Joris
. Ik schoot, vlei ik mij, niet onkwalijk
. Twee werven
leverde
ik het Koningsschot, vleerde de bonte hooggaai
van den staak,
wierd
ik Koning uitgeroepen. Boog en beide tropheeën merkt ge
nog ter pastorij
, op mijne slaapkamer.
Mijne Vrienden! Tentare licet.1
Met boog en pijl gewapend, beklom
ik, eenen windeloozen dinkelenden
zomerdag, de wenteltrap
der Lieve-Vrouwe tot aan den oppersten trans. Ik legde —
mijn boog is van de zwaarste uit — den pijl aan de pees, deed
den romp halveling achterwaarts en zijlings over hellen, daarbij
de zolen schorend
—, spànde uit alle kracht, zoodat het pijltopende
het hout midboogs taakte
, bemikte het hart des hemels, loste
— en de pijl ijlde straal en zoevend de ruimte door. Mijn blik
hield hem beet in zijnen stouten tocht, verspeelde hem op een
moment.
Ik kèn de vluchtwijze der pijlen in steile baan en heb inzicht op
afstandelijkheden. De steil afgeschotenen wijken steeds uit de
recht linie, kantelen per slot — om ter aarde te suizen in vrijwel
gelijkelijke
on-rechte lijn. Hunne stee
van neerkomst vermeet ik
mij tamelijk pront
te kunnen beramen. Dies
wist ik mijn pijl in
zijnen val met het oog te zullen grijpen: zij zoude mij niet ontkomen.
Ik beidde
, daar op de Lieve-Vrouwe, de verdere gebeurlijkheid
zoo gerust lijk
een behorste
rots der arend, de hand in
scherm boven de wimpers. Maar geen pijl streepte mij in het
vizier, zoo gezegd. Géén pijl, mijne vrienden! Ongemak ging aan
het wroetelen, verzeker ik u. Mijn pijl verbrak de wetten van
haar vlucht! Zij keerde nìet! Of faalde mijn blik? Ik kon zulks
niet aanvaarden. Ik ging de afschieting na bij mij-zelve, ik moest
waarachtig bevinden, dat ik de pees nimmer zóó wijd uitgetrokken
had. Ik moest gaan bevinden, eene bovenmenschelijke
daad te hebben verricht: mijn schicht
had gespot met den aether: