Eekhout en de Lapschuersche Guychelaer
JAN H. EEKHOUT
. PASTOOR PONCKE (G.F. Callenbach. Nijkerk
. 1941.)
(Roel Houwink.) Op waardige wijze
sluit dit legendarisch levensbericht van
pastoor Poncke, den zielherder van
Damme
, aan bij Eekhout
's jongsten,
magistralen roman „Tijl Uilenspiegel
in
Vlaanderen”, waarvan wij destijds in
deze kolommen uitvoerig gewag hebben
gemaakt.
Beide boeken liggen op hetzelfde
plan. Zij gaan uit van een levensvisie,
die benoorden den Moerdijk
moeilijk
wordt verstaan, ofschoon men er stellig
verkeerd aan doet, haar te beschouwen
als een typisch uitvloeisel van de
Vlaamsche mentaliteit.
Want al moge Eekhout
een schijver
zijn, wiens werk een uitgesproken
„regionaal” karakter draagt, d.w.z. in
uitdrukkingswijze en verbeeldingsmogelijkheden
nauw aansluit bij het taaleigen
en de levenswerkelijkheid van een
bepaalde streek, daarmee is nog volstrekt
niet gezegd, dat ook de geest,
dit uit Eekhout
's oeuvre spreekt, regionaal
moet worden genoemd.
Integendeel — en het is reeds een
bron geweest van veel misverstand ten
aanzien van de boeken van dezen schijver
— men doet er verkeerd aan Eekhout
's
productie in dezen zin te
interpreteeren als regionale literatuur;
als literatuur dus, die, strikt genomen,
slechts beteekenis zou hebben voor de
streek, waar zij ontstond.
Wij ontkennen het bestaan van zulk
een streek-literatuur niet — zij heeft
haar goed recht van bestaan daarenboven
—, maar Eekhout
's oeuvre behoort
tot haar niet.
De figuur van pastoor Poncke is
Vlaamsch in hart en nieren, maar zij is
daarnaast — daarbovenuit! — algemeen-menschelijk
en het is zeker geen
toeval, dat de zieleherder van Damme
van zichzelf getuigt dat hij niets menschelijks
zich vreemd acht (bladzijde 73).
Trouwens, de beide motto's, die de
schrijver aan zijn boek vooraf doet
gaan, het eene van Albert Plasschaert:
„Humor is een zacht moedig zijn”, en
het andere van Schiller
: „Der Mensch
ist nur dort ganz mensch, wo er spielt”,
wijzen erop, dat men althans de bedoeling
van den schrijver ten eenenmale
misverstaat, wanneer men in zijn verhaal
niets anders ziet dan een van de
vele „smeuige vertelsels”, bestemd, naar
een woord van Stijn Streuvels
, voor den
export: een soort van verhalen, waarvan
het publiek langzamerhand genoeg gekregen
heeft.
Echter niet alleen naar de bedoeling van den schijver, maar zeer zeker ook volgens de innerlijke structuur van het boek zelf, stijgt de figuur van pastoor Poncke verre uit boven het type van den Vlaamschen dorpspastoor, zooals wij dat kennen uit de bovengenoemde vertelsels, die, voorzoover zij niet behooren tot de streek-literatuur in engeren zin, toch voor den buitenstaander slechts de waarde van „curiositeiten” hebben.
Eekhout
's pastoor Poncke echter geeft
een belichaming van het Franciscaansche
levensideaal, die daar zeer verre
boven uitgaat. Deze priester, geteekend
in zijn naakte menschelijkheid en
tegelijkertijd in het vol besef van zijn
geestelijke roeping, door het leven gedragen
op de vleugelen van een humor,
die nergens in bitterheid mondt, maar
steeds „zacht-moedig” blijft, vertegenwoordigt
een menschelijken levensvorm,
waarvan wij niet genoeg kunnen leeren.
Natuurlijk zal men zich ergeren aan
de menschelijke zijde van dezen pastoor
Poncke. Maar — het is een heilzame
ergernis! „Pastoor Poncke” behoort tot
die boeken, waarvan, volgens Gide
, een
mensch anders wordt, wanneer hij ze
ten einde gelezen heeft.
Tot zoover Roel Houwink. Een andere medewerker schrijft ons nog het volgende:
Ik heb Jan Eekhouts
„Pastoor
Poncke” gelezen, tot nu toe de laatste
der „pastoorromans”, niet de minste,
volgens mijn bescheiden meening.
Maar toen ik daarin „het Sermoen van
zijn leven” las en Poncke zijn droom
vertelt, hoe God hem vroeg, hoe de
hem toevertrouwde Schaapkens het
maakten, daar in Damme
, en als antwoord
kreeg: „Heer — het zijn geen
schapen, maar zwijnen” (bladzijde 137), dacht ik bij
mezelf: dat komt uit den „Lapschuerschen
Guychelaer”, Eekhout
, die je als
Sluische
jongen, natuurlijk kent. Daar
staat dezelfde grap van den „paep”
van Lapschuere
, die zegt alleen maar,
als hij zijn droom verteld, geen „zwijnen”,
maar „…zwiens”. Waarmede
tevens de verhouding van den pastoor
van Lapschuere
Heldewijs tot Poncke,
den herder van Damme
, geteekend is.
Lapschuere
of Lapscheure
is een klein
boerendorpje in het Vrije van Brugge
,
dicht bij Sluis
. Daar schijnt in het midden
der achttiende eeuw een pastoor
Heldewijs gestaan te hebben, bekend
om zijn boersche gevatheid en laag-bij-den-grondschen
humor. Zoo in den
trant van de humor van het Getrouwe
Maldeghem, waarin wijlen Victor de Lille
zijn snaaksche invallen botvierde
tusschen de meest serieuze berichten
in. De grollen van Heldewijs, gebeurd
of aan zijn persoon vastgehecht, zijn
verzameld in een echt volksboekje, dat
gelezen werd en misschien nog gelezen
wordt in de lange winteravonden op
de boerenwoningen in West-Vlaanderen,
wanneer het gezin achter de
„Stove” zit om zich te warmen en
waarvan de grappen verteld worden
in de volkssocieteit, op den hoek van
de straat, den „breeden raad”, waarin
de dorpspolitiek verhandeld wordt.
Het boekske, de „Lapschuersche
Guijchelaer”, d.i. Spotvogel, bestaat in
verschillende uitgaven, onderling afwijkend,
maar alle bestaande uit korte
voorvalletjes, waarin Heldewijs, als een
achttiende eeuwsche Tijl Uilenspiegel
,
met een handigheidje of een boertig
gezegde de hoofdrol vervult. Soms
zijn ze een weinig stekelig, soms ook
een ietwat moraliseerend.
Merkwaardig is de goede verstandhouding
met de autoriteiten in het
Staatsche Sluis
; bij den commandant
der stad Lannoy is de pastoor als kind
in huis. Als hij voor de poort komt,
moet de wacht hem in het commandeurshuis
brengen, zóó is deze op zijn
gezelschap gesteld. Dit neemt niet weg,
dat hij op listige wijze de pastei, bestemd
voor een maaltijd met gasten bij
den gouverneur van de „Sluische bargie”
(trekschuit), weet te bemachtigen
en te vervangen door een andere, gevuld
met wortelen, uien enz. Als het
uitkomt „juicht men Lapschuere
proficiat
toe”.
Ook de verhouding tot de dominé's in
het Protestantsche Vrije van Sluis
is
goed: ze plagen elkaar voortdurend en
Lapschuere
is de gevatste natuurlijk.
Zoo staat op zijn naam het verhaal, dat
vier predikanten, gezeten in een
rijtuig, hem tegenkomen, die te voet
naar Sluis
gaat. Ze vragen hem, waarom
hij te voet gaat en „geen peerd genomen
heeft, gelijk daar Jezus op gereden
heeft”? Heldewijs antwoordde: „dat er
nergens geen ezels meer te vinden zijn,
omdat zij alle nae Leyden getrokken
zijn om dominé te worden”. Herkent
men hierin de grap niet, die mutatis
personis aan den predikant Kamerlid
Lieftinck
toegeschreven werd, die een
burgemeester in het ootje nam?
Verder vindt men erin gevallen van verwisseling van kleeding; kwestie's met de boerenparochianen, over zijn geldmiddelen enz.
Wie een der oude edities van den
„Lapschuersche
Guychelaer” in haar
sitsen omslagje tegenkomt, is niet bekocht,
als hij het weet te verkrijgen.
Maar hij denke niet, dat hij daarin den
oer-pastoor van Jan Eekhouts
Pastoor
Poncke zal ontmoeten: wie dat denkt,
zal zich bekocht gevoelen. Want Eekhouts
boek staat tot de Lapschuersche
Guychelaer als een zang van Vondel
tot
den „Moord van Raamsdonk”
.
(uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 nov 1941, op microfilm beschikbaar in de KB)