bladzijde 118
peluw en blikte Pastoor Poncke wanhopig aan.
— Wat wilt ge, Mieke? Ei, ik begrijp het. Het is tòch Hendrik, die weêrgekomen is, nietwaar? Maar hij zal er niet lang geneucht van beleven, want wij hebben, hier-zie, Mieke, een wapen, dat hem rap bannen zal naar het zwart oord van zijnen thuis. Stil, Mieke. Niet roeren. Hier hebt g' het poederke. Snuif nu, snuif, Mieke. Braaf zoo. Neen, niezen is overbodig. Hij vlucht reeds, Hendrik. Hij vlucht, hij loopt gelijk hij nog immer liep. Ge zijt bevrijd, Mieke. Proficiat. Ja, nu is het zalig te sterven voor u. Hoort gij het nonneke voor u bidden? Nu is alles goed, Mieke —, álles. Ge gaat slapen, Mieke, sluit uwe oogen maar. En dan wordt gij wakker bij Ons-Heer. Slaap maar, Mieke — slaap. Ge zijt een beetje moew en daarom moet ge slapen…
Mieke lag thans heel roerloos, bijna alsof zij waarlijk sliep. Lichtkens ademde zij. Pastoor Poncke liet de snuifdoos in zijn soutanezak glijden, Mieke bestendig gadeslaand. Naast hem lag het nonneke geknield en murmelde zonder onderbreking den ring der gebeden. En Pastoor Poncke ving aan de litanieën voor de stervenden te spreken:
Proficiscere anima christiana…1
Als hij de litanieën beëindigd had, was Mieke heur klein leven uitgebluscht. Pastoor Poncke hield haar een spiegelke voor de lippen. Het bedoomde niet.
Het nonneke murmelde.
Pastoor Poncke bracht Mieke heur handen tegeneen en bewond ze met Mieke heur rozenkrans.
— Zoeter dan Mieke verscheidde nimmer een mijner parochianen, zegde hij. — Ik heb haar duizend werven beklaagd. Ik vraagde God: — Waaròm, Heer? God heeft mij door Mieke geantwoord (Pastoor Poncke wees op de gestorvene): — Dáárom!
118