De boerin gaf een hoofdwenk aan een der boevers
, die rees en
zich verwijderde.
— Danke, bazin, hernam Pastoor Poncke
. — Al wat leeft bezit
buik en moet verzadigd worden… Tja…
Hij stokte vermits
de boer de strakke tronie
naar het venster
wendde, zag mèt hem overerfs den midnoen
zengen en zinderen
op het onbewegelijk koren, begon te eten en voelde zich bijster
gering en onbehaaglijk. …Ai-mij, ai-mij!, dacht hij.
— Tja…, herhaalde hij een weinig later zich vermand hebbende. En apartelijk tot den bitteren boer:
— Mijn vriend, ik ben een kenner van de breinen der menschen.
Ik weet wat er in u woekert. Ge steekt vol misprijzen jegens paap
Poncke
en peinst
: kàllen en kùnnen zijn twéé! Nietwaar?
De boer maaltijdde.
— Héé, streed Pastoor Poncke
na eenige oogenblikken voort,
— ge zijt al eender ongenaakbaar
als dezen morgen Ons-Heer.
Ik hellevaart bijkans
voor u en het is u geen nestpluim.
— Een algemene ommegang…, loosde de boer stekelig van
boven zijn teljoor
.
— Ik wéét het, gij verwacht wonderen van een algemeenen
ommegang. Ziet God, alzoo redeneert ge, de Damsche
parochie
in plechtige processie
door de velden tiegen
, het gemoed wordt
Hem eensslags zóó week, dat Hij subiet Zijne sluizen openwerpt.
Ge vergeet echter, mijn Vriend, dat de vorige processie
pas na
veertien dagen vocht opleverde.
— Mag zijn, maar gìj alléén zult dan…
— Tut-tut, bezwoer Pastoor Poncke
. — Parijs en Rome zijn niet
in een amerij
gebouwd. Vijf uurkes nog slechts besteedde ik aan
mijne geestelijke ronde. Vijf uurkes erbij en…
— Wij zullen zien!, liet de boer schamper los.
Pastoor Poncke
vermaalde langzaam een brokske spek, slikte het