bladzijde 226
Den avond van dienzelfden dag verdiepte zich Pastoor Poncke tot omtrent middernacht in de boeken. Toen hij zich naarboven begeven had hield hij op den overloop naar zijn slaapkamer plots den schred in. Uit de richting van Katrijne heur slaapvertrek bereikte hem een gesmoord gejammer. Behoedzaam tord hij tot aan Katrijne heur deur en luisterde fel. Katrijne litaneerde warelijk nog immer heure „achs” en heure „ochs”…
Katrijne, zijt gìj dat?, riep Pastoor Poncke gedempt.
Katrijne kloeg luider.
— Och-arme, mijn dochter, ge hebt zonder twijfel te karig gebeden. Gij badt toch, Katrijne?
Katrijne kloeg en heur sponde kraakte.
Katrijne, hoe lijdt ge! Overmachtig op u is de duivel. Bid, roep Ons-heer aan en de Moeder-Gods, en de Kwade zal u verlaten. Bid, ik gebied het u om uwe zielswille. Ik hoor op u toe, mijn kind.
Katrijne scheen aan het bidden te slaan temidden der tormenten.
— Braaf, Katrijne. Bid voort, rusteloos voort!
Katrijne bad, klagelijk.
Pastoor Poncke wachtte een geruime pooze, riep dan:
— Helpt het al, Katrijne?
Entwat als een ontkenning volgde.
— Tja, mompelde Pastoor Poncke. — Hm… Katrìjn!, verhief zich zijn stem, — Katrìjne! Bid voort, alstublieft. Gebed alleen echter is in dit geval niet voldoende. Terwijl gij bidt, ga ik ijlings naar Mijn-Heer Spiessens en vraag hem een amfioenbolleke. Amfioen komt uit het land van China, alwaar, bevroed ik, schrikbarend geleden wordt aan de tanden. Hoe zouden de chineeskens anders deze medicijn ontdekt hebben? Ik ga. Tot seffens, mijn kind.
Pastoor Poncke daalde met de kaars de trap omneêr, zette in de
226