— (…) De boeren van het omme
nu vergaten het tweede der
Tien Geboden: pleeg
barmhartigheid aan duizenden dergenen,
die Mij beminnen en Mijne geboden onderhouden… De boeren,
vrienden, pleegden
puur barmhartigheid aan zichzelve. Toen
peinsde
ik: Paap
Poncke
, gord u aan ten heiligen roof, want gij
vermoogt
het, 'laas niet gelijk
de Heer Jezus met vijf brooden
vijfhonderd man te spijzigen
… Waarom lacht ge, doorluchtige
kapitein?
— Het waren er vijf duizend!, grinnikte de een-oogige lijze.
— Sst!, beaamde Pastoor Poncke
haastig, en zich naar hem toebuigend:
— Niet zoo luid, uwe onderdanen, aan hunne tronies
te bespeuren
, gelooven mij amper de vijfhonderd… (en hij vervolgde
onverstoorbaar:) — …omtrent vijfhonderd man spijzigde
.