bladzijde << 252 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

kersouwkeswoord. En bovendien riekt een diergelijkewoord doeningwoord ietwat naar bijgeloof, naar ketterij — een liefelijk bijgeloof, een liefelijke ketterij, geloof mij. Ons-Heer maakt zich er niet kwaad op, integendeel… Ik dwaalde alweder af, KatrijneKatrijne. Katrijne-dochterKatrijne, ik zegen u uit Naam van den Heer-God. En ik dank voor al wat gij voor mij deedt. Gij hebt immer, nietwaar, de verlangst bezeten, Uwe levensdagen te beëindigen bij de bagijnenwoord. Nu kunt gij er heentrekken, want mijn testamenttestament zal uw faam boekstaven in een vorm, die u de gelegenheid schenkt uwe verdere jaren in aangename devotie te slijten. Ei, gaat ge nu tòch aan het schreemenwoord, KatrijneKatrijne? Héé, ìk heb toch meerdere reden ertoe dan gìj en ik laat geen traan. Laat mij dan maar alleen en ga naar beneden, KatrijneKatrijne.

Op noenstondewoord van drie week de deur van de krankenkamerwoord open en Mijn-Heer VercuyckVercuyck, in ambtsgewaad, effenwoord zwart lakenewoord mantel en gladde blanke bef, tordwoord binnen. Onder den arm klemde hij een gewichtigewoord map en hij halteerdewoord steil op de vloermat, boog vervolgens waardig, richtte zich weêr recht, kuchte droog en sprak gedempt:

— Hier ben ik, Eerwaarde Heer Pastoor. Uw verzoek bij u te komen was mij een heilig bevel. De bescheidenwoord draag ik met mij.

— Héé, mijn Vriend, waartoe zoo dor getaaldwoord. Ben ik u een vreemdeling in JerusalemLucas 24:18? Zijt gij den avond ten huize van den BaljuwBaljuw vergeten? Verkeerden gij en ik niet steeds op voet van vriendschap met elkander? Ik bevat u niet bijsterwoord. Ontsmijt u voor drie vierendeel den Notarius. Bejegent gij uwe uiterstewille-cliënten altooswoord op deze wijze? Tut-tut, gij zijt toch geen doodbidderwoord? Kom nader, mijn Vriend.

Verschooningwoord, zegde Mijn-Heer VercuyckVercuyck, — een krankenspondewoord is geen festijndischwoord. De NotarisVercuyck in mij wil het zijne. Hm,

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl