bladzijde 112
lijk, zullen Mieke en Ons-Heer het mij willen vergeven. Sanderken, ik vertrek zonder dralen. Maar gij, leer het bestel des levens schouwen met een breeden blik. Dàn herkent gij uw taak, en uw verdriet gaat glanzen, mijn vriend, geloof mij!
En in de armenbuurt gearriveerd, ging Pastoor Poncke het goor huizingske van Mieke Musschenschrik binnen, na Socrates vermaand te hebben, rustig zijn weêrkomst te verbeiden. Mieke heur heem, een zuur ruikend en mager door den dag verlicht kamerke met een bedstee, mat niet meerder dan vier ellen breedte en lengte. Mieke lag op heur bedstee-sponde. Pastoor Poncke tord tot bij haar:
Mieke, wat schort er met u?
Mieke draaide heur verrimpeld aangezicht naar Pastoor Poncke.
— Mijn-Heer Pastoor…, zegde ze.
Ja, ik ben het, Mieke. Sanderken Teirlinck deed mij mare van uwe krankte. Het spijt mij zoo, dat ik pas thans ten uwent gekomen ben.
— Ge zijt er nù tocht, teemde het wijveke tevree en heur ietwat omhoog wrochtend, kondde zij Pastoor Poncke geheimzinnig:
— Ik ben aan het dóódgaan, Mijn-Heer Pastoor.
— Waar hebt ge zéér, Mieke?
— Zéér? Nievers heb ik zéér. 't Is te zeggen…
— 't Is te zeggen… wàt, Mieke?
— Hèndrik.
— Wìe, Hèndrik?
— Hij, Mijn-Heer Pastoor, ge weet wel: de duivel!
— Tempteert hij u weder? Ik heb een remedie, gelijk u bekend is…
— Neen, hij is uit mijne darmen vandaan. Maar hij waart hier rond en ik verkeer in wreede vare…
112