hem niet. Bedenk, dat ik er slechts één bezit. Het eendere geldt mijnen gaanstok, een erfstuk. Ge kunt mij aandienen.
Pastoor Poncke
doorschreed met den lakei de gothiek gewelfde
hal. Aan de deur der feestzaal, waarachter het roezelde van
stemmen, hield hij den man terug:
— Veroorloof mij een profijtelijk snuifke, mijn vriend? Mag ik er u eentje aanbieden? Werkzame rappé. Gij snuift niet? Men kan eraan verslaafd raken. Evenwel niet ìk, mijn brave. Meld mij thans.
De dienaar riep effen
Pastoor Poncke's
naam in de feestzaal.
Pastoor Poncke
overtrad den drempel. De vleugeldeuren gingen
gedruischloos
dicht. Het licht der kaarsluchters verblindde hem.
Gelijk
couleurige
vlekken schouwde
hij de geparuikte hoofden
en de aangezichten der aan den blinkend witten disch
geschaarde
gasten. Een hitte sloog over hem. Hij wreef met zijn neusdoek
over zijn hooggewelfd voorhoofd. En hij niesde plots.
— Héé, hééje…!, verwonderde hij zich. — Wanneer het licht van vier kaarsluchters u niezing veroorzaakt na een snuifke, hoe zal dan bij Ons-Heer in den hemel geniesd worden! Ah, mijn Vriend. Proficiat met Me-Vrouwe. Ah, Me-Vrouwe, proficiat met mijn Vriend.
Welgemeend preste
hij beurtelings
de hand van den Baljuw
en
der Baljuwin
.
— Vrienden, wuifde hij naar de overige gasten, — zit waar gij
gezeten zijt en proficiat met Me-Vrouwe en mijn Vriend. Danke,
Me-Vrouwe. Gij bewaardet voor mij een hoofdzate
? Neen,
zwijg. Een misbegrip
kan elkendeen
overkomen. Welk een schittering
van licht, mijn Vriend. Het overstelpte mij. Indien men
van de duisternis van de straat ineenen hier staat, nietwaar?
— De Magistratuur, eerwaarde Poncke
, zal eerstdaags besluiten
de straten der stede van lantaarnen te voorzien…