bladzijde << 55 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

pastoor Pòncke! Hééla, het is toch te mijnent dat gij alarmeeren moet? Hééla, wie uwer familieleden ligt op het uiterste? Uw váder? Uw moèder? Uw zùster? Uw broèder? Hééla, houd stil. Hier bèn ik al, Pòncke! Zijt gij dóóf? Zijt gij stòm? Quid petis? Quid faciendum?1spreuken Hééla…! Ik zal u openmaken…

Pastoor PonckePoncke liet het venster zakken, glipte in zijn pantoffels, sloeg zich de oppersargiewoord rond de schoêrenwoord, teneindewoord zich voor de nachtkilte in het huis te schutten, nam de flesch met de kaars van het bedtafelke, begaf zich trapwaarts en ontwaardewoord KatrijneKatrijne, die heurenwoord hals bang buiten de deur van haar slaapvertrek rekte:

— Open niet, Eerwaarde. De tijden zijn onbetrouwbaar. Het kan een uitzinnige zijn of een moorder. Wie is het?

— Ik ben een knecht Gods, een priester, KatrijneKatrijne. Al wàre het een moorder met pistool en ponjaardwoord — ik zoude gáán. Maar het is een arme vent, dochter KatrijneKatrijne, en hij is doof en stom. Hij heeft een noodmarewoord, vandaar, dat hij den klopper zonder verademing hanteert. De marewoord kan ook hem-zelve gelden. Ik zal het rapwoord weten. Wij papenwoord kennen geen vrees.

Pastoor PonckePoncke ging naar beneden. Grillig zwaaide en zwonk achter hem zijn schaduw. Hij deed de voordeur van de grendelen, lichtte de keten. De klopper dreunde door. Pas alswoord hij de deur opende, kwam er een einde aan.

— Mijn vrìnd…!, zegde Pastoor PonckePoncke meewarig. — Ei, wat is dàt nu? Het is mìjn sargiewoord, niet de ùwe… Ei, mijn vriend…!

Pastoor PonckePoncke stond zonder sargiewoord en met een gedoofd licht op den drempel. De man, die hem de sargiewoord ontgrist had, was reeds spoorloos verzwonden. Vaag meende Pastoor PonckePoncke in den vent den doolaardwoord van 's noenswoord te hebben herkend. Maar het was alles met zoo'n raptewoord gebeurd. Blies de màn de kaars uit of de wìnd?

55
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl