bladzijde << 46 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

ten zoeken. Voorloopig zou PrùyckPruyck Corneel'sCorneel kuil kunnen uitdelvenwoord. Treurig, zulk een verscheidenwoord, want voor Ons-Heer is het te laat, KatrijneKatrijne. Over een stondewoord ga ik in zijn huizeke zien. Hij had zijne feilen, de grafmaker, doch al met al was hij een geloovige ziel, hetgeen hij aan zijn loon, hierna, merken zal. Spoed u, KatrijneKatrijne, wat mart gij nog?

KatrijneKatrijne vertrok. Luttelwoord tijds naderhand riep de doodsklok over de Damschewiki stede en snel verbreidde zich, bij eerste monde van Pastoor Poncke'sPoncke maartewoord, de vermoedelijke toedracht van 's grafmakers overlijden.

KatrijneKatrijne wrochtwoord in de keuken alswoord zij voor den tweede keer en zéér geweldig verschoot. Want door Pastoor Poncke'sPoncke hof beendewoord daar Corneel CaboorCorneel aan. KatrijneKatrijne gaf een gesmoorde kreswoord. Met beide handen greep ze naar heurwoord hart. Haar leden wierdenwoord haar lijkwoord lood. Gestorvenen plegenwoord niet te verrijzen dan als spook, en bij voorliefde te middernacht. De schim van Corneel CaboorCorneel echter stapte met drift op KatrijneKatrijne heurwoord keuken aan en ge hoordet zijne kloefenwoord dompen op de aarde.

— Ah, KatrijneKatrijne, of uw pastoor zòtwoord is geworden met mijnen dood te verspreiden?, uittewoord de gebochelde fel.

— Wèg! Wèg!, gebaarde de maartewoord.

— Ik vraag, of uw pastoor zòtwoord is geworden!, herhaalde CorneelCorneel wild. En dan snerpte hij: — Ha, ge peinstwoord gij, KatrijneKatrijne, dat ik 'ne geest ben, maar voel mijn vleeschke: het is zoo pakbaar lijkwoord dat van u. Duizend graven graaf ik nog voor mijnen dood, wellicht ook het uwe. Dood! Ik, dóód? Waar zit uw pastoor, vraag ik u?

— In… de… boe…kerij…, beefde KatrijneKatrijne. — Ge zijt niet dood, CorneelCorneel?

— Neen, beet de grafmaker en zonder zijne kloefenwoord uit te doen

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl