bladzijde << 118 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

peluwwoord en bliktewoord Pastoor PonckePoncke wanhopig aan.

— Wat wilt ge, MiekeMieke? Ei, ik begrijp het. Het is tòch Hendrik, die weêrgekomen is, nietwaar? Maar hij zal er niet lang geneuchtwoord van beleven, want wij hebben, hier-zie, MiekeMieke, een wapen, dat hem rapwoord bannen zal naar het zwart oord van zijnen thuis. Stil, MiekeMieke. Niet roeren. Hier hebt g' het poederke. Snuif nu, snuif, MiekeMieke. Braaf zoo. Neen, niezen is overbodig. Hij vlucht reeds, Hendrik. Hij vlucht, hij loopt gelijkwoord hij nog immer liep. Ge zijt bevrijd, MiekeMieke. Proficiat. Ja, nu is het zalig te sterven voor u. Hoort gij het nonnekenon voor u bidden? Nu is alles goed, MiekeMieke —, álles. Ge gaat slapen, MiekeMieke, sluit uwe oogen maar. En dan wordt gij wakker bij Ons-Heer. Slaap maar, MiekeMieke — slaap. Ge zijt een beetje moew en daarom moet ge slapen…

MiekeMieke lag thans heel roerloos, bijna alsof zij waarlijk sliep. Lichtkens ademde zij. Pastoor PonckePoncke liet de snuifdoos in zijn soutanezakwoord glijden, MiekeMieke bestendigwoord gadeslaand. Naast hem lag het nonnekenon geknield en murmelde zonder onderbreking den ring der gebeden. En Pastoor PonckePoncke ving aan de litanieën voor de stervenden te spreken:

Proficiscere anima christiana…1spreuken

Alswoord hij de litanieën beëindigd had, was MiekeMieke heurwoord klein leven uitgebluscht. Pastoor PonckePoncke hield haar een spiegelke voor de lippen. Het bedoomdewoord niet.

Het nonnekenon murmelde.

Pastoor PonckePoncke bracht MiekeMieke heurwoord handen tegeneen en bewond ze met MiekeMieke heurwoord rozenkrans.

— Zoeter dan MiekeMieke verscheiddewoord nimmer een mijner parochianenwoord, zegde hij. — Ik heb haar duizend wervenwoord beklaagd. Ik vraagde God: — Waaròm, Heer? God heeft mij door MiekeMieke geantwoord (Pastoor PonckePoncke wees op de gestorvene): — Dáárom!

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl