(Pastoor Poncke
wil een nieuwe ezel kopen en onderhandelt met een verkoper.)
Mijn vriend, het rechteroor
hangt slutser
dan het linker. Hóórt hij uitmuntend? Ja? Dan
is zulks geen bezwaarnis. (…) Ik ben, denkelijk,
tevreden. Ei, ik vergeet nog iet. Lóópt hij bekwamelijk
?
— Lóópen, Mijn-Heer Pastoor? Dràven bedoelt gij. Hij draaft
in één asem
van Brugge
naar Sluys
!
— Héé, dat is spijtig, verklaarde Pastoor Poncke
ontgoocheld.
— Wat moet ik in Sluys
doen! Neen, alsdan
kan ik hem niet gebruiken.