alleenlijk mijne stoffelijke kleedije, het vergankelijk lijf, dat aarde
is van de aarde —, ikzelve, Poncke
van Damme
, zal verblijven
bij Ons-Heer in den hemel. (bladzijde 254-255)
(Deze uitspraak is een kopie van die van Jacob van Maerlant
)
Katrijne
, zijn dienstmaagd, moet daar bijster
koppig over hebben
geweend, doch Pastoor Poncke
bleek niet te vermurwen. En
bovendien, hij zoude Katrijne
eene overwinning niet gaarne hebben
gejond
.
Pastoor Poncke
wierd
door die van Damme
gevreesd en bemind,
juist gelijk
het met God gesteld is. Het hart der Dammenaren
lag
hem open en bloot en geeneen vermocht
het, hem entwat
kwalijks
verdoken
te houden. Met recht liep Pastoor Poncke
hier fier op.
Wanneer hij vanaf den kansel
in den eenigen bruikbaren beuk
van het voor drie kwart verpuind schip sprak van „Beminde
Parochianen
!”, alsdan
meende hij zulks voluit, evenals hij het
voluit meende, wanneer hij zijn sermoen
inzette met: „Dwazelingen,
gij…!”
Men kan bezwaarlijk gelooven, dat één der schapen, tenzij de
Baljuw
, Pastoor Poncke
ooit waarlijk doorgrond heeft in zijne
vreemde doeningen
— 'tgeen feitelijk niemendal
hinderde, genoeg
als het was, dat het volk hem zonder het geringst voorbehoud
als herder aanvaardde.
Pastoor Poncke
gold een uiterst bekwaam
herder. Hìj was de ziel van
Damme
. Wie „Pastoor Poncke
” zegde, zegde „Damme
” en wie
„Damme
” zegde, zegde „Pastoor Poncke
”. De ziel van Damme
is dood sedert Pastoor Poncke
verscheidde
.
Pastoor Poncke
was een devoot
man, een voortreffelijk priester,
een vlijm
realist zoo 't van noode scheen, en een merkwaardig
en grillig filosoof. Als filosoof behoort men hem mogelijk te
voegen bij de sofisten
. Neen, beter is het, te zeggen, dat hij was
een droomer, een dichter en als dichter een speler. Pastoor Poncke