tot in het subtijle. Ik geloof echter… Mijn vriend, het rechteroor
hangt slutser
dan het linker. Hóórt hij uitmuntend? Ja? Dan
is zulks geen bezwaarnis. Help mij eraf. Danke. Ik ben, denkelijk,
tevreden. Ei, ik vergeet nog iet. Lóópt hij bekwamelijk
?
— Lóópen, Mijn-Heer Pastoor? Dràven bedoelt gij. Hij draaft
in één asem
van Brugge
naar Sluys
!
— Héé, dat is spijtig, verklaarde Pastoor Poncke
ontgoocheld.
— Wat moet ik in Sluys
doen! Neen, alsdan
kan ik hem niet gebruiken.
Vale(1)
.
En Pastoor Poncke
liet den ezel staan waar hij stond en beende
heen, op speur naar een gerieflijker beest. Ezels bleken evenwel
uiterst karig
aanwezig, wellicht, die eene uitgeweerd, in het geheel
niet. Hij stelde overal vragen en ontving telkens een vruchteloos
antwoord. Hij dubde erop, voor heden van een nieuwkoop
af te zien, hield zich reeds bezig met het probleem: per diligence
of voetelings
huiswaarts te keeren, als
hij, pal vóór zich, een
soutane
zwarten zag. Héé, voorzeker een priester, evenals hij uitschouwend
naar een brevier
-ezel.
— Goêndag, ambtgenoot!, sprak hij den geestelijk galmend in den rug.
De aangesprokene wendde zich om. Hij bezat een kwabbig aangezicht
en donkeren, stékende oogen. Hij monsterde Pastoor Poncke
van top tot teen en bescheidde
nadien
met barsche minachting:
— Kènt ge mij, dat ge mij groet? Ik ben mij niet bewust u ooit
ontmoet te hebben.
— Héé!, stootte Pastoor Poncke
pront
weêrom. — Neen, ik zag
u nooit tevoor, doch uwen tik
en toog
schouwend
, heb ik u voor
mij-zelf gehouden en gegroet. 'Laas, vergiste ik mij!
De geestelijke wees met den wijsvinger op zijn voorhoofd, draaide
Pastoor Poncke
van her den vetten rug toe en vervolgde zijn