bladzijde << 112 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

lijk, zullen MiekeMieke en Ons-Heer het mij willen vergeven. SanderkenSanderken, ik vertrek zonder dralen. Maar gij, leer het bestel des levens schouwenwoord met een breedenwoord blik. Dàn herkent gij uw taak, en uw verdriet gaat glanzen, mijn vriend, geloof mij!

En in de armenbuurt gearriveerd, ging Pastoor PonckePoncke het goor huizingskewoord van Mieke MusschenschrikMieke binnen, na SocratesSocrates vermaand te hebben, rustig zijn weêrkomst te verbeidenwoord. MiekeMieke heurwoord heemwoord, een zuur ruikend en mager door den dag verlicht kamerke met een bedstee, mat niet meerder dan vier ellen breedte en lengte. MiekeMieke lag op heurwoord bedstee-spondewoord. Pastoor PonckePoncke tordwoord tot bij haar:

MiekeMieke, wat schort er met u?

MiekeMieke draaide heurwoord verrimpeld aangezicht naar Pastoor PonckePoncke.

— Mijn-Heer Pastoor…, zegde ze.

Ja, ik ben het, MiekeMieke. Sanderken TeirlinckSanderken deed mij marewoord van uwe kranktewoord. Het spijt mij zoo, dat ik pas thans ten uwent gekomen ben.

— Ge zijt er nù tocht, teemdewoord het wijveke tevree en heurwoord ietwat omhoog wrochtendwoord, kondde zij Pastoor PonckePoncke geheimzinnig:

— Ik ben aan het dóódgaan, Mijn-Heer Pastoor.

— Waar hebt ge zéér, MiekeMieke?

— Zéér? Nieverswoord heb ik zéér. 't Is te zeggen…

— 't Is te zeggen… wàt, MiekeMieke?

— Hèndrik.

— Wìe, Hèndrik?

— Hij, Mijn-Heer Pastoor, ge weet wel: de duivel!

— Tempteert hij u weder? Ik heb een remedie, gelijkwoord u bekend is…

— Neen, hij is uit mijne darmen vandaan. Maar hij waart hier rond en ik verkeer in wreede vare…

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl