werven
Socrates
halteeren
op een stee
, welke hem open uitzicht
verschafte op de oogsting. Hij meende daar thans eenigszins
rijkelijker recht op te hebben dan in de vorige zomerseizoenen.
Had hij per slot niet zijn bescheiden
aandeel in het welslagen van
juist dezen oogst? Die van Damme
en het Damsche
lispelden van
hem, dat hij schier
een heilige wezen moest, door hèm had de
hemel geregend op het moment, toen alles verloren scheen. Deze
faam stond Pastoor Poncke
niet aan. De duivel dreelde
hem erin
en bekwam
weister
, buiten het gebied van zijne, Poncke's
kleine
teenen te kittelen. Een ander dan hij, Paap
Poncke
, was voorzeker
bezweken voor een diergelijke
aanvechting.
Vad retro, Satanas.1
Ik zal den Dammenaren
, zwijgen zij niet spoedig, gildig
verdietschen
, hoe een heilige Poncke
slechts aan verziekte fantazije
ontspruiten kan. Zwart is zwart en wit is wit. Ik zal hun
een bolwassching bezorgen. Maar ik moet oprecht zeggen, dat
men nievers
zulke straffe pikkers vindt lijk
in Damme
. Een
lust voor de oogen en een lust voor de ziel. Het is door zulk volk,
dat Damme
Damme
wierd
en bloeide als één der eerste onder de
steden van Vlaanderen. Ware de Zwene
niet verzand, Antwerpen
héé, lag niet aan de Schelde. Het is echter óók met zùlke noestaards,
dat men de Zwene
wederom uitdiept!
Wellustig, vermeide
Pastoor Poncke
zich een pooze
in den arbeid
zijner kinderen en hervatte nadien
de breviering
, om een eindweegs
verder van her de doening
gade te slaan en er allerhand
overwegingen aan vast te knoopen.
Het gebeurde wel eens, dat een boer, hem ontwarende
, over de
stoppels op hem toe tord
. Een kouterij
ontstond over de vordering
van het werk en bijkans
altijd eindigde het met de belofte
van den boer, Pastoor Poncke
tijdens de Novemberslachte gul te
gedenken. : — Gaarne, mijn vriend, viel Pastoor Poncke
den