aan uw pastoor als een man zoo karig
, dat hij zelfs de afsnijdsels
van zijne nagels bewaart. Nu besef ik pas ten volle den
zin van de zegging: hoe het een lichtere taak is een meelbuil vol
vlooien 's uchtends in den beemd
te brengen en tegen deemster
wederom bijeen te verzamelen, dan een vrek zijnen eigenzinnigen
aard te verweeken. Schalle
, Schalle
! Zie, in tijden van regelmatige
weelde zijt gij een ordentelijk mensch, die zijne minderen
niet het vel over de ooren stroopt. Thans gebaart gij u benauwd.
Maar in waarheid zijt gij duivelachtig behoedzaam geworden,
zaagt
g' een gat om heem
en huid te verrijken door u het binnenste
met een danige ijskorst te laten omvriezen. Goed, gaat
uwen gang, Gouden-fontein-die-geen-water-geeft, Schalle-van-niemendalle
!
Tja, nu raakt ge in ongemak, want Gods toorn
taalt
uit mij. Nochtans, Schalle
: Gods líefde woont evenzeer in
mij. En Gods liefde noopt
mij tot u te spreken: Verkiest gij het,
ten achter te staan bij iemand als Krimpaert
, uw gebuur? Verkiest
gij het, dat ik in mijn sermoen
toespeling maak op een man
met een heel luidelijken naam en die den winternood uitbuit ten
koste van anderen, vernibbeld
lijk
hij zich toont op de alsaan
hoogere voedselprijzen en die, veinzend, de schaarschte van God
gezonden roemt? Verkiest gij zulks, vriend? Geloof dat ik het
doe. Wij, papen
, weten van recht. Edoch, zwijgen is op uw erf
goud — niet voor u, voor mìj. En vertrekken van hier is mij
dubbel-goud. Ik heb mij in u deerlijk vergist. Al kwaamt ge af
met tien worsten, een hesp
en een baken spek en boodt ge mij een
baalke meel, morgen bij u af te halen door Jaak
de groenselier
— ik zou zeggen: — Néén. Néén. Níet meer.
En Pastoor Poncke
keerde den boer den rug toe en omspande
met de linkerhand de zadelknop, als ware hij zinnens zich
luchtig-weg, met de behendigheid van een kunstruiter, in het
zadel te slingeren ondanks de obstakelen. Toen hoestte de boer.