Zoo, de saucijzen in dìt mandeke —, en de hesp
op het spek in
dìt. Schóón
. Het nog ledig mandeke er bovenop. Pront
. Danke.
Hier hebt g' een kruiske, mijn kind. Schalle
, ge zijt een man van
uw woord. Maar buiten uw bijstand raak ik niet op Socrates
,
dies
… Dànke. Ik zìt. Wat zegt ge daar van bandieten? Tut-tut,
vriend. Altemaal
kindersproken. Hang uw roer
gerust weêr
aan den wand. Op het Damsche
waagt zich geen boef. Geruchten
hebben niet altijd feitelijke bronnen. Ik verwacht u Zondag in de
hoogmis. Een kerstene
gelijk
gij, dat spreekt, stoeft
niet op zijne
weldaden. Aalmoezen, welke naar de hand rieken, verliezen hun
kracht voor den gever. En gedenk Ons-Heeren spreuk: Hetwelk
gij den minste aan goeds onder u doet, hebt ge Mij gedaan
. Geloof
van mij, dat op de pastorij
de kelder ijdel
is aan vleezen en dat
Katrijne
erover jeremieert
. Vrouwlingen zijn nu eenmaal zoo.
Het is evenwel aldus, dat men den hemel wint. Valete(1)
.
En Pastoor Poncke
reed henen, naar den volgenden hof. En ook
hier bevocht hij de victorie. En eveneens op de andere hoven. En
op de laatste hoeve
snoerde hij zich het rugmandeke op en deed
het den slot-buit behelzen. En als
men hem aldaar ried
, het rugmandeke
eveneens op Socrates
te bevestigen, zegde Pastoor Poncke
:
— Héé, hoe kunt ge zoo scheef
peinzen
! Heeft Socrates
niet
genoeg te dragen?
Na veel moeiten troonde hij van her in het zadel en ging het op
Damme
aan, langs den kortsten weg, door het Geeraerdtsbosch
en Pastoor Poncke
bemijmerde het, hoe de Heer-God zijn tocht
had gezegend. De armen zouden dansen en de ingetogen zusterkens
van Sint-Jan
kirrelen. Het priesterschap, bevond hij, is
knechtschap en koningschap ineenen…
Tal van diergelijkheden
overdenkend trok hij blijgezind het
bosch door.