Apotheker Spiessens
las Voltaire
,blz026noot11 die, volgens Pastoor Poncke
de menschen een schoon
voedzaam brood uit de handen nam en
er een brok steen voor in de plaats gaf
. Toch was de Apotheker
geen ongodist, al praalde hij gaarne met aan Voltairiaansche boeken
ontleende gallige volzinnen, hetgeen Pastoor Poncke
eens
deed verklaren, dat hij, Spiessens
, niet alleen vergif stampte in
den vijzel, doch mede met de tong. Ook vanaf den kansel
zinspeelde
hij soms op den apotheker
en taalde
alsdan
van een zeker
heerschap, dat spellekes deed met den satan, God uittartte en
het spelleke per slot deerlijk verliezen zou — want dit heerschap,
o mijn beminde parochianen
, is waarlijk, weze het onwetend,
krank
naar de ziel en tegen zielskrankten
baten, 'laas
geen poederkens — zoo zij al ooit baat
kunnen brengen.
Prohibe linguam tuam à malo.
Hoedt uwe tong voor het helsche. Amen.
Er leefde binnen Damme
te dien tijde nog een andere, waarlijker
Godloochenaar: Mijn-Heer-de-Baljuw Hemerijck
. Aan den
Baljuw
echter rekende Pastoor Poncke
zich in kloeke vriendschap
verbonden. Hij was een personagie uit één brok, uiterst
zwijgzaam in betrek tot zijn verkettering van God en Christendom
— een verkettering, wortelend in zijnen geest op gronden,
die hij immer verholen hield.
Pastoor Poncke
deed geen moeite deze gronden na te vorschen.
… Ge hadt, meende hij, menschen, die heiden geboren zijn en
als heiden op hun reeuwstroo
zullen belanden. Er steekt hierin
niemendal
ongezonds. Het ongezonde heemt
in het lauwe, bij
lauwaards, gelijk
dat apothekerke
. Mijnheer-de-Baljuw
— nomen est omen(2)
,
wat beduidt
één armtierig letterke? (Heme(l)rijck) — kon gewis
zijn van een treffelijke
hemelstee
. God doorpeilt
de nieren
en hij
zoekt er naar het heusche, het ding van de rechte lijn. God houdt
(François Marie Arouet), wijsgeerig bespotter van het Christendom. 1694-1778