bladzijde << 7 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

was de dichter (de filosoof) van het schijnlijke. Uit deze houding sproten zijne eigenaardige daden voort. Hij be-leefde het schijnlijke, het groeide bij hem tot eene onomstootelijke logische wezenlijkheidwoord, waarvan de konsekwentie hem menigwerfwoord schade bezorgde. Maar hij leed elk ongerief effenwoord blijmoedig. Hij erkende nu eenmaal de wetten van het spel, hetwelk hij, als het ware passief, speelde met een geweldigen ernst — en zulks dus geheel anders dan de spotzuchtige Uilenspiegelwiki, van wiens bloed ontegenzeggelijk iets brandde in het zijne.

Pastoor PonckePoncke is vergeten. En toch was hij die man, die eens, den kanselwoord hebbende beklommen, zijn parochianenwoord vroeg: — Ik ben uw leeraar, gij kènt de zaak, waarover ik u spreken ga? :— Neen, mijn-Heer Pastoor. — Hoe zou ik u dan, gaf PonckePoncke ten antwoord, — eene zaak ontwikkelen, waarvan gij geen begrip hebt? — en hij daalde den kanselwoord af en begaf zich ter sakristijwoord. Even nadienwoord verscheen hij weêrom, besteeg het gestoelte en vroeg: — Weet gij, beminde parochianenwoord, 'tgeen ik u te zeggen heb?: — Wij weten het!, riep een listigaard. Doch Pastoor PonckePoncke bescheiddewoord: — Wat zal ik dan moeite doen u iets te ont-dekken wat u reeds bekend is! — en hij verliet andermaal den kanselwoord, om na luttelwoord tijds er terug te keeren en thans te vragen: — Weet ge, parochianenwoord van Dammewiki, waarover ik u te spreken heb? Weder klonk de stem van den sluwaard van zooseffenswoord: — Mijn-Heer Pastoor, sommigen weten het, anderen niet. : — Welaan, sprak pastoor PonckePoncke, — dat zij, die het weten, het dan berichten aan hen, die het niet weten! — en hij beëindigde de zondagsmis zonder preek.Hodja

Uit vergeelde papierbladen, bedekt met een verbleekt schrift van een onwennige hand, de hand van een ouden boer uit de zestiger jaren (van de 19e eeuw), is de gestalte van Pastoor PonckePoncke tot mij gekomen, en deze

7
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl