meer als daarseffens. Ik zie echter het schof
niet. Wacht eens…
ik mag het kobbenet
niet rijten, de kobbe
heeft het zoo schoon
gevlochten…, — wacht eens, zóó kan ik zien… gìnder
gaapt het schof
… warempel, de zon valt er door, mijn Vriend.
We zullen nog efkes geduld oefenen.
Pastoor Poncke
verstrengelde de vingers op den rug, dubde
langen tijd over entwat
, vezelde nadien
:
— Neen, dat kàn niet… En tòch… (dan luider:) Socrates
,
ei, de regen heeft opgehouden en de zon wordt weder gebieder.
Wij gaan huiswaarts.
Pastoor Poncke
voerde, alsaan
peinzend
, Socrates
aan den teugel
het stalleken uit. Weer onder Gods hemel, hield hij verrast halt,
met een snok
het gelaat heffend.
Bedwongen jubelend, sprak hij:
— Sócrates
! Sócrates
!, Zíe toch! De wereld is nieuw geworden!!…
Hij verstilde, staarde nadenkend voor zich uit, keerde zich dan
tot Socrates
en zegde gejaagd:
— Het kan tòch, Socrates
—, het kan tòch! God heeft mij,
armzaligen dienstknecht, gehoor geschonken. Hij heeft mijn gebedswoord
màchtig doen zijn. Sócrates
, Sócrates
: dat is een
mirakel
! Wie deden mirakelen
? De Apostelen
en de Heiligen.
En al ben ik apostel
noch heilige, niettemin bewerkstelligde
ik een
wonder en zulks duidt op een uitverkozenheid. Socrates
!
(Pastoor Poncke
werd heel overmoedig!), ik wil het bestaan, deze
uitverkozenheid te beproeven… nietwaar? : onderzoek alle
dingen en
… Socrates
, ziet gij dien tronkboom daar bij de heg?
Welnù…
Pastoor Poncke
strekte de armen naar den wilg en uitte
magisch:
— Tronk, in Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes: kom tòt mij!