de Latijnse spreuken uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout
Vale
Blijf gezond; vaarwel. (bladzijde 20, 28, 161, 205, 223)
Ite missa est
Gaat, de mis is volbracht. (bladzijde 21)
Sobrii estote et vigilate.
Houdt uwen geest helder en waakzaam. (bladzijde 22)
Labora sicut bonus miles Christi.
Arbeid als een goed soldaat van Christus. (bladzijde 22)
Silentium.
Zwijg. (bladzijde 23, 65, 70)
Prohibe linguam tuam à malo.
Hoedt uwe tong voor het helsche. (bladzijde 26)
Nomen est omen.
De naam is een voorteken (bladzijde 26)
Qui nescit dissimulare, nescit regnare.
Wie niet veinzen kan, kan niet heerschen. (bladzijde 29)
Nil desperandum.
Men wanhope nimmer. (bladzijde 30)
Festina lente
Haast u langzaam. (bladzijde 30)
Accidit in puncto, quod non speratur in anno
In één oogenblik gebeurt, wat in geen jaar verwacht werd. (bladzijde 32)
Si Deus pro nobi, quis contra nos?
Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (bladzijde 34)
Vigilate!
Waakt! (bladzijde 34)
Ora et labora.
Bidt en slameurt. (bladzijde 39)
Mea culpa.
Ik beken schuld. (bladzijde 43, 93)
Pulvis es et in pulverem reverteris
Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren. (bladzijde 49)
Anno Domini
(Het jaar onzes Heeren.) (bladzijde 53, 258)
Quid faciendum?
Wat verlangt gij? Wat moet er gedaan worden? (bladzijde 55)
Carpe diem
Pluk den dag. (bladzijde 62)
Nullus amicus magis liberat, quam liber.
Geen vriend schenkt mij grooter vermaak dan de boeken het mij doen. (bladzijde 64)
Neque enim disputari sine reprehensione potest.
Zonder tegenspraak is alle discussie onmogelijk. (bladzijde 65)
Tentare licet.
Beproeven is geoorloofd. (bladzijde 67)
Sic itur ad astra.
Aldus stijgt men naar de sterren. (bladzijde 68)
Ad fundum!
letterlijk: tot den bodem; gezondheidswensch; gezondheid! (bladzijde 69, 260)
Homo sum et nihil humani a me alienum puto.
Ik ben een mensch en niets menschelijks is mij vreemd. (bladzijde 73)
Vivat.
(Leve.) (bladzijde 75, 167, 204)
Leve sit, quod bene fertur onus.
Licht is de last, wanneer men hem bekwaam torst. (bladzijde 83)
Ubi non est mulier, ibi ingemiscit aeger.
Waar geen vrouw is zucht de kranke. (bladzijde 83)
Pecuniae oboediunt omnia.
Alles gehoorzaamt het geld. (bladzijde 84)
Crux ancora vitae.
Het Kruis is het anker des levens. (bladzijde 90)
Boni pastoris est tondere pecus, non deglubere.
Het betaamt een goeden herder wel, dat hij zijn schapen scheert, niet dat hij ze vilt. (bladzijde 94)
Nullum sine auctoramento malum est.
Elk kwaad bezit zijn goede zijde. (bladzijde 95)
Dei dicere est facere.
Gods zeggen is doèn. (bladzijde 99)
Vad retro, Satanas.
Wijk vàn mij, satan! (bladzijde 108)
soli Deo gloria
Aan God alleen de eer. (bladzijde 109)
Proficiscere anima christiana…
Vertrek, Christene ziel… (bladzijde 118)
Finis coronat opus.
Het einde kroont het werk. (bladzijde 119)
Domine! quid me vis facere?
Heer, hoe moet ik handelen? (bladzijde 120)
Mors honesta vitam etiam turpem exornat.
Een eerlijke dood siert zelfs een schandelijk leven. (bladzijde 124)
Homo sum.
Ik ben een mensch. (bladzijde 124)
Pro hoc mihi debetur cyathus.
Hiervoor komt mij een kelk wijn toe. (bladzijde 125)
Peccavi!
Ik heb gezondigd. (bladzijde 129)
Domine, miserere super peccatore.
Heer, wees den zondaar genadig. (bladzijde 129)
Principis est virtus maxima nosse suos.
De voornaamste verdienste van een vorst bestaat in diens kennis van zijn onderdanen. (bladzijde 130)
In nomine Domini sit (fit, zie dit artikel) omne malum.
In den naam des Heeren bedrijft men alle boosheid. (bladzijde 138)
Os, quod mentitur, occidit animam.
De mond die leugen spreekt, doodt de ziel. (bladzijde 138)
Nisi efficiamini sicut parvuli, non intrabitis in regnum coelorum.
Indien gij niet gelijk de kinderen word, zult gij het Koninkrijk Gods niet binnentreden. (bladzijde 147)
Flagellum Dei.
Geesel Gods. (bladzijde 154)
Mala tempora currunt.
Het zijn slechte tijden. (bladzijde 156)
Ante fores Gehennae stat Misericordia, et nullum misericordem in illum mitti carcerem permittat
Voor de hellepoort staat de Barmhartigheid teneinde te verhinderen, dat een mild man in het helsch gevang belandt. (bladzijde 162)
Eleyson!
Verhoor ons! (bladzijde 162)
Sana in corpore sano.
Een gezonde geest in een gezond lichaam. (bladzijde 165)
Nemo ante obitum beatus dici potest.
Prijs niemand gelukkig alvoor hij zijn leven beëindigd heeft. (bladzijde 166)
Valete.
(Gegroet.) (bladzijde 170, 261)
Pater sum, ergo cave. Qualis vita, finis ita. Furca vacua, et silva latronum plena.
Ik ben pastoor, dus hoedt u. Zooals men geleefd heeft, sterft men. De galg is leeg en het bosch is vol dieren (dieven, zie dit artikel). (bladzijde 176)
Dum spiro, spero.
Zoolang er adem is, is er hoop. (bladzijde 178)
Hunc deridendum vobis propino!
Ziethier, gijlieden, deze bespottelijken sinjoor! (bladzijde 187)
Laudáte Dóminum, omnes gentes; laudáte eum, omnes pópuli! Quóniam confirmáta est super nos…
Looft den Heere, alle heidenen, prijst Hem, alle natiën; want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons… Psalm 117. (bladzijde 188)
Perpetus vincit, qui utitur clementia.
Wie zachtmoedigheid betracht, overwint immer. (bladzijde 190)
Vox populi, vox Dei
De stem van het volk is de stem van God. (bladzijde 191)
Mundus vult decipi
De wereld wil bedrogen zijn. (bladzijde 195)
Cura ut valeat.
Zorg, dat het u goed gaat. (bladzijde 203)
Petra
Petra: rots. (bladzijde 204)
Noli turbare circulum meum.
Wil niet mijn kring verstoren. (bladzijde 210)
O Sancta Sobrietas!
O, Heilige soberheid. (bladzijde 220)
Omnio caro foenum.
Alle vleesch is hooi. (bladzijde 239)
Usque adeone mori miserum est?
Is sterven zulk een jammerlijke zaak? (bladzijde 245)
Dum licet obducta solvatur fronte senecus,
Dat de grijsheid vroolijk weze zoolang zij het nog vermag. (bladzijde 245)
Dum spiro, spero
Zoolang er adem is, is er hoop. (bladzijde 245)
Age nunc, finis meorum annorum…
Kom thans, einde mijner jaren… (bladzijde 250)
Feminis lugere honestum, viribus meminisse.
Der vrouwen gevoegt treurnis, den mannen herinnering. (bladzijde 250)
Relegentem esse oportet; religiosum nefas.
Men moet zich godvruchtig gedragen, niet femelachtig. (bladzijde 251)
Quid sine pectore corpus?
Wat is het lichaam, waar geen kracht meer in is? (bladzijde 253)
Omnia mea mecum porto.
Mijn gansche have draag ik met mij. (bladzijde 254)
In primis.
(Ten eerste.) (bladzijde 254)
Item.
(Het volgende punt.) (bladzijde 254)
Morituri te salutant.
Zij, die gaan sterven, groeten u. (bladzijde 260)
Viso Poncke vidisti omnia.
Hebt gij Poncke gezien dan hebt gij alles (te Damme) gezien (variant op de uitspraak van den filosoof Toxaris, een uitspraak omtrent Solon en Athene). (bladzijde 260)
Tetrica sunt dissipanda jocularibus!
Verdrijf de droefenis door opgeruimdheid. (bladzijde 261)
Bibe laete cum pastore tuo!
Drinkt vrolijk met uwen herder! (bladzijde 261)
Denique coelum…
Eindelijk de hemel. (bladzijde 263)