— (…) och, Heer, zend een hemelkuipken nat over hun gronden
opdat de versch geschoren beemden
malsch groenen en,
bovenal, de koorns zwellen van de welligheid!
Heer, gedenk die van Damme
— de overigen in Vlaanderen moeten,
zoonoodig, het hunne maar doen, ìk weid aléén mijne
parochie
—, gedenk hun geschokte hoop en gemuizeneer en —,
och, gedenk, Heer-God, tevens Uwen Dienaar en diens moeshoveke
achter de pastorij
, alwaar de salade zoo triest schrompelt
— het is toch, zoo régen Uw wil is, voor U ééne handeling, nietwaar?
…
(…)
Bij het hofpoortje der pastorij
klom Pastoor Poncke
van Socrates
af. Hij kwam met het dier binnen het eigen omhein, stapte
meteenen tot over de gespschoenen in het water en sipte op zijn
groenselveld, dat niet langer scheen te bestaan, want volledig
blank stond van water.
— Héére, Socrates
, stiet
hij uit, — mijn veld is verloren!
Teleurstelling donkerde over Pastoor Poncke's
gelaat, verzwond
ten deele. En zoo blijmoedig als hem moogelijk was, zegde hij tot God:
— Heer, hoe zoude ik U hiervan betichten
? Wel hebt Gij in al
te rijkelijken overvloed mijn veld met Uw regen gezegend, maar
schuldig zijt Gìj nìet. Neen, niet gìj zijt hieraan schuldig, doch
ik, Benedict Poncke
, die U dezen moeshof heeft aangewezen!