bladzijde 248
heid. Ik ben uiterst deemoedig. Ik betwijfel het niet, of de Heer-God is bekwaam met eene pink-beweging aan mijn spel slot te maken. Zijn genade echter laat mij betijen. Ik was Hem nimmer een mokkende knecht. Met overgave diende ik Hem, Katrijne. Ik beschouw het als een soortement van belooning, dat Hij mij toestaat de lente te verbeiden. Mijn begeerte wortelt geenszins in zelfzucht. Verreizen als de volgelkens van het geluk gearriveerd zijn, als de grassen zich vernieuwen en schuchter alle bloeiïngen aanvangen — het is symbòlisch verreizen, dochter Katrijne. Doodgaan gelijk ik het verrichten wil — het heeft warm deel aan de lente. Want ik zal zóó sterven, Katrijne, dat men het méde een ontbloeien benamen moet. Zegdet gij mij gister niet, dat buiten de groote dooi aan het gebeuren is? Ik hoor de goten loopen en het geluid is mij muzijk. Ik bevind mij behaaglijker dan ooit. Ik haak naar de komst der zwaluws. Ik tel als het ware de stonden af — gelijk kinderen het plegen in de weken voor Sint Nicolaas, maar niet eender ongeduldig. De wijsheid weet te wachten. Ge peinst toch niet, dat ik ijl-klap uitsla, Katrijne? Ik hoorde een stonde weêrom de Onze Lieve Vrouwe luiden. Wie ligt er over-aarde, Katrijne?
— Eene der Ruttaertgezusters.
— Toch Roozeke niet?, schrok Pastoor Poncke.
— De oudste, zegde Katrijne.
— Godlof, zuchtte Pastoor Poncke. — God erbarme zich over haar. Hoe is dat zoo gekomen?
— Een gerochtheid, zegt Corneel.
— De dood verschijnt lijk een dief in den nacht. Ik ben content dat hij Roozeke met rust liet. Roozeke is een braaf meiske. Van Melanie zoude ik zulks niet met de hand op het hart durven zweren. Ik zal seffens voor haar bidden. Nochtans vrees ik, Katrijne-dochter, dat zij er niet zonder felle schrobbering zal
248