bladzijde << 48 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

bonkeldewoord hij langs KatrijneKatrijne ter boekerijwoord, klopte met den knokkel op het deurhout, tordwoord binnen.

Pastoor PonckePoncke stond met een hand aan de lange kin zinnend aan het venster. De hand ging neêr.

CorneelCorneel, gìj?, loste hij.

CorneelCorneel — ja-ik, bevestigde de grafmaker een paar schreden naderbijkomend. — Wat zijn dat voor een manieren voor een geestelijke, te kondenwoord, dat ik in lijke lig…!

— Gij waart nìet dood, CorneelCorneel? Gij hebt mij toch zelve gezegd, dat gij dood waart, wanneer gij u niet op mijn veld liet schouwenwoord? CorneelCorneel, gij hebt mij bijaldienwoord belogen? Dat is niet schoonwoord van u…

— Het was slechts bij wijze van spreken, Mijn-Heer Pastoor, antwoordde de grafmaker beduisdwoord.

— Ik gelóófde u, verweet Pastoor PonckePoncke, ik gelóófde u. Ik bespeurdewoord u na tweeslag niet op mijn terrein en wist: CorneelCorneel is dood. Zulks is simpel. Ik liet over u luiden. Zulks is méde simpel. En nu verklaart gij mij, dat gij niet reeuwtwoord. Ik zocht al een vervanger voor u, CorneelCorneel.

— De Lieve-Vrouwe luidt… Ach, doe haar stoppen…

— Uw schuld, CorneelCorneel. Hoe durft gij zoo lichtvaardig talenwoord? De Lieve-Vrouwe tamptwoord uw schuld, uw zonde.

— Doe haar ophouden, alstublieft…

Ik zàl, zegde Pastoor PonckePoncke en hij toog KatrijnewaartsKatrijne en beval haar PruyckPruyck te verdietschenwoord, dat met de luiding alles op een misverstand berustte en dat Corneel CaboorCorneel leefde lijkwoord voorheen. Teruggekeerd bij den grafmaker, die thans zijne kloefenwoord in de handen hield, sprak hij:

— De laatste klepeling zal rapwoord verstreken zijn, CorneelCorneel. Héé, ik ben er nog vol van. Uw dood speet mij oprecht.

— Heel Dammewiki zal mij belachenwoord

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl