bladzijde << 208 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

het uwe en de Heer-God het Zìjne. Hoe ik dan brevierenwoord zal? Op mijne eigen onderleden, SocratesSocrates! En uwe duivelkens?, vraagt ge. Denk aan de heilige martelaren, mijn Vriend: Sint JacobJacob, wien men de handen en de voeten afhakte met een akswoord; Sint PetrusPetrus, die met het hoofd naar de aarde gekruisigd wierdwoord; Sint StefaanStefaan, den gesteenigde; Sint SebastiaanSebastiaan, wiens lijf men teisterde met pijlen; Sint CyriacusCyriacus, den met heet pek overgotene; Sint LaurentiusLaurentius, den geroosterde… Wat beduidenwoord mijne duivelkens daarbij vergeleken? Een kinderachtige speldeprik, Socrates-vriendSocrates! Buitendienwoord is het niet strikt noodwendigwoord, dat ik onze ronde voortaan ganschelijkwoord voeteerwoord. Lange wandelingen zijn geen wet, nietwaar? Wanneer men maar brevìertwoord, zeg ik u — en zulks kan op alderleiwoord manieren geschieden. En gìj zult goê-lever worden. Ach, SocratesSocrates, het was niet bijsterwoord schoonwoord van mij, met u naar Bruggewiki te tijgenwoord. Ik handelde al te overijld jegens u — en zag hierdoor uwen leeftijd over het hoofd. Vergiffenis, mijn Vriend, van her: vergìffenis!

Tegen den nanoenwoord, en na ontalligewoord grif gedulde „vereeuwigingen”, arriveerde Pastoor PonckePoncke ter pastorijwoord, stalde SocratesSocrates onder menige liefkoozing en stapte binnenshuis, alwaar hij KatrijneKatrijne, de gangkareelenwoord dweilend, aantrof:

— Ik ben weder hier, kondigde hij geneuchtelijkwoord. — ik heb SocratesSocrates reeds prontwoord in den stal verzorgd, gij kunt dus kalm aan uwen arbeid blijven.

KatrijneKatrijne richtte heurwoord overeind met de dweil in beide handen:

SócratesSocrates?

SócratesSocrates!, knikte Pastoor PonckePoncke. — Wie anders dan SocratesSocrates? Ge peinstwoord toch niet, dat ik Judas benMatteus 26:25Marcus 14:43Lucas 22:48Johannes 13:21, Katrijne-dochterKatrijne…?

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl