bladzijde 79
De beer werd te midnacht heel waak. Bagijn zat, schier dood van de vaak, Aan 't kozijn van heur raam, Beî de handen te zaam, En schichtte òp bij het minste gekraak… Beer! Beerken! Och-arme…
Ik eet, sprak de beer uit het bed, Opdat ik mijn schamel lijf redd', U, bagijn, voor mijn maal, Al kauwt het wat kaal Op een vel en een been, en ònnet. Beer! Beerken! Och-arme…
— Geen krimp!, kommandeerde de Baljuw en hij wierp zich manhaftig op het zesde clauzeke:
De bagijn baarde een gil lijk een hoen Sloeg een kruiske of zeventien toen En vroeg dan om een dans: 'k Ben nog rijklijk wat mans Met de zool op den vloer, zei ze koen. Beer! Beerken! Och-arme…
— Het leste!, schonk de Baljuw de allengs vermoeid rakende heeren in uitzicht. — En avant!!
— Ik… ik…, hijgde Mijn-Heer Koeckaert.
79