Roem uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

(…) Mijn graf worde gedekt met een naaktenwoord, effenwoord zerksteen, opdat de wandelaar mij gemelijkwoord passeere als lag het lichaam van Benedictus PonckePoncke nìet daaronder, want wat is het lichaam eens menschen? Aarde van de aarde en niemendalwoord meerder en niemendalwoord minder. En nimmer was ik per slot ijdeltuitig. — Hebt gij 't? —

Mijn-Heer VercuyckVercuyck hief het hoofd:

Verschooningwoord, ik heb het. Het komt mij echter voor, Eerwaarde, dat gij deze beschikking… hm… valschelijkwoord baseert. Gij wenscht, dat uw graf niemands aandacht trekt. Op deze wijze bereikt gij zulks — verschooningwoord — slechts lastig. Uw zerksteen zal de eenige zijn zonder inscriptie. De wandelaar raakt hierover in verbazing. Hij klampt den grafmaker aan en hij verneemt, dat de steen de uwe is. Dieswoord houdt hij uw naam heftig in leven, spijtswoord uwe oogmerkenwoord.

— Héé, dan geschiedt het volkomen buiten mijn schuld en jaag niet ìk op roem, maar de roem op mìj. Tegen zoo entwatwoord kan ik mij niet verdedigen, Mijn-Heer VercuyckVercuyck.

(bladzijde 254-255)
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl