bladzijde 190
's Anderendaags opgestaan, achtte hij zich een dwaze zelfkweller, die de dingen al te hakig had opgenomen. Gewis, gister gedroeg Socrates zich ongedurig en dwars. Och, wie uwer zonder zonden is, werpe… Nietwaar?
Na vroegmis en ate, zadelde hij Socrates en reed heen. Reed — tot het den eigenzinnigen Socrates beliefde weêrom Lots vrouw uit te hangen, wat de totale verstramming belangde. En de breviering mislukte van her schromelijk en Pastoor Poncke rocht er ten lest bijkans in vertwijfeling over. Doch hij wist zich een kamper. Verbeten zich beheerschend, hield hij zich aan de in hem opgewelde zinsnede: perpetus vincit, qui utitur clementia.1 Twee weken aaneen beoefdende hij gelijk een goed kerstene dulder deze wijsheid praktijkelijk en pantserde zich tegen elk advijs.
Op een nacht, klaar waak liggend, brak zijn manhaftigheid. Hij werd heel treurig vanwege Socrates. Nergens ontwaarde hij uitkomst. : …Socrates, prevelde hij, — ge zijt Socrates niet meer. Ik ben diep bedroefd. Ik bestempel u als een apostaat. Hoe zouden wij nog kunnen accordeeren? De luyden zeggen: — Verkoop hem. De grafmaker zegt het, en Katrijne, en Pruyck, en Jaak en zelfs de Baljuw. Een afgrond gaapt thans tusschen u en mij en mildheid noch gramte bouwen een brug. Wanneer ik de mis celebreer, zijt gij daar plots gelijk een beletsel. In den biechtstoel dwaalt mijn brein 't ùwaart en de biechteling taalt in de ruimte. Onder het sermoen dient gìj u aan en ik struikel over mijn woorden, en het brevieren is een duivelsrit en gìj vertegenwoordigt den Satan. Door ùw schuld, ùw schuld, voltooi ik steeds gebrekkiger mijne priesterlijke taak. Het kan alzoo niet langer. God wil Zijne volle maat. Al bloedt mijn hart, wij moeten scheiden. Ik ben sterk. Morgen spreek ik u nader.
Pastoor Poncke wentelde zich op de rechterzijde, schikte de
190