bladzijde 147
— God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, telde Katrijne traag en niet ontriomfantelijk.
Pront. En nu zal ìk u het wetenschappelijk bewijs leveren van het vreemd feit, hoe dat Eén tevens Driè kan zijn. Luister. Ik kom bij u in de keuken en leg er op uw schotelbank een handvol sneeuw en een brok ijs. Daarnevens plaats ik een panneke met water. Ge schouwt aldan drie verschillende dingen, nietwaar, waarvan de sneeuw het éérste is, het ijs het twééde en het water het dèrde. Kunt ge mij volgen, Katrijne? Prachtig. Ik zet het panneke met het water thans op het vuur en werp in het panneke de door mij verzamelde sneeuw en het stuk ijs. En ik beid met veel patiëntie, Katrijne. Wàt zie ik onder mijne oogen allengs geschieden? Het water wordt warm en navenant de warmte vermeerdert, smelt de sneeuw en het ijs rapper. En per slot ontdek ik van sneeuw noch ijs iets meer. De sneeuw veréénde zich met het water. Het ijs handelde insgelijks. Drie dingen zijn één ding geworden. Is dit geen bergvast bewijs voor het bestaan der Goddelijke Drie-Eenheid, Katrijne? Ja, gij beaamt mij nu wel, doch uwe oogen verraden mij, dat het juiste bestel der affaire niet geheel tot u doorgedrongen is… Och, Katrijne-dochter, zulks is u ook niet van noode. Een kerstinne gelijk gij, beseft een diergelijk mysterie met het hart, en dit is oneindig beter. De wetenschap verarmt elkendeen, die geen priester is. Geloof geldt méér dan alle wetenschap, alle geletterdheid. Gelóóf, het kèrstenen-geloof, wel te verstaan, Katrijne, omsluit alle wetenschappen ter wereld. Trouwens: Nisi efficiamini sicut parvuli, non intrabitis in regnum coelorum.1 Schaf een paar blokken op den haard bij, wilt ge? Het vuur is ietwat verflauwd. En ik heb intusschen goesting bekomen in mijn bokaal. Ik verneem, dat wij
147