proeft aan tong en huig. Zóó goed moet
de hemel zijn. Katrijne
! Spijtig, dat gij
een vrouwmensch zijt. Ware gij een man,
ik zoude u een nipke gaarne jonnen.
Maar vrouwen, Katrijne
, heur tong is
niet voor den wijn geboren, heur tong
dient meer voor tateren dan voor toetsen”.
Men voelt de overeenkomst en nu wint
Teirlinck
het zeker van Eekhout
in fraaiheid
van zegging.
Pastoor Poncke van Eekhout
is
een gemoedelijk boek, vol populaire levenswijsheid
en ook hier is het einde
verreweg het treffendst, n.l. het sterven
van den goeden pastoor (bladzijde 239). De manier waarop
Eekhout
het heengaan van Poncke
beschrijft
bewijst, dat hij dit zonder eenige
sentimentialiteit — evenals bij Tijl
—
kan doen. En hoe licht kan men daarin
vervallen! Integendeel: onder een schijnbare
luchtigheid schrijnt de weemoed om
het verscheiden.
Er is echter tegen dit boek een groot,
een zeer groot bezwaar. Men zal zich
herinneren, dat de uitgever W. Nijhoff
er op gewezen heeft, dat Eekhout
klakkeloos
de noten van dr D.F. Scheurleer
overgenomen heeft uit „Van varen en
vechten” en die gebruikt heeft voor zijn
keur uit onze historische zee-lyriek,
Hart van Holland. Ik wil die geschiedenis
niet verder ophalen, maar
moest er wel aan herinneren, omdat de
uitgever een exemplaar ter bespreking
heeft gezonden. Te meer, omdat in
Pastoor Poncke een bedenkelijk
feit aan het licht is gekomen, een feit,
dat bijzonder veel weg heeft van plagiaat.
In zijn rede bij de toekenning van de
prijzen heeft dr Van Ham
o.a. ook dit gezegd:
„De toekenning der letterkundige
prijzen, op een vroeger tijdstip aan den
Frieschen volksschrijver Reinder Brolsma
,
nu aan de schrijvers Eekhout
, Sinninghe
en Brouwer
is een blijk van waardeering
voor letterkundig werk waaraan een
zekere onderlinge verwantschap niet
moeilijk valt te ontdekken.
Niet verwantschap
in den zin, die zoo vaak oorzaak
van literair twistgeschrijf geweest is, dat
de schrijvers niet oorspronkelijk genoeg
zouden zijn geweest en de een bij den
ander op zoek zou zijn gegaan naar
motieven of de wijze van stofbehandeling.”
Het spijt mij oprecht, dat ik tot mogelijk
twistgeschrijf aanleiding zal moeten
geven. Want Eekhout
heeft — niet bij
zijn bekroonde collega's — maar aan een
oud geschrift motieven ontleend zonder
er met een woord melding van te maken.
Wat zeer bedenkelijk is.
Een quaestie van plagiaat is altijd een
moeilijk geval. Het kan volkomen onbewust
gebeuren b.v. bij een dichter, die
denkt een versregel zelf gevonden te
hebben, terwijl die regel van een ander
in zijn herinnering is gebleven. Ook kunnen
twee dichters, onafhankelijk van
elkaar, precies denzelfden regel schrijven.
Een andere zijde van het plagiaat
is de ontleening van motieven. Men denke
aan Shakespeare
, aan het zeer bekende
gedicht „De tuinman en de dood
”,
aan verschillende quatrijnen uit „Oostersch
”.
Niemand zal hier van plagiaat
spreken, omdat een gegeven door die
dichters tot volkomen oorspronkelijke
verzen is verwerkt.
Eekhout
ontleende ook verschillende
motieven aan een ander werk, maar bij
proza is dat heel iets anders dan bij poëzie.
(Men vergelijke het volksboek van
Uilenspiegel
met zijn eigen Tijl b.v.) Dit
zal ik met vier voorbeelden illustreeren,
waarmee ik wil volstaan. De citaten zijn
ontleend aan het opstel
„De Hodja Nasr-Eddin, een virtuoos van het schijnbare” van Albert Verwey
in „Luide Toernooien”,
die ze uit het Fransch vertaalde;
voor belangstellenden verwijs ik naar
„Der Hodscha Nasredding” door A. Wesselski,
een der meest volledige verzameling
van anecdotes en grappen van
Hodja
(Alex. Duncker Verlag, Weimar,
1911).
Verwey
zegt in zijn beschouwing, dat
Hodja
„een half geestelijk, half landelijk
leeraar (is), onderwijzend, predikend en
rechtsprekend”, wat bijna een karakteristiek
is van Pastoor Poncke
. Dan vertaalt
Verwey
het volgende:
„Nasr-Eddin beklom den kansel en zei:
Muzelmannen, kent gij het onderwerp
waarover ik spreken wil? Wij kennen het
niet, Hodja. Hoe zal ik, zei daarop Nasr-Eddin,
u een onderwerp ontwikkelen dat
ge niet kent. — Een andermaal beklom
hij den kansel en zei: Weet gij, geloovigen,
wat ik u te zeggen heb? Wij weten
het, riepen er. Wat zal ik u, zei de Hodja
en verliet den preekstoel, uitleggen wat
ge al weet. — De vergaderden zaten verbaasd.
En een deed het voorstel dat als
hij weer kwam de eenen zouden antwoorden
dat zij het wisten, de anderen
dat zij het niet wisten. Dat werd goed
gevonden. De Hodja verscheen weer en
riep als te voren: Weet gij, mijn broeders,
wat ik u zeggen wil? Onder ons,
zie men hem, zijn er sommigen die het
weten, anderen die het niet weten. Welnu,
antwoordde de Hodja, laat hen die
het weten het dan meedeelen aan hen
die het niet weten.”
En wat kan men in de Binnenleiding
van Jan Eekhout
lezen (op bladzijde 7)?
Pastoor Poncke
is vergeten. En toch
was hij die man, die eens, den kansel
hebbende beklommen, zijn parochianen
vroeg: — Ik ben uw leeraar, gij kènt de
zaak, waarover ik u spreken ga? :— Neen,
mijn-Heer Pastoor. — Hoe zou ik u dan,
gaf Poncke
ten antwoord, — eene zaak
ontwikkelen, waarvan gij geen begrip
hebt? — en hij daalde den kansel
af en
begaf zich ter sakristij
. Even nadien
verscheen
hij weêrom, besteeg het gestoelte
en vroeg: — Weet gij, beminde parochianen
,
'tgeen ik u te zeggen heb?: — Wij
weten het!, riep een listigaard. Doch
Pastoor Poncke
bescheidde
: — Wat zal
ik dan moeite doen u iets te ont-dekken
wat u reeds bekend is! — en hij verliet
andermaal den kansel
, om na luttel
tijds
er terug te keeren en thans te vragen:
— Weet ge, parochianen
van Damme
,
waarover ik u te spreken heb? Weder
klonk de stem van den sluwaard van
zooseffens
: — Mijn-Heer Pastoor, sommigen
weten het, anderen niet. : — Welaan,
sprak pastoor Poncke
, — dat zij, die
het weten, het dan berichten aan hen,
die het niet weten! — en hij beëindigde
de zondagsmis zonder preek.”
Eekhout
vertelt, dat er 's nachts zwaar
op de buitendeur bij Poncke
wordt gebonsd.
Zijn huishoudster
geeft den raad
om niet te openen (op bladzijde 55 en 56).
Pastoor Poncke
ging naar beneden.
Grillig zwaaide en zwonk achter hem
zijn schaduw. Hij deed de voordeur van
de grendelen, lichtte de keten. De klopper
dreunde door. Pas als
hij de deur
opende, kwam er een einde aan.
— Mijn vrìnd…!, zegde Pastoor Poncke
meewarig. — Ei, wat is dàt nu?
Het is mìjn sargie
, niet de ùwe… Ei,
mijn vriend…!
Pastoor Poncke
stond zonder sargie
en
met een gedoofd licht op den drempel.
De man, die hem de sargie
ontgrist had,
was reeds spoorloos verzwonden. Vaag meende
Pastoor Poncke
in den vent den doolaard
van 's noens
te hebben herkend. Maar
het was alles met zoo'n rapte
gebeurd.
Blies de màn de kaars uit of de wìnd?
Hij sloot de deur, grendelde op den
tast, schuifelde naar de trap, beklom de
treden. Hij arriveerde op den overloop.
Hij vernam Katrijne
.
— Eerwaarde, wat was het?
— Héé, niets, Katrijne-dochter
. Mijn kaars
is uitgewaaid. Er was iemand om mijn
sargie
. Hij moet schrikkelijk kou hebben
geleden. Zoo ras
hij de sargie
had is hij
vertrokken, de arme.”
Hodja vertelt:
„Op een nacht, terwijl hij in bed lag,
hoorde de Hodja vlak voor zijn deur
een twist. Sta op, vrouw, zei hij, en reik
me de kaars. Blijf toch liggen, zei ze.
Maar hij wikkelde zich in zijn deken en
ging. De deur was nauw open of een van
de twistenden greep zijn deken en liep
ermêe heen. De Hodja, bibberend, ging
weer in 't huis. Waar was het twisten om?
vroeg zijn vrouw. Het was om mijn deken,
zei de Hodja, zoodra ze die hadden was
het gedaan!”
Op blz. 126 en 127 vertelt Eekhout
, dat
Poncke
's nachts onraad meent te hooren
in den tuin en — merkwaardige overeenkomst
— de pastoor neemt zijn pijl en
boog, mikt en schiet op den dief. Wat
blijkt den volgende morgen? Dat
Katrijne
zijn toog in de tuin te drogen
had gehangen.
— Ha, Katrijne
, ge hebt den pijl gevonden,
welken ik deez' nacht afschoot
op een dief! Schóón
. Dànke.
— Dief?, smaalde de maarte
. — En dàt
dan? Hier, het schot is dwars door uwen
toog
gegaan. Twee klinken! In de achterste
klink is de pijl blijven haperen
. Díef?
Zegt gij niet steeds, dat er binnen Damme
geen dieven zijn? Zonde voor God. Zulke
klinken vallen niet weg te repareeren.
Uw toog
is bedorven. Gij hebt op uwen
toog
geschoten.
— Tja, knikte Pastoor Poncke
, ineenen
voor de schrelle waarheid gesteld. — Tja,
het heeft er veel van dat gij het bij 't
rechte hebt, Katrijne
… Geef mij den
schicht
eens over, ik bevat niet, hoe…
Ai-mij, ik heb een kapotte pijl opgelegd,
eene zonder knop… het hout is hier
puntig, gelijk
ge ziet. Lijk
een dief in den nacht
komt de dood. Loven wij God,
Katrijne-dochter
. Zie, ik zucht van geluk.
— Uw toog
verramponeerd
, dat noemt
gij geluk? Maria-Jozef, het is om te weenen!
— Bedaar, Katrijne-kind
. Acht eens
op het koppel klinkscheuren. Pal door de hartstreek.
Hadde ik den toog
aan het
lijf gehad, ik ware dóód geweest…”
Bij Hodja leest men:
„Op een avond wiesch de vrouw van
den Hodja zijn kaftan en hing hem in den
tuin te drogen. De Hodja meende in 't
donker iemand in zijn tuin te zien, haalde
zijn boog, schoot, en ging in huis om
te slapen. Den volgenden morgen zag hij
dat hij geschoten had op zijn eigen kaftan.
— Geloofd zij God, zei hij, dat ik
zelf niet in dien kaftan stak”.
Tot slot — er zijn nog meer bewijsplaatsen
— het verhaal van den ezel.
Jaak
, de groenselier
, komt den pastoor
spreken, maar Katrijne
heeft order te
zeggen dat hij niet thuis is (op bladzijde 218).
— Katrijne
, Mijn-Heer Pastoor is wèl
thuis. Tist
de smid zag hem een kwart
uurke verleên
de smisse voorbijgaan
met zijnen ezel. Hoe durft gij het zoo leelijk
volhouden, Katrijne
. Mijn-Heer Pastoor
is thuis en ik verg hem op slag te
spreken. Het betreft een zaak van gewicht.
— Eerwaarde is niet hier!, verweerde
Katrijne
heur
schel.
— Katrijne
, geen larie-kal
. Hola, daar
heb ik u! De ezel balkt! Geen beter bewijs!
Inderdaad, Pastoor Poncke
vernam het
eveneens: Socrates
balkte uitbundig…
Er viel een stilte in den gang.
Pastoor Poncke
duwde zich kregel uit
den zetel omhoog, stapte naar de boekerijdeur
,
rukte deze op een breede kier open
en stak zijn hoofd in de gang.
— Zoo, snauwde hij den verbijsterden
Jaak
in 't gemoed, — wanneer ik niet
thuis ben, bèn ik niet thuis. En schaam
u, een ezel te gelooven en niet mij, ouden,
bezadigden paap
!”
En Hodja vertelt:
„Er kwam eens iemand den Hodja zijn
ezel te leen vragen. Die is niet thuis,
zei hij. Maar met dat hij het zei, begon de
ezel in het huis te balken. O heer, riep
de teleenvrager, de ezel is niet thuis, zegt
ge, en nu balkt hij daar. Hoe, antwoordde
hem de Hodja, ge luistert naar den
ezel en luistert niet naar mij die een oud
man ben met een grijzen baard. Wat een
vreemd mensch zijt ge.”
Ik zou hiermede kunnen volstaan, maar
wensch er nog eenige opmerkingen aan
toe te voegen. Men zal kunnen aanvoeren
— en ik deed dit reeds — dat veel
artiesten hun motieven aan anderen hebben
ontleend. Dat is, in dit bijzondere geval,
mijn bezwaar niet, maar Eekhout
heeft de Turksche grappen eenvoudig
als eigen werk ingevoegd in zijn Vlaamschen
roman. In welken tijd die roman
precies speelt is niet aangegeven, maar
zeker niet in den tijd, toen men met pijl
en boog schoot (zie de tijdlijn). En zoo'n enkel feit nam
hij ook over, zonder te overwegen of dat
logisch was.
Naar mijn meening is er van een persoonlijke interpretatie van de ontleende motieven, waartegen misschien geen bezwaar zou bestaan, in dit boek geen sprake.
Jan H. Eekhout
over het ontleenen van motieven
(Ingezonden)
Hooggeëerde Redactie,
Gaarne zou ik het volgende willen opmerken
naar aanleiding van de beoordeeling
van mijn werk door G.H. 's-Gravesande
in „Het Vaderland
” van
27 Juni (1942) j.l.:
of Teirlinck
. De ervaringen met
de lezers wijzen juist op het andersomme.
verwijt mij
„heele zinnen met gewestspraak vol te
proppen”. Hier tegenover staat, dat een
andere beoordeelaar van mijn werk mijn
boeken een „fundgrube” van taal noemde.
de trekken vertoont
van den Hodja
, ik ben de laatste
om dit tegen te spreken. Toen ik aan
het boek werkte heb ik daarover nog
gesproken met dr Anton van Duinkerken
.
Hodja
-grappen vindt men echter in alle
landen — tot zelfs in Indonesië (zie
„Uilespiegelverhalen in Indonesië” door
L.M. Coster-Wijsman). Ze zijn van vele
volken gemeengoed geworden. Hodja
-trekken
vertoont bijvoorbeeld eveneens
de „legendarische” figuur van den Paap
van Lapschuere
(Vlaanderen). Hodja
-grappen
maken ook in Nederland opgeld
(zie de anecdotenrubrieken in onze weekbladen).
Pastoor Poncke
is de Vlaamsche
Hodja
en zijn „levenbeschrijving” is een
Volksboek. Dat G.H. 's-Gravesande
niet lachen kan om Poncke
is zeker mijn
schuld niet.
mijn
„Pastoor Poncke” rustig gelezen had en
niet met de bedoeling dien Eekhout
weer
eens lekker te attaqueeren, dan zou hij
zich geenszins verwonderen over het feit,
dat Pastoor Poncke
in het bezit was van
pijl en boog.
. . .
Daar dit in wezen anti-critiek is, wil ik er niet op ingaan.
Het kan inderdaad een vindplaats zijn, maar daarom nog geen literatuur.
Dat men Hodja
-grappen in alle
landen vindt, was ook mij bekend. Ook
het bestaan van den Paap van Lapschuere
,
waar in de bespreking van
Pastoor Poncke in de N.R.C. reeds naar
verwezen werd, was niet aan mijn aandacht
ontsnapt. Maar het lijkt mij nog
steeds een verkeerde methode om in een
boek, zonder vermelding van bron, die
grappen in te voegen en zoo den indruk
te wekken, dat het vondsten van den
auteur zijn.
Ik neem het Jan H. Eekhout
niet
kwalijk, dat hij mijn artikel zoo haastig
gelezen heeft, dat hij beweert, dat ik niet
om Poncke
kon lachen. Ik schreef over
de grappen, bladzijden lang, van Tijl
.
weer eens lekker te
attaqueeren”. Ik las, zooals ik gewoon ben
te doen, geheel onbevangen. Waarom veronderstelt
Jan H. Eekhout
, dien ik nooit,
bij mijn weten, zag, nooit heb geschreven,
kwade trouw?
Een zonderling polemist
A.F. Mirande verdedigt Eekhout
Men zal zich wellicht herinneren, dat ik
in dit blad van 27 Juni (1942) een artikel heb
geschreven over den door het Departement van Volksvoorlichting
met den
Meesterprijs bekroonden schrijver — Jan H. Eekhout
en in het bijzonder over de
romans Tyl Uilenspiegel
en Pastoor
Poncke. Ik heb er op gewezen, dat in
het laatste boek motieven waren ontleend
aan „Der Hodschja Nasredding”
door A. Wesselski en citeerde gemakshalve
uit
een opstel van Albert Verwey in den bundel „Luide Toernooien” getiteld „De Hodja Nasr-Eddin, een virtuoos van het schijnbare.”,
De overeenkomsten
waren m.i. zoo duidelijk, dat
men van plagiaat kon spreken. Terloops
maakte ik ook melding van Eekhouts
bloemlezing „Hart van Holland”, waarvoor
hij gegrasduind had in D.F. Scheurleers
„Van varen en vechten” en meteen,
zonder bronvermelding, de noten
overnam. En nu vind ik in het Nationale Dagblad
van 25 Juli (1942) het volgende
artikel door A.F. Mirande ter verdediging
van Jan H. Eekhout
dat ik in
zijn geheel overdruk (alleen mijn foutief
gespelden naam wijzigde ik):
Plagiaat of ontleening
Volksche kunst kan zich niet storen aan oorspronkelijkheidseischen, daarvoor heeft zij te veel haast…
Er is in den laatsten tijd heel wat te doen
over het begrip „plagiaat”. Velen onzer herinneren
zich nog de geruchtmakende zaak
in Vlaanderen, waarop, naar ik meen, Menno ter Braak
de aandacht vestigde. Daarna dook
het geval op van Ina Boudier-Bakker
. Ook
hier speelde Ter Braak
een rol, als criticus
van de krant „Het Vaderland
” dus. Geen
wonder dat 's-Gravesande
(A.F. Mirande spelde dit zelf als 's-Gravenzande), Ter Braak
's erfgenaam,
diens voetsporen drukkende, zijn
toren dagelijks beklimt, om uit te zien naar
„plagiaat”.
Wat is dat eigenlijk? Een „plagiarius” was
bij de Romeinen een „menschenroover”, een
„zielenroover”. Wij beschaafde Nederlanders,
die voor iets ergs meestal een vreemd woord
bezigen (wij zijn nu eenmaal humanisten,
d.i. humane lieden), verstaan onder plagiaat:
diefstal van geestelijke eigendommen. Dezer
dagen las ik in een Zondagavondblaadje een
verhaal over een handige dame, die een
verliefd jongmensch oplichtte voor een hotelrekening.
Dat verhaal had ik als een gelezen.
Zie: dat is nu „plagiaat”. Men naast
het eigendom van een ander en zet er zijn
naam onder. Destijds schreef P.N. van Eyck
een gedicht „De tuinman en de dood
”,
een voortreffelijk gedicht, dat in poëtischen
vorm een Perzisch verhaal weergaf. Was dat
plagiaat? Neen, ofschoon het best even vermeld
had kunnen worden. Maar het lag er
zoo dik op, iedere ingewijde kon het begrijpen.
Toen vroeger vooraanstaande dichters
de Perzische kwatrijnen ontdekten en het
den schijn aanvankelijk had, alsof zij Perzisch
kenden en regelrechte verkenningstochten
hadden gemaakt in de Perzische literatuur,
bleek later, dat zij alleen maar
Engelsche vertalingen van die Perzen gelezen
hadden. Plagiaat van ontdekkingen?
Het gaat ons eigenlijk niet aan, de Nederlandsche
bewerkingen, poëtisch ten diepste
ervaren, waren prachtig. Wat raakt het ons,
of de Engelschen al dan niet middelaars waren.
Lezer, een bekentenis. Ik vertel u nog al
eens over oude Dietsche kunstenaars, waarvan
velen uwer niet gehoord hadden. Dacht
u dat hier altijd sprake was van eigen ontdekkingen?
Ik heb inderdaad veel gereisd
en overal de dingen waarover ik schreef,
gezien. Maar meen niet, dat ik in Straatsburg
plotseling een schok kreeg, toen ik den Peinzer
van Nicolaes Gerhaert
zag. Natuurlijk
had een boek, een Duitsch boek, mij op het
spoor gebracht. Van het een komt het ander,
zoodat men, getroffen door denzelfden stijl,
wel eens iets ontdekt. Eigenlijk echter pleegt
men voortdurend „plagiaat,” althans, men
ontleent aan anderen. Mijn pen zou geregeld
den hik hebben, als ik altijd oorspronkelijk
moest wezen. Laten wij eens een blik werpen
in de geschiedenis. Dante
schreef zijn
grootsche werk Commedia
, een tocht door
vagevuur, hel en hemel. Dit motief, en nog
vele andere zaken, ontleende hij aan de
Arabieren. Ontleening of plagiaat? De groote
scholastische wijsgeeren als Thomas van Aquino
speelden leentjebuur bij Plato
en
Aristoteles
.
Ons middeleeuwsche lied bloeide als nooit
nadien, ook in Hoofts
en onzen tijd was
de rijkdom niet grooter. En toch, hoe dikwijls
roofden de argelooze Middeleeuwers bij
anderen! Het geestelijk lied nam bewust van
het wereldlijke over, maar de wereldlijke
dichters onder elkaar — zij waren trouwens
alle naamloos — kenden geen genade. Desondanks
ontmoet men prachtige liederen met
dezelfde motieven, dezelfde regels. De ruimte
laat mij niet toe, dit aan te toonen. De
dichters zongen op kinderlijke wijze, en wisten
zij veel van wat anderen gezongen hadden?
Het ging toen alles zoo eenvoudig toe.
Het is als in Gorters
Mei: een jongen loopt
zoo maar te fluiten, omdat het voorjaar is.
Is die jongen zich er bewust van wat hij
fluit? Het zal wel een melodie zijn, die in
zijn geheugen bleef hangen. Zoo gebeurde
het mij eens, dat ik op de piano ouvertures
van oude Fransche opera's zat te spelen.
Een huisgenoot, die blijkbaar niets anders
te doen had dan te luisteren, zei tegen me:
„Zeg, zit jij … te spelen?”. En hij noemde
een bekenden zanger van onze dagen. Inderdaad
was er veel overeenkomstigs. Die
zanger heeft dus waarschijnlijk Fransche
wijzen, welke in zijn geheugen hingen, weergegeven.
„Plagiaat?” Tijdens de Renaissance
daagde het denkbeeld van de oorspronkelijkheid.
Shakespeare
evenwel ontleende veel
motieven aan anderen. Vondel
keek den heelen
bouw van zijn drama af van de Grieken,
en de stof putte hij uit den Bijbel, zoo letterlijk,
dat hij er last van had. Hoofts
„Granida”
bijv. doet in vele opzichten denken
aan „Il pastor fido” van den Italiaan Guarini
.
Bredero
gapte maar raak vooral bij de Spanjaarden.
Het heele verhaal uit zijn beroemden
„Spaanschen Brabander” is oorspronkelijk
Spaansch.
Zien wij eens naar de beeldhouwerij.
Sluter
en Gerhaert
waren vermoedelijk vrij
oorspronkelijk, ofschoon Gerhaert
aanvankelijk
de manier van den schilder Jan van Eyck
toepaste. In elk geval volgde Rodin
de
houding van een schreier door Sluter
zoo
na, dan men kan spreken van „plagiaat”, mits
men kwaad wil. De Hellenisten als Jan van Dowaai
en Adriaen de Vries
, ontleenden veel
aan de Grieken, in houding en rhytme. Den
Italiaanschen beeldhouwer Bernini
, den beroemdsten
na Angelo
, kan men zich niet
denken zonder de late Grieken. Angelo
alleen
is oorspronkelijk en klassiek, al ervaart
men ook bij hem invloeden, gelijk bij den
grooten Shakespeare
. Maar ik bedoel nu, dat
men bij beelden van Bologna
e.a. zeer sterk
moet denken aan klassiek-Hellenistische.
Toch waren zij groot. Pleegde Govert Flinck
plagiaat op Rembrandt
, of Rembrandt
op
Hercules Seghers
— want deskundigen hebben
soms moeite om werken dier meesters
van elkaar te onderscheiden?
Jacques Perk
s „Iris” is ondenkbaar zonder
„The Cloud” van Shelley
, omdat er een
onloochenbare rhythmische verwantschap
blijkt. Toch blijft Perk
de jonggestorven,
belangrijke voorlooper van De Nieuwe Gids
.
Herman Gorter
, de oorspronkelijkste onzer
huidige dichters, ontleende onwillekeurig(?)
zoo veel aan de Engelschen, niet alleen
rhythmisch maar ook woordelijk, dat de
vlijmscherpe Edward B. Koster er galsteenen
van kreeg. Allen, van welke gezindte
dan ook, vinden elkaar in Gorter
terug. Ik
althans ben bereid om iemand alles te vergeven,
wanneer hij met mij een stuk uit de
„Mei” wil lezen.
Niet lang geleden zat ik tezamen met een aantal jonge dichters. Ik zei hun: „Jullie krijgen allemaal den hik van de oorspronkelijkheid, in de Middeleeuwen keek men zoo nauw niet, en toen was de lyriek toch wel zoo belangrijk als jullie schrijverij over je liefdesverlangens en ervaringen”.
„Ja”, kreeg ik, na toch wel eenig nadenken, ten antwoord, „maar wij leven nu in een anderen, een individualistischen tijd”.
Zoo is het dan ook, of liever: zoo was het. De heeren waren individualisten en om den dood niet zonder zin.
Nu echter is er een nieuwe tijd in wording. Het Geuzenlied wemelde van de herhalingen, en desondanks spreken wij allen, ongeacht de politieke kleur, met trots van onze Geuzen. Nu is er ook een strijdlied. Ik, als oud-individualist, kan me ergeren aan de herhalingen. Maar de bezieling is er, en binnenkort hoop ik met een bloemlezing te komen, die iederen tegenstander overtuigt van het zuivere gevoel dat uit deze gedichten spreekt, die hem zelfs vormschoonheid doet erkennen.
De nieuwe tijd in wording is de tijd van
de nieuwe volksche kunst. Multatuli
deed
daar al een poging toe: hij wilde schrijven
voor het geheele volk. En wat kon die man
stelen! Rousseau
zei: „Je suis las d'avoir
toujours raison”. Multatuli
beweerde, zonder
blikken of blozen: „Ik ben moe van
mijn eigen gelijkhebberij.”
Volksche kunst kan zich niet storen aan oorspronkelijkheidseischen, daarvoor heeft ze te veel haast. Ze wil voor en door het volk wezen in den kortst denkbaren tijd. Daarom zullen er veel oude motieven, heele bekende zinsneden zelfs, verwerkt worden in kunstwerken van onze bewogen dagen. Hoofdzaak zij, dat er desondanks een boek, een drama, een epos ontstaat, hetwelk het volk opstuwt tot zuiverder en belangrijker leven.
Zoo kom ik aan den dichter-proza-schrijver
Jan Eekhout
. Hij is in het bijzonder
schijf voor de pijlen des heeren 's-Gravesande
(A.F. Mirande spelde dit zelf als 's-Gravenzande),
den Vaderlander
. Eerst ging het om
een bloemlezing. Nu, de beschuldigende uitgever
was in zijn betoog niet sterk: wat ik
in het Nationale Dagblad
bewees. Dit werd
tot mijn spijt, niet in de pers opgenomen,
ofschoon het verhaal van den uitgever in
alle bladen stond. Daarom zeg ik nu nog
eens: Wie een liederenboek met melodieën
wil samenstellen betreffende ons oude lied,
moet het boek van Van Duyse
plunderen,
want daar staat vrijwel alles in. En gaat
de bloemlezer zijn eigen gang, door andere
bestaande boeken te raadplegen, dan komt
hij toch tot een keuze, die men óók bij
Van Duyse
vinden kan.
Nu over Eekhouts
proza. Inderdaad, het
verhaal van pastoor Poncke was voordien
al in groote lijnen bekend, in geschrifte.
Zooals het leven van Michiel de Ruyter
bekend is. Mag ik nu niet meer over De Ruyter
schrijven? Eekhout
heeft van
Poncke
's verhaal iets nieuws, iets sappigs
gemaakt. Ik moet nu denken aan Felix Timmermands
Pallieter
. Een beroemd boek. Toch
is iemand er in geslaagd om veel „plagiaat”
aan te toonen. Denk bijvoorbeeld maar eens
aan het tooneel van den jonker bij hem en
dat van Jezus Christ in „La Terre” van Zola
.
Eekhout
verwerkte ook in andere boeken
motieven van anderen. Desondanks werden
het goede, volksche boeken. Ik vind de
beschuldiging van „plagiaat” bijna boosaardig.
Maar neen, 's-Gravesande
(A.F. Mirande spelde dit zelf als 's-Gravenzande) dien ik ken
als een oprecht mensch, staat met zijn beide
beenen in het vorige tijdperk, en kan niet
begrijpen, dat wij over vrijwel alles anders
denken. Dit stuk moet dus, als een, onvolkomen,
antwoord beschouwd worden op den
aanval van 's-Gravesande
(A.F. Mirande spelde dit zelf als 's-Gravenzande). Ik hoop, dat hij
dit verweer, ondanks ons verschil in levenshouding,
wil beschouwen als iets dat ik
moest doen, evenals hij niet laten kan wat
hij deed.
Eén ding verwacht ik: dat er van dit reeds onvolledige, stuk niet een deel aangehaald wordt, dat den tegenstander zoogenaamd gelijk geeft. „Citeeren” kan tot misdaad ontaarden.
* * *
Ik wil er in de eerste plaats op wijzen,
dat het een eenigszins zonderling verzoek
is van den heer Mirande om zijn
stuk volledig over te drukken, omdat
hijzelf verzuimt aan de lezers van het Nationale Dagblad
mede te deelen wat ik
precies met voorbeelden om mijn bewering
te staven heb betoogd. Hij behoefde
daarvoor niet mijn heele artikel te citeeren,
want één voorbeeld zou al voldoende
zijn geweest. Maar, zal de heer Mirande
wellicht zeggen, dat is geheel onnoodig,
want ik heb het erkend, en meer nog
„Eekhout
verwerkte ook in andere boeken
motieven van anderen”.
De heer Mirande noemt dit geen plagiaat,
zooals men heeft kunnen lezen,
maar spreekt van het ontleenen van motieven.
Ook over dat punt heb ik in mijn
artikel van 27 Juni (1942) geschreven en noemde
eenige voorbeelden (o.a. „De tuinman en de dood
”,
„Oostersch
” en Shakespeare
),
die Mirande ook gebruikt. De door mij
genoemden verwerkten hun motieven tot
zelfstandige kunstwerken en dat deed
m.i. Jan H. Eekhout
niet. Maar Mirande
zegt „Volksche kunst kan zich niet storen
aan oorspronkelijkheidseischen, daarvoor
heeft zij te veel haast”. En ik, die altijd
meende, en nog meen, dat kunst tijd
noodig heeft om te rijpen en oorspronkelijkheid
een eerste vereischte is.
Nog een enkel woord over het verwijt
van den heer Mirande, dat zijn verdediging
van „Hart van Holland” niet is overgenomen
en wel de aanval van den heer
Nijhoff. De reden is eenvoudig deze: de
heer Mirande vergat — en doet het ook
nu — dat Jan H. Eekhout
de noten overnam
en dus regelrecht uit Scheurleer
overschreef zonder een eigen keuze te
doen. Dat is het kardinale punt.
De lengte van het artikel van Mirande
belet mij op de details in te gaan, maar
ten slotte wil ik hem wel de verzekering
geven, dat ik het mijn plicht achtte de
lezers te wijzen op de manier, waarop
Eekhout
zijn „motieven” meende te moeten
ontleenen aan anderen, zonder vermelding
van bron.
De kwestie Eekhout
Wij ontvingen een schrijven van den
heer Eekhout
, dat wij hieronder in
extenso afdrukken. In een begeleidenden
brief verzoekt de heer Eekhout
ons „te
willen verhinderen,” dat onze kunstredacteur,
G.H. 's-Gravesande
, „zoo
onnobel handelt.” Ook zonder dit verzoek
ziet de heer 's-Gravesande
uiteraard van
verdere discussie af.
Groningen, 30 Juli 1942.
Mijnheer G.H. 's-Gravesande
,
Ik verzoek u dringend mij niet langer te willen belasteren. Ik ben geen dief en dat weet gijzelf zeer goed. U laat u door haat leiden.
Wat Poncke
betreft merk ik nog dit op:
Poncke
's gestalte is ontstaan uit de anecdotische
folklore veler landen. Wanneer u een
wandeling door de Groningsche anecdotische
folklore zoudt willen maken zoudt u Poncke
in verkleeding tegen het lijf loopen. Ik heb
als schrijver het recht van deze bronnen
voluit gebruik te maken, ook dit weet u zeer
goed. Wanneer uw dwaze theorie opging dan
zouden tal van schrijvers van plagiaat kunnen
beschuldigd worden. En zeg eens: u wilt
toch zeker niet beweren, dat Poncke
niet
een oorspronkelijke gestalte is geworden?
En om nog even, en voor de laatste maal, op Hart van Holland terug te komen: de aanteekeningen daarin zijn niet zoomaar klakkeloos overgenomen en met de door mij gekozen gedichten is dit evenmin het geval, anders zou er een zeker gedicht erg gehavend vanaf gekomen zijn.
En wil u mij thans met vree laten?
(w.g.) Jan H. Eekhout