bladzijde << 41 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke hervatte:

— Doch terzake, CorneelCorneel. Wanneer bewerkt gij mijnen bodem? — 't Is een zucht gereed, Mijn-Heer Pastoor. De aarde efkes effenen, het zaad erin… Een zucht, geloof mij.

— Ik vroeg u, wannéér gij zuchten zult!, zegde Pastoor PonckePoncke gestreng.

— Te noenwoord, na stondewoord van twee, Mijn-Heer Pastoor, zult ge mij te uwent zien met rijfwoord en zaad. Ziet ge mij niet, dan is 't dat ik dood ben, zwoer Corneel CaboorCorneel.

— Ik geloof u. Danke, CorneelCorneel.

Pastoor PonckePoncke kwam aan de pastorijwoord, klom van zijn dier met behulp van den meteoriet. Hij bracht SocratesSocrates in den stal, polste in de keuken KatrijneKatrijne omtrent het noenmaalwoord, begaf zich naar zijn boekerijwoord en schikte zich behaaglijk in den rietenen zetelstoel bij het venster. Het aantal boeken van Pastoor PonckePoncke hadt ge tendenwoord becijferd met twintig. Zij reekten, allen in velijnwoord gebonden, op een enkel wandschap. Ge zaagtwoord er, om de bizonderste te noemen, de geschriften van Jan van Ruusbroecwiki, de rijmwerken van Jacob van Maerlantwiki, de Levens der Heiligen, de Bloemekens van Sint FranciscusFranciscus, twee deelen over den Satan in sijn Guchelspel, vervaardigd door den Hollander Simon de Vries, Der Zedige Werken van L. Anaeus Senekawiki, Quintus Kursius' Alexander de Groote en Rossaeo's Gelooven der gantsche werelt. De deur week open en KatrijneKatrijne trad binnen met in de eene hand een stoffige bottelwoord en in de andere een fijn geslepen slanken kristallijnen roomerwoord. Zij zette den roomerwoord behoedzaam op de vensterbank bij haren heer en vulde hem tot op een vingerbreedte van den rand met het vocht uit de flesch.

Pastoor PonckePoncke vattewoord den kelkwoord bij den brozen voet en stak hem omhoog naar het venster. Rijker ontbloeide de wijn aan den dag. Pastoor PonckePoncke betoogde vervoerd:

41
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl