bladzijde << 60 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Héé, waarom, mijn Vriend? Zulks zou volgens mijne inzichten zeer dwaas wezen. Want nietwaar: ordentelijke menschen toeven des avonds binnenshuis en waartoe de stede-straten te verlichten louter voor dieven en nachtbrakers? Ha, de hoofdzatewoord alléén voor mij? Honni soit qui mal y pense. Immer uw dienaar, Me-Vrouwe, mijn Vriend!

De BaljuwBaljuw geleidde de ruiselende BaljuwinBaljuwin ter hunne zeteling.

De BaljuwinBaljuwin had heurwoord getooid met een kleed van rose brocaatwoord. Here ongepoederde goudblonde haren waren gevat in een hoog frisuurwoord op zijn Fransch, en zij mocht bogen op een natuurlijken wangenblos en met recht mijde zijn voor blanketselwoord. Haar groote lazuren oogen tintelden en men roemde haar de schoonstewoord vrouw van Dammewiki en contreiwoord. De BaljuwBaljuw was zijn aldaagsche scharlaken dracht trouw gebleven. Op zijn teeken wierdenwoord door de rosbruin gelivreidewoord tafelknechten de festijngerechten aangedragen — eersten een mild hanesoepke plus een bottelkewoord witte wijn.

— Laat, mijn vriend, zegde Pastoor PonckePoncke den hem bestellenden dischknechtwoord, — den wijn pleegwoord ik volledig eigenhands te beheeren.

— Vrienden!, richtte hij zich tot de feestgenooten, — veroorloof mij, dat ik vóórbidde. Elk festijn behoeft de benedictiewoord van boven. En hij bàd voor, zwijgend — wijlwoord God de stilte der gedachten gunstiger gezind is dan het luid woord.

— Vrienden altemaalwoord, rijk bekomewoord het u. Ik beken u grif, bereidswoord ter pastorijwoord gegeten te hebben, maar ik ben slechts een arm man, en wat restwoord er anders op de wereld voor een arm man lijkwoord ik dan zich zoo goed mogelijk den buik te verzadigen?

Met deze uiting schonk Pastoor PonckePoncke zich de bokaalwoord vol, nipte, en keurde, en knikte tevreden.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl