wat ik heeten wil: de herhaling. De seizoenen herhalen zich in
eendere regelmaat. Op de lente volgt de zomer, op den zomer
volgt de herfst, op den herfst de winter, op den winter van her
de lente, enzoovoorts, enzoovoorts. Ge gaat u dan op zeker tijdstip
eens afvragen, waarom het, bij wijze van variatie, niet
zomert pàl op den winter, ge zoudt, om zoo te zeggen, Katrijne
,
de tarwe-aren willen weten rijzen en rijpen vanuit de sneeuwlaag
— enzoovoorts, enzoovoorts… En daar u zulks op den
duur evenmin bevredigen zou, zijt ge genegen nog andere herhalingen
te stremmen. Bijvoorbeeld, mijn dochter: de sneeuw is
eeuwig wit en het gras eeuwig groen. Waarom, zint ge ten leste
,
wordt, voor de aardigheid, de sneeuw niet eens groen en het gras
wit? En waarom moeten de boomen altoos
groen zijn? Ge zoudt
warelijke
blauwe boomen willen of roode, opdat ge u versch verlustige,
weet ge! En nu kunt ge vlot tegenwerpen, hoe de Heer-God
het aldus verordineerde
, dat het gras groen van verve is en
de sneeuw blank en men aan Zijnen Wil niet tornen mag — goed,
ik beaam u dit gaarne, doch hiermede zijn mijne ervaringen niet
weggewischt. Zoek er van mijn kant geen rebellie in, bid ik u.
Mijn zintuigen ontvangen het uitzicht en mijn zintuigen worden
vermoeid vanwege de eentonigheid der dingen. En deze zintuigen
acht ik evenzeer van den Heer-God stammend als de ordeningen
en couleuren
van den buiten. Beiden, boud
getaald
, Katrijne-dochter
,
zijn mij vanlangsom gaan vervelen. De buiten verveelt
mij, ziedaar. Begrijpt ge mij?
Katrijne
zegde te begrijpen, doch voegde eraan toe, dat zij niet
begreep, waarom Eerwaarde tegenwoordig zoo luttel
at: — Ik
heb mijne oogen, Eerwaarde en ik geloof niet, dat ik kwalijker
kook dan voordezen, al maakt gij, dat ik geen geneucht
heb aan
mijne keuken…
— Dat is een verwijt, Katrijne
—, een onrechtvaardig verwijt…