bladzijde << 153 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

kunst bekwaamwoord verstonden, verzocht hij zelve om eenig liedeke. Het liefst waren hem woord en wijze van „Lauwerier”. Dit liedeke stond bijsterwoord blijzaam en gaarne neurde hij het mede:

Wij komen getreden met onze starre, Lauwerier de Cransio. Wij zoeken heer Jezus, wij hadden hem gaarne, Lauwerier de Cnier. Zijn Karel Konings kinderen, Pater bonne Franselijn. Jeremie.

Naarmate het lied het slot naderde, zong Pastoor PonckePoncke luider mede, als ware hij een vierde Koning uit Oriënten:

O, Starre! ge moet er zoo stille niet staan, Lauwerier de Cransio, Ge moet er met ons naar Bethlehem gaan, Lauwerier de Cnier…

Te Bethlehem in die schoonewoord stad, Lauwerier de Cransio, Waar Maria met haar kindje zat, Lauwerier de Cnier…

Over het ganschewoord bevond Pastoor PonckePoncke den Koningenzang weergaloos, hij mocht komen uit de versleten gorgels van verlompte peekenswoord of uit de krachtiger kelen der prilleren. :— Me-Vrouwe de BaljuwinBaljuwin, Katrijne-dochterKatrijne, streeft de leeuwriks en nachtegalen op het clave-cyn opzijde — doch er mangelt haar entwatwoord, 't zit niet hier in, 't zit niet daar in, het mangelt Me-Vrouwe aan… nooddruft. Zij speelt uit weelde, weet ge.

153
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl