peluw
en blikte
Pastoor Poncke
wanhopig aan.
— Wat wilt ge, Mieke
? Ei, ik begrijp het. Het is tòch Hendrik,
die weêrgekomen is, nietwaar? Maar hij zal er niet lang geneucht
van beleven, want wij hebben, hier-zie, Mieke
, een wapen, dat
hem rap
bannen zal naar het zwart oord van zijnen thuis. Stil,
Mieke
. Niet roeren. Hier hebt g' het poederke. Snuif nu, snuif,
Mieke
. Braaf zoo. Neen, niezen is overbodig. Hij vlucht reeds,
Hendrik. Hij vlucht, hij loopt gelijk
hij nog immer liep. Ge zijt
bevrijd, Mieke
. Proficiat. Ja, nu is het zalig te sterven voor u.
Hoort gij het nonneke
voor u bidden? Nu is alles goed, Mieke
—,
álles. Ge gaat slapen, Mieke
, sluit uwe oogen maar. En dan wordt
gij wakker bij Ons-Heer. Slaap maar, Mieke
— slaap. Ge zijt een
beetje moew en daarom moet ge slapen…
Mieke
lag thans heel roerloos, bijna alsof zij waarlijk sliep. Lichtkens
ademde zij. Pastoor Poncke
liet de snuifdoos in zijn soutanezak
glijden, Mieke
bestendig
gadeslaand. Naast hem lag het
nonneke
geknield en murmelde zonder onderbreking den ring der
gebeden. En Pastoor Poncke
ving aan de litanieën voor de stervenden
te spreken:
— Proficiscere anima christiana…1
Als
hij de litanieën beëindigd had, was Mieke
heur
klein leven
uitgebluscht. Pastoor Poncke
hield haar een spiegelke voor de
lippen. Het bedoomde
niet.
Het nonneke
murmelde.
Pastoor Poncke
bracht Mieke
heur
handen tegeneen en bewond
ze met Mieke
heur
rozenkrans.
— Zoeter dan Mieke
verscheidde
nimmer een mijner parochianen
,
zegde hij. — Ik heb haar duizend werven
beklaagd. Ik
vraagde God: — Waaròm, Heer? God heeft mij door Mieke
geantwoord
(Pastoor Poncke
wees op de gestorvene): — Dáárom!