te weten, gelijk
de Jesuïeten
, is bekennen ganschelijk
onwetend te
zijn. Derhalve zijn zij blinkende geloovers en blinkende weters
en is er op hen geen aanmerking te maken. Men is nooit te geletterd
en nooit te geloovig, Mijn-Heer…
— Ik versta u kwalijk
…
— Ik mìj eveneens, Mijn-Heer Spiessens
. Toch sprak ik waarheid.
De waarheid staat immers omneveld.
— Gij hebt, lijk
de Jesuïeten
, acht ik, alle boeken in het brein,
hekelde de Apotheker
. — Boeken verwarren het. De waarheid
is hel
lijk
dauw. Ik lees alleen Voltaire
en diens discipelen
.
— Tja, waarom zoudt gij Voltaire
niet lezen, edoch… Neen,
ik heb niet alle boeken in het brein. Waar' zulks het geval, gij
zoudt op deze zate
Poncke
niet schouwen
, maar een foliant
.
Overigens: Nullus amicus magis liberat, quam liber.1
Ei, welk
een schoone
taart!
Een roomtaart gelijk
een toren wierd
op tafel geplaatst en aangesneden.
— Ha, mijn vriend!, wendde Pastoor Poncke
zich tot den dienaar,
die hem op een wenk van den Baljuw
den voorrank schonk
der afname, — ha, ik prefereer dìt stuk en ik ben u erkentelijk.
Pastoor Poncke
had het grootste stuk uitverkoren en dreelde
het
met de oogen en teugde
een slokske fellen Rijnschen.
Mijn-Heer Spiessens
, wraakzuchtig, fluisterde vinnig:
— Maar Eerwaarde, gij bezoedelt
de gunst van den voorrang
door u het machtigst
part toe te eigenen!
— Gij zegt? O!… Hoè had ik ànders moeten handelen, MijnHeer Spiessens
?
— Het kleinste part prefereeren, zegt mij mijn geweten… Lucullus stierf aan gulzigheid…
— Mocht mijn lot dit van uw Lucullus worden, och ja, zorg gij