bladzijde 65
dan, bid ik u, voor Katrijne… Maar… wat hebt gìj op uw schaalke, Mijn-Heer?
— Het geringste.
— Héé, wat laakt gij mìj dan? Gij hebt toch uw goesting geoogst, Mijn-Heer Spiessens?
De Apotheker neep de lippen tegaar.
Pastoor Poncke ging overeind staan.
Silentium, mijne Vrienden!, vergde hij.
De disch verstilde.
— Mijn Vriend en Vriendin! Mijne Vrienden! Den heiligen Augustinus gedachtig, die zegde, dat evenzeer als men nauwkeurig acht geeft op de spijzen, welke men gebruiken wil, men overwegen moet wat men uiten zal, alvòrens men spreekt, taal ik eerst thans.
Me-Vrouwe Baljuwin, niet genoegzaam valt in u de schranderheid te roemen, dat gij uwen naamdag viert op den huidigen dag… na den grootsen Vasten. Bloeiend, Me-Vrouwe, zijt gij nevens uw aanmerkelijk ouderen gemaal, aangezeten. Ik zeg „ouderen” — en ik vergis mij. Want de minne des huwelijks cijfert niet met jaren, doch met Eeuwigheden, nietwaar?
— Eeuwigheden, smaalde Mijn-Heer Spiessens, — Voltaire zegt…
Mijn-Heer Spiessens, gij stremt mijn betoog — ik duid u dit niet te kwade. Totterboord zijt gij vol van Voltaire — en kent hem nochtans pooverlijk… Ik weet wel: neque enim disputari sine reprehensione potest.1
De Apotheker veerde strak, wilde opstuiven.
— Niet gìj, ìk voer het woord, Mijn-Heer Spiessens, bidde ik u. Uw Voltaire — weet gij, dat ik hem eerbiedig? Is hìj niet een man van moed, vermits hij veelal ratelt met de eigen tong, wat
65