de steen de uwe is. Dies
houdt hij uw naam heftig in leven, spijts
uwe oogmerken
.
— Héé, dan geschiedt het volkomen buiten mijn schuld en jaag
niet ìk op roem, maar de roem op mìj. Tegen zoo entwat
kan ik
mij niet verdedigen, Mijn-Heer Vercuyck
. Ik ga verder.
— Ik luister, Eerwaarde.
— Item. Ik schenk Katrijne Celestine Houwaert
, mijne maarte
,
die mij heure
kostelijke dienstbaarheid uitermaten gaaf toewijdde
—, ik schenk Katrijne
alle mijne meubelkens en al het
keukengerief et cetera, en al mijn baar
geld plus de twee waardepapieren,
welke te vinden zijn op het schab
in mijne librije achter
de root boeken… — Ja, mijn Vriend, ik ben rijker dan ik vermoedde.
Die actes erfde ik voor jaren van een nonkel
van mij.
Ik was ze vergeten. Ze lagen al dien tijd op het schab
. Ik ontdekte
ze eenige maanden her. Ze zijn van een scheepvaartsociëteit —
wèlke is mij ontglipt. Ik dacht, dat ze waardeloos waren geworden,
maar de Baljuw
zegde mij het tegendeel. Och, ik hechtte
nooit aan munt. Het is een demonieke uitvinding. Wat hebt gij
zooefkes neergeschreven, mijn Vriend?…
— …twee waardepapieren, welke te vinden zijn op het schab
in mijne librije achter de root boeken…, las Mijn-Heer Vercuyck
stijvelijk.
— Danke. …opdat zij — de maarte
, mijn Vriend —, opdat
zij heur
inkoope op het bagijnhof
en een wit leven leide tot aan
haar stervenszucht.
Item. Ik stel mijn weergaloozen Vriend Socrates
, dien ik in den
hemel zal wederzien — de dieren belanden allen in het paradijs,
mijn Vriend, vermits
zij schuldeloos zijn. Toefden zij niet reeds
in den Hof van Eden
, den Tuin der Gelukzaligheid door den
Heer-God oorspronkelijk als bestendig
bedoeld? Hebben zij hun
recht op den hemel deels verbeurd, gelijk
de domme mensch?