Vrucht uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

En hij, PonckePoncke, was PonckePoncke niet —, hij was kóren en ruíselen, waarop en waarin zich pimpampoentjeswoord neerlieten om een wijlkenwoord te verademen van hun sidderende vlucht. Ja, van hèm, Pòncke, resttewoord niets dan zijn ziel, die zich volkomen vereenzelvigde met het veld. En dit beduiddewoord een zalig geluk.

Ergens onder zijn schedel zat het weten weggescholen van een van allen droom ontdane wezenlijkheidwoord, doch angstvallig hoedde hij zich, het uit zijn hoek te halen. En het koren wierdwoord Gód, hij werd één met God, hij ging in God teloor, maar niet vèr-loren, want in zijn verrukking heemdewoord, een zekere bewustheid. Namen kwamen hem — van Ruusbroecwiki, Thomas a Kempiswiki, Sint FranciscusFranciscus, Böhme en zij waren méde het ruischen, ruischen…

En de tijd stond stil.

De Eeuwigheid suiselde, ruiselde, goudgeele subtijl…

De werkelijkheid keerde — vermitswoord het dènken keerde: de bevreemding vanwege de waarheid, hoe koren per slot bróód was en de eigenaardigheid, dat brood rijmde op dood. En dan, God weet waarvandaan gekomen, vertoonde zich daar almeteenswoord de man met de bloote zichtwoord.

— Héé, zóó algelijk nìet!, riep Pastoor PonckePoncke en in zijn verschotwoord krabbelde hij schielijkwoord overeind.

(bladzijde 212-213)
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl