bladzijde 98
De boerin gaf een hoofdwenk aan een der boevers, die rees en zich verwijderde.
— Danke, bazin, hernam Pastoor Poncke. — Al wat leeft bezit buik en moet verzadigd worden… Tja…
Hij stokte vermits de boer de strakke tronie naar het venster wendde, zag mèt hem overerfs den midnoen zengen en zinderen op het onbewegelijk koren, begon te eten en voelde zich bijster gering en onbehaaglijk. …Ai-mij, ai-mij!, dacht hij.
— Tja…, herhaalde hij een weinig later zich vermand hebbende. En apartelijk tot den bitteren boer:
— Mijn vriend, ik ben een kenner van de breinen der menschen. Ik weet wat er in u woekert. Ge steekt vol misprijzen jegens paap Poncke en peinst: kàllen en kùnnen zijn twéé! Nietwaar?
De boer maaltijdde.
— Héé, streed Pastoor Poncke na eenige oogenblikken voort, — ge zijt al eender ongenaakbaar als dezen morgen Ons-Heer. Ik hellevaart bijkans voor u en het is u geen nestpluim.
— Een algemene ommegang…, loosde de boer stekelig van boven zijn teljoor.
— Ik wéét het, gij verwacht wonderen van een algemeenen ommegang. Ziet God, alzoo redeneert ge, de Damsche parochie in plechtige processie door de velden tiegen, het gemoed wordt Hem eensslags zóó week, dat Hij subiet Zijne sluizen openwerpt. Ge vergeet echter, mijn Vriend, dat de vorige processie pas na veertien dagen vocht opleverde.
— Mag zijn, maar gìj alléén zult dan…
— Tut-tut, bezwoer Pastoor Poncke. — Parijs en Rome zijn niet in een amerij gebouwd. Vijf uurkes nog slechts besteedde ik aan mijne geestelijke ronde. Vijf uurkes erbij en…
— Wij zullen zien!, liet de boer schamper los.
Pastoor Poncke vermaalde langzaam een brokske spek, slikte het
98