de personen
Pastoor Benedictus Poncke (tekening: 17, 33, 103, 121, 157, 185, 211, 237)
Mijn-Heer Spiessens
Pieter den Coninck (tekening: 17)
Katrijne Celestine Houwaert (tekening: 237)
Socrates (tekening: 3, 33, 103, 157, 185)
Corneel Caboor (tekening: 185)
Pruyck (tekening: 47)
Melanie en Roozeke Ruttaert
de nonnekes van het Heilige Hart van het Sint Jansgasthuis
  • wonen de vroegmis bij (bladzijde 21, 149)
  • verplegen de zieken en bidden voor hen (bladzijde 116, 118-119)
  • wonen uitvaarten van armen bij (bladzijde 119, 129)
  • helpen de armen (bladzijde 154, 170, 178)
Mijn-Heer René Koeckaert
Mijn-Heer-de-Baljuw Hemerijck
Me-Vrouwe Isabella ten Hoogdaele
  • Baljuwin, getrouwd met de Baljuw (bladzijde 58)
  • pleegt een robijnenketen te dragen rond den hals (bladzijde 42)
  • viert haar naamdag (bladzijde 57-84)
  • een schoone vrouw (bladzijde 60, 63, 73, 80)
  • speelt clave-cimbel (bladzijde 73-80, 153)
Eerste Schepene Alexander Fonteyne
Mieke Musschenschrik
  • bijgenaamd 'de tooveres van Damme' (bladzijde 29-30)
  • ook wel 'Mieke Marol' genoemd (bladzijde 111, 114, 116, 262)
  • een voormalige rijkemansdochter (bladzijde 116)
  • wordt ziek en gaat dood (bladzijde 112-119, 129, 262)
Mijn-Heer Notaris Antonius Gerardus Vercuyck
Lode
  • de belleman (bladzijde 35)
Sanderken Teirlinck (tekening: 121)
Cyriel Teirlinck
  • tweelingbroer van Sanderken (bladzijde 36)
  • was snijdersgast binnen Gent (bladzijde 36)
  • heeft zich verhangen (bladzijde 36-38, 110-111)
Eulalie
Cordulake van Melsen Broncke
  • jonge vrouw, waarover tijdens de oogst gesproken wordt: 'een djent dingske, zij bindt mij alsaan op de hielen en lonk-oogt als ik mij 't zweet uit de oogen strijk' (bladzijde 107)
Meele
  • een vrouw die juist te midoogst op kindbed ligt (bladzijde 107)
Nelle
Mijn-Heere Laresse
Jaak de groenselier
Krimpaert
  • 'de gierigste boer van het Damsche' (bladzijde 158-164, 167-168)
Trienelle
Schalle
  • zuinige boer (bladzijde 167-170)
Treeze Luiskop
Lamme Leene
Sarel
  • een oudere man die een mes heeft opgeraapt van een doodgevallen leidekker (bladzijde 198-199)
Tist
  • de smid (bladzijde 218)
Moorke
  • een 'verzworven katerke' dat 'de pastorij kwam binnenwandelen' (bladzijde 229-235)
  • gebruikt door Pastoor Poncke om de aandacht van hem af te leiden (bladzijde 229)
Medardus