lijk, zullen Mieke
en Ons-Heer het mij willen vergeven. Sanderken
,
ik vertrek zonder dralen. Maar gij, leer het bestel des levens
schouwen
met een breeden
blik. Dàn herkent gij uw taak, en uw
verdriet gaat glanzen, mijn vriend, geloof mij!
En in de armenbuurt gearriveerd, ging Pastoor Poncke
het goor
huizingske
van Mieke Musschenschrik
binnen, na Socrates
vermaand
te hebben, rustig zijn weêrkomst te verbeiden
. Mieke
heur
heem
, een zuur ruikend en mager door den dag verlicht kamerke
met een bedstee, mat niet meerder dan vier ellen breedte en lengte.
Mieke
lag op heur
bedstee-sponde
. Pastoor Poncke
tord
tot bij
haar:
— Mieke
, wat schort er met u?
Mieke
draaide heur
verrimpeld aangezicht naar Pastoor Poncke
.
— Mijn-Heer Pastoor…, zegde ze.
Ja, ik ben het, Mieke
. Sanderken Teirlinck
deed mij mare
van uwe krankte
. Het spijt mij zoo, dat ik pas thans ten uwent
gekomen ben.
— Ge zijt er nù tocht, teemde
het wijveke tevree en heur
ietwat
omhoog wrochtend
, kondde zij Pastoor Poncke
geheimzinnig:
— Ik ben aan het dóódgaan, Mijn-Heer Pastoor.
— Waar hebt ge zéér, Mieke
?
— Zéér? Nievers
heb ik zéér. 't Is te zeggen…
— 't Is te zeggen… wàt, Mieke
?
— Hèndrik.
— Wìe, Hèndrik?
— Hij, Mijn-Heer Pastoor, ge weet wel: de duivel!
— Tempteert hij u weder? Ik heb een remedie, gelijk
u bekend
is…
— Neen, hij is uit mijne darmen vandaan. Maar hij waart hier rond en ik verkeer in wreede vare…