bladzijde << 205 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

tot in het subtijle. Ik geloof echter… Mijn vriend, het rechteroor hangt slutserwoord dan het linker. Hóórt hij uitmuntend? Ja? Dan is zulks geen bezwaarnis. Help mij eraf. Danke. Ik ben, denkelijk, tevreden. Ei, ik vergeet nog iet. Lóópt hij bekwamelijkwoord?

— Lóópen, Mijn-Heer Pastoor? Dràven bedoelt gij. Hij draaft in één asemwoord van Bruggewiki naar Sluyswiki!

— Héé, dat is spijtig, verklaarde Pastoor PonckePoncke ontgoocheld. — Wat moet ik in Sluyswiki doen! Neen, alsdanwoord kan ik hem niet gebruiken. Vale(1)spreuken.

En Pastoor PonckePoncke liet den ezel staan waar hij stond en beendewoord heen, op speur naar een gerieflijker beest. Ezels bleken evenwel uiterst karigwoord aanwezig, wellicht, die eene uitgeweerd, in het geheel niet. Hij stelde overal vragen en ontving telkens een vruchteloos antwoord. Hij dubde erop, voor heden van een nieuwkoop af te zien, hield zich reeds bezig met het probleem: per diligencewoord of voetelingswoord huiswaarts te keeren, alswoord hij, pal vóór zich, een soutanewoord zwarten zag. Héé, voorzeker een priester, evenals hij uitschouwendwoord naar een brevierwoord-ezel.

— Goêndag, ambtgenoot!, sprak hij den geestelijk galmend in den rug.

De aangesprokene wendde zich om. Hij bezat een kwabbig aangezicht en donkeren, stékende oogen. Hij monsterde Pastoor PonckePoncke van top tot teen en bescheiddewoord nadienwoord met barsche minachting:

— Kènt ge mij, dat ge mij groet? Ik ben mij niet bewust u ooit ontmoet te hebben. — Héé!, stootte Pastoor PonckePoncke prontwoord weêrom. — Neen, ik zag u nooit tevoor, doch uwen tikwoord en toogwoord schouwendwoord, heb ik u voor mij-zelf gehouden en gegroet. 'Laas, vergiste ik mij!Hodja

De geestelijke wees met den wijsvinger op zijn voorhoofd, draaide Pastoor PonckePoncke van her den vetten rug toe en vervolgde zijn

205
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl