een droom. Een droom evenwel, waarin gij u gebaad hebt en rein
gekuischt
— en herboren zult gij opstaan. Zoo, nu zijt ge thuis.
Socrates
! Daar komt Socrates
reeds aangedreveld
, Sanderken
.
Wilt ge aanvaarden, dat ik wel eens gedacht heb, dat Socrates
een betooverd mensch zoude kunnen wezen! Geloofde ik aan
tooverije, mijn gedacht ware een wéten. Wat houdt g'uw huizingske
proper
, Sanderken
—, Katrijne
gebetert het u niet. Ontkleed
u. Neen, wacht efkes. Voor ik naar huis trek, verg ik een
belofte van u af, gelijk
het mijn recht is. Zie mij aan, Sanderken
.
Schóón
. Met een halven blik ben ik al content
. Luister nu: plechtig
moet ge mij beloven, niet meer te doen 'tgeen ge deedt. Belooft
ge 't mij, mijn vriend?
— Ja-ik, zegde Sanderken
zacht, terwijl een plas zich vormde
rondom zijn voeten. — Ja-ik en… en ge zijt welgedankt,
Mijn-Heer Pastoor…
— Geen vereischte, mijn vriend, woof Pastoor Poncke
mild,
— ik had het voor mij-zelf immers eveneens gedaan! En, om mij
te verafscheiden
van u: toon u kloek voor Ons-Heer en gedenk
allen dag: mors honesta vitam etiam turpem exornat
, het welk
zooveel bedieden
wil als: dat een eerlijke dood zelfs een schandelijk
leven siert. Tot morgen, Sanderken
.
En Pastoor Poncke
reed ter pastorij
, alwaar Katrijne
, den toestand
van zijn soutane
gewaarwordend
, uitbarstte:
— Eerwaarde, wat hebt ge nu uitgehaald? Uw toog
, uwen goeden
toog
bedorven! En zie mij uwe schoenen! Zijt ge gevallen?
Hebt ge in 't water gelegen? Heere, is me dat verschieten!
— Ik ben een luttel
nat tot aan het middel, Katrijne-dochter
.
Homo sum.1
Een mensch kan uitgletsen, nietwaar? Ge moogt
peinzen
dat ik inderdaad uitgegletst ben.
— Waar?